Een rieten pet als dak – René Appel

Veel werkwoorden moeten een ‘levend’ (of ‘menselijk’) onderwerp bij zich hebben. Je kunt niet zeggen: ‘De kruk twijfelde’ of ‘De kraan vergiste zich’. Schrijvers hoeven zich van dat soort regels niets aan te trekken. De eerste, ‘ongrammaticale’ zin wordt bijvoorbeeld al veel acceptabeler als je hem in een verhaal zou uitbreiden tot: De kruk twijfelde en wist eigenlijk niet goed of hij een kruk of een stoel wilde zijn (denk aan de stoelen/krukken met een opstaand randje bij hoge receptie- of statafels).

Zo kom je in het domein van het metaforisch taalgebruik. Een auteur die op een prachtige manier deze stijlfiguur kon hanteren, was de Duitser Siegfried Lenz (1926-2014). Hij is in Nederland misschien minder bekend dan zijn generatiegenoten Günter Grass en Heinrich Böll, maar zeker zo goed en wat mij betreft zelfs beter, vooral zijn Duitse les, een absolute aanrader.

De volgende voorbeelden komen uit De overloper, zijn tweede roman, die pas na zijn dood werd ontdekt en in 2016 voor het eerst werd uitgegeven:

  • Schijnheilig schoof de rivier zijn water naar de zee (…) (Omdat de rivier zich niets aantrekt van het feit dat soldaten elkaar afmaken rond en in die rivier, RA).
  • Voorzichtig liepen ze naar een met riet gedekt gebouw toe – een gebouw dat zijn rieten pet ver over zijn voorhoofd had getrokken, alsof het niets met de wereld te maken wilde hebben (…).

De laatste roman van Tommy Wieringa, De heilige Rita, bevat ook een aantal mooie metaforen waarin aan niet-menselijke eenheden menselijke eigenschappen of handelingen worden toegeschreven, zoals in de volgende voorbeelden:

  • In de achtertuinen van de douaniershuizen kwijnen de maïsstengels en wacht de boerenkool de eerste nachtvorst af.
  • Het gebouw helt een beetje voorover, moe van alle gedane arbeid.
  • Het pennetje vloog over het papier, het vond alles even interessant.

Zowel Lenz als Wieringa is spaarzaam met dit soort metaforisch taalgebruik, want voor je het weet wordt het een maniertje dat leidt tot te uitbundige metaforen. Dan zet je je fiets niet meer in een rek, maar aanvaard je de uitnodiging van het rek om je fiets tussen zijn stalen tanden te plaatsen.

Over de auteur:

René Appel is lid van de Raad van Advies van de Schrijversacademie. René Appels eerste misdaadroman werd gepubliceerd in 1987, Handicap. Daarna verschenen nog veel andere romans en korte verhalen. Vele malen werd een boek van hem genomineerd voor de Gouden strop, de prijs voor het beste Nederlandstalige spannende boek, en twee keer werd een boek bekroond: De derde persoon in 1991 en Zinloos geweld in 2001. Schone handen werd in 2015 succesvol verfilmd met in de hoofdrollen Thekla Reuten en Jeroen van Koningsbrugge. René Appel is ook de auteur van Spannende verhalen schrijven, over de wijze waarop schrijvers spanning kunnen aanbrengen in hun verhaal. Onlangs verscheen van hem Joyride en andere spannende verhalen 

Hoe doe je dat eigenlijk, schrijven? – Anne Ruhl

Hoe doe je dat eigenlijk, schrijven?

Ik heb ondervonden hoe het niet werkt.

SOG (schrijf ontwijkend gedrag)

Blinkend en streeploos schoon. Iedere keer wanneer ik tijd vrij maakte om te schrijven, werd mijn huis ineens heel schoon. De stofzuiger ging aan, alle keukenkastjes moesten beter ingedeeld worden en de badkamer kalkvrij maken leek van levensbelang. Na een tijdje zwoegen stond er nog geen letter op papier. De huishouddiva die zich had ontpopt, was mijn grootste schrijfvijand. Dit kon zo niet langer. In mei 2017 wilde ik mijn kinderboek met 30.000 woorden af hebben. Het leven van mevrouw Stip speelde zich af in mijn hoofd, maar kwam op deze manier nooit op papier. Van een schoon huis werd ik niet blij. De belevenissen van Stip en Roeltje stapelden zich op en iedere dag dat ik die niet opschreef werd ik gefrustreerder. Er waren drastischere maatregelen nodig.

Daar kwamen een strak schema, een I.L. (ideale lezer) met zweep en een woordentellend-programma op internet bij kijken.

Hoe ik wel los ging met de verhalen:

Strak schema

Mijn nieuwe indeling hield in dat ik op maandag- en dinsdagavond moest schrijven. Na mijn werk, tussen het koken en de hond uitlaten door. Op vrijdag een hele dag schrijven en op zaterdag en zondag een dagdeel. De stofzuiger mocht alleen maar komen kijken als je de vloer echt niet meer kon zien en de hond -het arme beest- moest zijn plasje ophouden.

I.L.

Tijdens de kinderboekenspecialisatie die ik volgde bij Jowi Schmitz mochten we allemaal werken aan ons eigen verhaal. Stephen King geeft als tip om je ideale lezer voor je te zien als je schrijft. Als ik een verhaaltje af had, stuurde ik een geprinte versie op aan Nicole, mijn fantastische I.L. Zij was heel erg enthousiast en overtuigd dat het goede verhalen waren en ze kwam met leuke aanpassingen en met verbeteringen.

Vorderingen bijhouden

Met mijn nieuw bedachte schema had ik het plan om elke week zeker twee hoofdstukken te schrijven en op Pacemaker had ik mijn doel om 30.000 woorden af te hebben in mei ingevoerd. Ik ging hard aan het werk met mevrouw Stip en Roeltje. Iedere keer als ik een gebeurtenis bedacht, schreef ik dat op een klein gekleurd papiertje en plakte ik het boven m’n bureau. Het uitwerken ervan deed ik tijdens mijn ma-di-vr-za-zo-regime.

Gek genoeg kwamen er steeds meer mensen in mijn verhalen bij. Of ik wilde of niet, ze drongen zich op. Ik was gestart met keurige mevrouw Stip en haar chaotische zus Roeltje. Maar al snel kwam Frederik erbij, de zoon van mevrouw Stip. Niet als baby, gewoon meteen een jongetje van zeven. Dat kan als je schrijft. Een moeilijke oma en een veel te charmante man erbij, klaar.

Het begin van het eind

Een van de opdrachten was dat je tien verschillende eindes aan je verhaal moest bedenken en ik heb daar vier versies van uitgewerkt. Het beste eind had ik dus al geschreven voordat de rest van het boek klaar was. Ik had wel losse verhalen, maar nog geen grote lijn. Doordat het einde klaar was, kon ik met meer focus aan de ontbrekende stukken werken. Er moest wel spanning komen, mensen moeten je boek wel uit willen lezen. Ik bedacht dat er aan het eind een grote schoonmaakwedstrijd plaatsvindt. En er moest een man in komen met foute bedoelingen. Het hele boek werkt mevrouw Stip aan haar uitvindingen voor de wedstrijd en als ze zeker weet dat ze gaat winnen, loopt alles in de soep. Zonder nog te veel te verklappen.

mijn vorderingen in februari

 

 

 

 

Over de auteur:

Anne Ruhl woont in Haarlem met haar man en Italiaans windhondje. Als ontspanning leert ze Scandinavische talen. Op vakantie neemt ze uit ieder land een bijzondere theedoek mee die ze vervolgens nooit gebruikt, maar wel ophangt om mooi te zijn. In het najaar van 2015 startte ze met de Schrijversacademie om naast haar werk als leerkracht haar talenten verder te ontwikkelen. Op dit moment is ze druk bezig met het schrijven van haar eerste boek. Mevrouw Stip en Roeltje zal in januari 2018 uitkomen bij Buddy Books.

 

Aan de slag als auteur – Willie Lek

Als zélfs de weergoden goed gezind zijn, moet het vandaag een geweldige dag worden, mijmer ik in de trein, terwijl in de lome ochtendmist koeien en kalveren voorbij razen en grazen.

In Utrecht loop ik richting de Dom, makkelijk zat, die torent overal boven uit. Mariaplaats 14, daar moet ik zijn. Ik had het adres thuis gegoogeld, maar in het echt geloof ik mijn ogen niet. Komt het door de stadse stilte in dit vroege uur of gewoon door de kleur van de herfst, dat ik een beetje beduusd ben? Is het in dít het pand waar ik vandaag luister, leer en vragen kan stellen? Wauh.

Natuurlijk, een pand met cachet garandeert niet dat ik ook werkelijk iets opsteek. Dat de koffie van goede kwaliteit is, de spritsen naar roomboter smaken, de stapel vegetarische broodjes zijn weerga niet kent, de kroonluchters sprankelen, de fauteuils uit Engelse bibliotheken zijn gehaald, de boekenkasten tot een immens hoog plafond rijken: dat wil, nogmaals, allemaal niets zeggen over de inhoud van deze dag.
Totdat ik luisterde naar de aanstekelijke zinnen van Roos Schlikker, met een ondertoon die er niet om loog.

Er was een interview met Jaap Robben. Ooit kocht ik een van zijn eerste bundels, Zullen we een bos beginnen’, toen hij in 2008, tussen gordijnen in een Amsterdamse huiskamer, optrad. Een recensent van de Volkskrant schreef destijds: ‘Nieuwkomer Jaap Robben stelt van die prikkelende vragen die kinderlijk concreet en filosofisch tegelijk zijn. (…) Deze jonge dichter belooft wel wat, maar is er nog niet.’ Nu is hij een gevierd schrijver, zijn innemendheid is gebleven.
Ik volgde twee masterclasses. Hieke Jans, scenarioschrijfster, boeide een uur lang. GTST, zomaar een soap? Het woord ‘research’ werd met hoofdletters uitgesproken.
Remco Volkers vertelde in zachte, bedekte termen hoe we ons product kunnen ‘pitchen’.
‘Kun je een pitch bedenken voor het verhaal van Roodkapje?’

‘Hoe een ruikertje bloemen leidde tot een moordzaak’, misschien?
Ten slotte een paneldiscussie: een uitgever, een boekinkoper, de literair agent. Niet zoveel nieuws onder de kroonluchters: ga naar een boekenwinkel, koop weinig van de boekentoptien, schrijf secuur, lees breed, luister naar je uitgever en maak netwerken. Wel leuk om Grote Namen in het echt te zien. Terug in de trein zag ik weer de koetjes en kalfjes. Gelukkig maar, want er kon niets meer bij in mijn verzadigde hoofd.

Over de Auteur:

Willie Lek is student aan de Schrijversacademie en start in oktober met de eerste module. Het schrijven zit in ’t bloed, haar moeder heeft haar de liefde voor taal meegegeven. Ze groeide op, was de jongste van acht kinderen, in een druk gezin. Natuurlijk kwam ze daar niet makkelijk aan het woord, dan was schrijven dé manier om te zeggen wat ze duidelijk wilde maken. Zo is het gekomen, door moeder en de ‘Benjamin’ zijn.

Nu, járen, járen later is schrijven, naast hobby, ook een manier om haar gedachten vorm te geven. Het is niet de eerste cursus die zij volgt, zij reisde een jaar naar Amsterdam en een schrijfweek op Terschelling leverde haar eerste (autobiografische) boek op, “Druppelsgewijs”, hoe het leven in een klein dorp, in de jaren ’50 druppelsgewijs veranderde.

Waarom nu naar de Schrijversacademie?

‘Omdat schrijven een voortdurend proces is, en ik behoefte heb aan collega’s, nieuwe inzichten, nieuwe ideeën. Gezocht in het woud van aanbieders, de Schrijversacademie leek (lijkt!) het best bij mij te passen.’


Om professioneel aan de slag te kunnen met schrijven organiseren we vier keer per jaar een studiedag met masterclasses van mensen uit de schrijverswereld. Wil je ook een keer naar de studiedag komen? Klik dan hier.

Benieuwd naar de foto’s?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het hoe van een schrijfgroep (3) De schrijfopdracht

over het reilen en zeilen van een schrijfgroep[1]

Hoe gaat het er nou aan toe in zo’n schrijfgroep met een schrijfopdracht die je op commando moet schrijven? Deze vraag krijg ik als schrijfdocent vaak. Het gaat meestal net als in elke andere situatie waarin je het eerste wat in je opkomt moet doen/roepen/antwoorden/schilderen. Maar wat de vraagstellers eigenlijk willen weten is of het ter plekke schrijven moeilijker of makkelijker is dan het thuis schrijven van een verhaal.

Er zijn veel mensen die in hun welverdiende zomervakantie – ver weg of dichtbij – nadenken wat ze nog eens zullen doen in hun leven als ze weer thuis zijn. Ben jij zo’n mens? Denk je dat je zeker iets wilt gaan doen met je schrijven, maar zie je op tegen het zomaar uit het niets moeten schrijven tijdens de bijeenkomsten met de groep? Nergens voor nodig! Natuurlijk is het gangbare beeld dat we hebben bij schrijvers dat ze in hun eentje op/in een zolderkamer/studio/tuinhuisje/Chateau St. Gerlach (A.F.Th. van der Heijden) hun meesterwerken zitten te schrijven.

Toegegeven: het is wat relaxter ‘scheppen’ als je er tijd, ruimte en stilte voor hebt.

Als je een schrijfopleiding volgt, heb je die tijd, ruimte en stilte dan ook in de 6-8 weken waarin je thuis aan je schrijfopdrachten werkt.
Als je volgende reis er eentje met de Schrijversacademie is, zul je de voordelen van het voor de vuist weg schrijven ontdekken.

In de bijeenkomsten vinden er verschillende vormen van live schrijven plaats. Het is niet zo dat je de ruimte binnenkomt en moet aanvallen op een leeg vel papier zonder enige bewegwijzering. In je vakantie ga je ook niet in het wilde weg ergens heen, want wie weet moet je dan eerst uren een verlaten industriegebied doorkruisen voordat je bij dat mooie panoramapunt komt. Al die actiemomenten worden ingeleid en begeleid. De docent is het kompas naar jouw true north.

Een paar praktische voorbeelden van hoe het er aan toegaat in de lessen:

  • free writing (vrij schrijven) is net als vrij zwemmen: het zwembad (pen en papier) en het water (je gedachten) zijn er, daarin ga je zwemmen (schrijven). Om in de stemming te komen is er meestal een warming up (je rek- en strekoefeningen voor het sporten). Dat kan een (door de docent geleide) fantasie-oefening zijn, gevolgd door kleine associatie-oefeningen. In de groep denk je een tijdje in stilte aan bijvoorbeeld vakantie, maakt vervolgens een lijstje met woorden die voor jou met vakantie te maken hebben en kiest er daar 1, 2 of 3 uit om mee verder te schrijven. Free writing duurt meestal 10 minuten en je schrijft aan één stuk door zonder je pen op te tillen. Behalve voor het volgende woord dan.
    Deze teksten zijn voor jezelf, je hoeft ze niet voor te lezen aan de groep, dus je koudwatervrees kun je hierbij thuis laten.
    Ga je nog op vakantie, dan kun je dit associëren alvast uitproberen zonder pen in een zwembad, zee of oceaan: op je rug drijven en je fantasie de vrije loop laten. Zo simpel is het.
  • vervolg op free writing: uit je tekst kies je één of meer zinnen die je aanspreken als je je tekst nog eens overleest. Daar schrijf je mee

    verder. Je vertelt verder over die bijzondere Portugese vakantieliefde of over de overheersende smaak van verse koriander in die knaloranje tajine in Marrakech. Deze tekst lees je voor aan de groep.

  • gericht schrijven: met behulp van docent, onderwerp, stijl en/of materiaal (zie foto geurpotjes) kom je eerst in de juiste schrijfstemming, je denkt dóór op dat bepaalde onderwerp en vervolgens schrijf je een tekst.

Dit spontaan schrijven in de les wordt ook wel ‘minimaxen’ genoemd. Je schrijft in een minimale tijd een tekst die het maximale voor die tijd is.Veel studenten waren na een paar keer minimaxen laaiend enthousiast: ‘Het is wat het is en meer kun je niet doen!’ Zij vonden het een openbaring zo ontspannen erop los te kunnen en mogen schrijven.

Wil jij ontdekken of jij ook een fan bent van minimaxen, kom dan bij mij een proefles volgen op zaterdag 26 augustus in de Centrale Bibliotheek van Den Haaghttp://bit.ly/2dQXEUI

Wordt vervolgd met Het hoe van een schrijfgroep (4) Het voorlezen

[1] Vrij naar Jan Brokken: Het hoe

over het schrijven van romans, verhalen en non-fictie

Over de auteur:

Dé Hogeweg is docent creatief schrijven en redacteur in Den Haag en omstreken. Bij Uitgeverij U2Pi/JouwBoek is zij hoofdredacteur. Zij geeft les bij de Schrijversacademie. Naast het geven van cursussen en workshops schrijft ze columns, korte verhalen en artikelen voor internetsites en bladen. Zij schrijft over alles wat op haar pad komt. In de zomer gaat het vaak over de Tour de France, in de winter over schaatsen. Regelmatig levert zij bijdragen aan de sites Het is Koers (wielrennen) en Bluesmagazine (concertverslagen).

 

‘Het mooiste van schrijven is van níets íets maken’

In het jaar 2000 verscheen haar verhalenbundel Strandstoelendans.De succesvolste oefeningen uit haar cursussen en workshops gaf zij in 2011 uit in het boek Oefeningen in creatief schrijven – voor beginners, gevorderden en schrijfdocenten.

 

 

Boekentips van Kathy Mathys

Laatst interviewde ik Michael Chabon voor De Standaard in het Ambassade Hotel (op de Herengracht te Amsterdam). Het schrijvershotel, zo staat de plek bekend onder journalisten en auteurs. In het hoogseizoen kan je er zomaar tegen Jonathan Safran Foer en Bill Bryson aanlopen in de lobby, zoveel interviews worden er georganiseerd.

Tijdens ons gesprek (waaruit dit artikel ontstond) ging het over autobiografieën en memoirs. Michael Chabon (de schrijver van ‘Maangloed’, onlangs nog lovend besproken in DWDD) vond het ergerlijk dat de bestsellerlijsten vol staan met autobiografische titels, ten nadele van de fictie. Ik kan me helemaal vinden in zijn observatie dat wat verzonnen is niet minder waar hoeft te zijn dan het waargebeurde.

Chabon irriteerde zich ook aan de structuur van het gros van de memoires. Ze presenteren het leven, zo vond hij, als een verhaal met een al te duidelijke plot, met overzichtelijke hoofdstukken. In het echt, zo stelde de schrijver terecht, is het leven veel chaotischer.

Nochtans zijn er tegenwoordig tal van memoires die de chaos toelaten, die de klassieke spanningsboog van de roman niet kopiëren. Ik denk dan aan ‘De uitweer‘ (Ambo/Anthos), van Amy Liptrott waarin de schrijfster opgroeit op de Orkney-eilanden, ten noorden van Schotland. Ze trekt weg naar Londen, geraakt verslaafd aan drank en keert terug naar de eilanden. Dat klinkt overzichtelijk en toch is dit een wild boek. Lipton verrast door ook van het eiland een personage te maken. En aan het slot zijn er nog heel wat losse eindjes.

Nog gedurfder qua vorm is het boek ‘Hourglass. Time, Memory, Marriage‘ (Alfred A. Knopf) van Dani Shapiro. De structuur van deze autobiografie ontglipt me nog steeds enigszins. Het boek gaat over een lang huwelijk en over het schrijversleven. De echtgenoot van de schrijfster is journalist en scenarioschrijver. De twee werken zich te pletter, grote investeringen zijn uitgesloten. Er is altijd net genoeg voor de dag van vandaag en morgen, niet voor overmorgen. Wat een grillige, meanderende memoir is dit! Verplichte kost voor wie wil schrijven over het eigen leven. Shapiro laat zien dat er zoveel mogelijkheden zijn qua vorm en opzet.

Overigens kwam ik bij Shapiro terecht omdat ze in de Verenigde Staten een stevige reputatie heeft als docent creatief schrijven en omdat ze een boek uitbracht over schrijven. Ook dat laatste wil ik hier van harte aanraden. ‘Still Writing. The Perils and Pleasures of a Creative Life‘ (Grove Press)  kan je enigszins vergelijken met de boeken van Natalie Goldberg of Julia Cameron. Het biedt een mengvorm van autobiografie en tips voor het schrijversleven. Er staan prachtige essays in over je ritme vinden – ze heeft een hekel aan het woord discipline –, over het oncontroleerbare van het schrijfproces, over het geluid van de typemachine van haar moeder (die verwoed schreef en nooit een uitgever vond), over haar geliefde docent, schrijfster Grace Paley.

Verfrissend zijn ook de essays over zogenaamde schrijversdogma’s als ‘Schrijf over wat je al kent.’ Shapiro nuanceert, voegt een en ander toe. Haar toon is bemoedigend, nooit betuttelend.

En laten we eindigen met het onderwerp waarmee we begonnen, het waarheidsgehalte in romans en een autobiografieën. Dit citaat vond ik bij Shapiro:

Fiction can be even more exposing than memoir – a map to the inner world, the subconscious internal workings, the obsessions and fears and secret joys of the writer.’

Over de auteur:

Kathy Mathys is schrijfster en literair journalist voor De Standaard, en docent aan de Schrijversacademie. In 2015 verscheen haar boek ‘Smaak. Een bitterzoete verkenning‘. Volgend jaar verschijnt haar tweede boek, een roman.

 

 

 

 

Hoe word je schrijver? – Daan Remmerts de Vries

Ik wilde geen schrijver worden, maar ontdekkingsreiziger.

Dat leek me een mooi leven. Ik wilde door oerwouden lopen en trekken over bergen. En intussen dieren vinden die nog door niemand waren beschreven. Dit kon (en kan) nog steeds. Ieder jaar werden (en worden) er nog een paar nieuwe vogels, reptielen of zelfs apen ontdekt. Toch ben ik er niet aan begonnen. Wat bleek? Die oerwouden waren lastig om doorheen te trekken! Ik heb het een aantal malen geprobeerd, in India. Ik heb daar tijgers in het wild gezien, en ben zelfs een keer lopend achtervolgd door vijf leeuwen (de Indische leeuw, jazeker, zoek het maar op). Die gebeurtenissen schrokken me niet af, integendeel. Maar intussen kreeg ik ook malaria, typhus en hersenvliesontsteking. Daar had ik niet op gerekend. Je moest dus uit een bepaald hout zijn gesneden. Ik was gemaakt van ander materiaal.

Vervolgens wilde ik muzikant worden.

Ik kon intussen alles spelen, gitaar, basgitaar, toetsen. Ik kon muziek schrijven, en zingen. Dat laatste vond ik tenminste zelf. De leden van mijn band vonden dat ook wel, geloof ik. Maar ik deed toch iets verkeerd. Na ieder optreden was ik schor, was het alsof mijn stem ‘aanliep’. Geen prettig geluid. Moest ik daarmee iedere avond gaan optreden? Moest ik van Maastricht naar Franeker gaan reizen, om telkens weer in ‘De bollenschuur’ of in ‘De Roskam’ ‘mijn ding te doen’?

Nee dus. Het was, toen ik dit koppig probeerde, bovendien de tijd van Luv en van Doemaar. Nederpop! Wat had ik dáár een hekel aan!

Daarom ben ik naar Londen gegaan.

Daar heb ik geprobeerd mijzelf te verkopen, als muzikant. Ik logeerde daar in het huis van iemand die in het buitenland was. En elke dag ging ik, met mijn demo’s, langs meerdere platenmaatschappijen. Elke dag kwam ik dan nogal teneergeslagen weer terug in dat stille huis, in die buitenwijk. Ik had mijn zelf opgenomen cassettes dan kunnen afgeven, maar wist niet of ik er ooit nog iets van zou horen.

Om mezelf te troosten ging ik ‘s avonds zitten tekenen. Ik maakte tekeningen bij een verhaal dat ik, al eerder, had geschreven. Dat deed ik namelijk ook, puur als liefhebberij. Niet zolang voor mijn reis had ik nog een serie verhalen over mijn katten geschreven. Ik had er linoleumsneden bij gemaakt. Ik had de boel opgestuurd en er niet meer over nagedacht.

Na enkele maanden in Londen ging ik terug naar Amsterdam. Verslagen, want ik had niets bereikt. De platenmaatschappijen die me hadden teruggebeld hadden allemaal iets tegen mijn muziek. De één vond het te vooruitstrevend, de ander te ‘mainstream’, een derde niet ruig genoeg, een vierde niet dansbaar genoeg, en ga zo maar door.

Toen ik weer thuiskwam, waren er planken over mijn deur getimmerd.

Mijn huurkamer, ergens in Amsterdam West, was afgesloten, door de politie. Tijdens mijn afwezigheid was er ingebroken. Ik moest de sleutel van een hangslot gaan halen bij een politiebureau in de buurt.

Eenmaal binnen, in mijn kamer, bleek alles overhoop te zijn gegooid. Laden leeggesmeten. Veel dingen kapot. Mijn fotospullen verdwenen.

Ik heb daarna twee dagen op mijn bed gezeten, temidden van de rommel. Ik had geen idee wat ik nog kon doen, want alles was mislukt. Ik, dacht ik, was een mislukkeling. Ik wilde alleen maar dingen die de maatschappij niet zag zitten. Misschien moest ik nu maar oppasser worden in Artis, of magazijnbediende bij de Praxis.

Na die twee dagen werd ik opgebeld, een mannenstem. Hij was heel vriendelijk, die stem, ook al zei ik in beginsel alleen maar telkens: ‘Wát…?’ Het drong langzaam tot me door dat het een uitgever was, die mijn verhalen, over mijn katten, wilde uitgeven. Ja, een echt boek.

Zo ben ik schrijver geworden.

Toen ik mijn boek in een winkel zag staan, in de etalage, drong het tot me door: dít wilde de maatschappij dus wél van me.

En zo word je, denk ik, schrijver: als er intussen het nodige is mislukt. Als je de nodige ervaringen hebt opgedaan. Schrijvers zijn, van buiten, meestal nogal grauwe mensen. Maar ze willen gehoord worden. Ik was niet iemand om in de kroeg mensen lastig te vallen met mijn avonturen. Ik was wel iemand om in stilte te zitten kneden aan mijn verhalen. Schrijven doe je alleen. Niet om de optredens. Niet om het geld (en laten we wel zijn: je verdient er in beginsel geen klap mee). Niet om de roem. Maar om gehoord te worden. Omdat je dingen dwarszitten of omdat je er gelukkig van wordt als je iets wat voor die tijd vaag was, heel mooi hebt kunnen formuleren.

De maatschappij had uiteindelijk gelijk: ik bleek wel te houden van dat eenzame leven. Ik was (en ben) geen ‘teamspeler’.

Nu, meer dan twintig jaar later, ben ik dat nog steeds niet. Maar schrijven doe je niet voor jezelf. Alles wat je schrijft is eigenlijk een brief, naar de wereld. Een soort omweg.

Het is via die omweg dat ik alsnog mijn ontdekkingsreizen ben gaan maken; mijn muziek bleek te bestaan uit letters.

Over de Auteur:

In 1990 kwam zijn eerste boek uit, Zippy en Slos, de avonturen van twee katten, geïllustreerd met Linoleumsneden. Sindsdien heeft Daan Remmerts de Vries meegewerkt aan ruim 40 jeugdboeken (geschreven, geïllustreerd of beiden) en heeft hij drie romans geschreven voor een volwassen publiek. Sinds 2013 is Daan docent aan de Schrijversacademie.

 

Die ene schrijftip die alle andere overbodig maakt

‘Hoe doe je dat nou, zo’n boek schrijven?’

Het was druk in de Utrechtse boekhandel. Het overgrote deel van de gasten was niet voor mij gekomen, maar voor de veel grotere schrijver die naast me op het podium zat en over zijn bestseller had verteld. De vraag werd gesteld door iemand die geen zin had om in de rij hongerige wolven te staan die zich voor de grotere schrijver had gevormd.

‘Je zult dan wel heel gedisciplineerd zijn,’ stelde ze, nog voor ik antwoord kon geven.

Nou, dat is het niet. Ook ik verschans me liever voor een slechte televisieserie. Ook ik spreek liever af met vrienden, dan dat ik me afzonder en gedwongen het blauwe licht van mijn laptop opzuig. Ook ik dwaal tijdens het schrijven aan een cruciale scene af en beland na vijf minuten op een duistere internetpagina vol foto’s van volwassen geworden kindsterretjes.
Toch lukt het me, dat schrijven van die boeken. En dat heb ik grotendeels te danken aan één zin. Een mantra dat me telkens weer terugbrengt naar wat ik eigenlijk wil doen.

Ik lees graag schrijversinterviews. Het interview dat John Wray in 2004 voor The Paris Review voerde met Haruki Murakami staat voor mij op eenzame hoogte. Het spel dat schrijversinterviews zo spannend maakt wordt hier op hoog niveau gespeeld: Wray probeert tevergeefs het mysterie dat Murakami heet te ontrafelen en de schrijver antwoordt op de prachtige, droogkomische en ongrijpbare toon die zijn romans karakteriseren.

Uit dat interview der interviews destilleerde ik de schrijftip die alle andere overbodig maakt. Het zijn maar vier worden. Het zijn niet eens echt bijzondere woorden, tot ze zich in je hoofd nestelen en zolang op dat ene plekje tollen dat ze niet meer uit te wissen zijn. Een spreuk die op het eerste gezicht bedrieglijk simpel is, maar hoe vaker je ‘m door je hoofd laat rollen aan waarheid wint. Een advies dat zo summier lijkt dat ik het bijna niet durf te delen.

Schrijf wat je weet.

Haruki Murakami zegt het zo: ‘als je iets uitlegt, moet je gul zijn. Als je denkt het is zo wel goed, want ik weet het, dan ben je arrogant. Kies voor simpele woorden, voor goede metaforen en treffende allegorieën. Dat is wat ik doe. Ik leg alles heel voorzichtig en helder uit.’
Kortom, schrijf wat je weet.

En zoals het een echt mantra betaamd, zijn deze vier woorden op eindeloos veel manieren uit leggen dan wel toe te passen. Daar gaat ie.

-Schrijf wat je weet gaat over thematiek. Durf dicht bij jezelf te beginnen. Kies voor de verhalen die je hebt meegemaakt, of kies in ieder geval voor die verhalen die je zo sterk raken dat het voelt alsof je ze zelf hebt meegemaakt.
Dat betekent niet dat je niet verder kunt komen dan je bezoek aan de kapper. Want, als je onderweg naar de kapper dagdroomde over radioactieve honden die de wereld dreigen over te nemen, dan behoort ook dat tot je materiaal.

-Schrijf wat je weet is een goede test. Als je, in een poging je verhaal spanning te geven iets onuitgelegd moet laten, dan is er iets mis. De magie van een verhaal is wat overblijft als alles is uitgelegd. Schrijf dus vooral alles op dat je weet en bekijk vervolgens of je tekst nog overeind staat.

-Schrijf wat je weet op het moment dat je vastzit. Worstel niet langer met die ene scene die maar niet wil lukken, maar werk even aan dat stuk waarvan je wel voldoende weet.

-Schrijf wat je weet is niet alleen een opdracht, het is ook een ontnuchterende constatering. Je bént je materiaal. Alles dat je nodig hebt om te kunnen schrijven heb je al.
Maar dat betekent ook dat als je je wilt laten meenemen door de wereld van fictie en je wenst je verhaal in de toekomst te plaatsen of in India of als je wilt schrijven vanuit het perspectief van een cavia, je zult het nog altijd met jezelf moeten doen. Een glamoureuze setting of bijzonder intrigerend hoofdpersonage maken nog geen verhaal. Het gaat om wat jij ermee doet.

-Schrijf wat je weet is ook: weet wat je schrijft. Houd een post-it naast je tekst en schrijf daarop de kern van je verhaal. Bij het herlezen van je tekst verwittig je jezelf nog eens van die kern en bekijk je of je bent geslaagd. Zo voorkom je dat je teksten gaan meanderen, met je weglopen.

Er is nog iets te leren uit het voor mij legendarische interview met Murakami. Bij iedere vraag die Wray inzet om het geheim van de Japanse auteur te ontrafelen wordt keer op keer duidelijk dat zijn missie gedoemd is te mislukken. Er is geen recept of choreografie voor het perfecte Murakami-boek, zijn proza is nauw verweven met wie hij is. Met zijn levensloop, maar ook met zijn diepste angsten en verlangens, met alles dat de meeste mensen onuitgesproken laten. Omdat, inderdaad, Murakami schrijft wat hij weet.

Over de auteur:

Maurits de Bruijn is schrijver en publicist. Zijn essays en korte verhalen werden gepubliceerd in De Volkskrant en Das Magazin. In 2012 verscheen zijn debuutroman Broer, die door pers en publiek lovend werd ontvangen. In 2016 verscheen De achterkant van de zon en op dit moment werkt Maurits aan zijn derde roman.

Op 15 april start een opleiding met Maurits in Amsterdam! Meer weten? Mail info@schrijversacademie.nl

foto credits: Quintalle Nix