Zelf doen – Voline van Teeseling

Alhoewel ‘zelf doen’ altijd mijn levenshouding is geweest, betekent dit niet dat dat ook altijd de makkelijkste weg is. Daarom besloot ik anderhalf jaar geleden om me in te schrijven aan de Schrijversacademie zodat ik mijn schrijfambities serieus zou kunnen waarmaken. Afgelopen december rondde ik mijn tweede en laatste specialisatie af en tja, nu zal ik het dus toch echt weer zelf moeten doen. Ik ben inmiddels al een tijdje bezig aan een heus boek en hoewel de Schrijversacademie mij bij de les hield, keek ik ook wel weer uit naar de vrijheid om mijn boek op mijn manier af te maken.

Zelf doen

Nu het al weer een tijdje zo ver is, blijkt het toch best wat van me te vragen. Er stond namelijk geen Warme Vriendelijke Uitgever of Belangstellend Oud-Docent te wachten om mij een zachte landing te geven. Niet dat ik dat verwacht had, maar stiekem gehoopt misschien toch wel. Er diende zich in plaats daarvan slechts een Groot Gapend Gat aan dat ik zelf moest dichten. Mijn zelfdiscipline bracht me een heel eind, maar ik heb toch ook maar een echt kunstenaarsplan gemaakt met een beetje hulp van Julia Cameron’s The Artist’s Way.  Naast de dagelijkse 500 woorden die ik van mezelf moet schrijven, zoek ik nu andere schrijvers op en  lees ik nog meer dan ik al deed. Ook mag ik van mezelf ongelimiteerd op onderzoek uit voor mijn boek én voor het gaande houden van de stroom verhalen, woorden, zinnen en ideeën die de afgelopen tijd is opgeborreld. En misschien nog wel het belangrijkste: ik mag het schrijven voorrang geven en dus geregeld alles laten varen voor mijn boek.

Nu ik de sprong in het diepe heb gemaakt en zónder bandjes verder moet, weet ik pas echt wat ik nodig heb. De Schrijversacademie verstrekte me de zwembandjes, maar ik ben nu pas echt aan het zwemmen. En wat blijkt het fantastisch in dat water. Een knappe badmeester die me er weer uit krijgt.

Fotograaf Pixabay/Survivor

 

Over de Auteur:

Voline van Teeseling behaalde in 2016 haar diploma’s voor de specialisaties ‘familieverhalen & biografieën’ en ‘romans en korte verhalen’ aan de Schrijversacademie. Zij schrijft portretten, levensverhalen en korte verhalen. Voline blogt op www.schrijvenonline.org en op www.volinevanteeseling.nl over het boek dat ze momenteel aan het schrijven is onder het kopje ‘Help! Ik schrijf een boek’

 

De Johansons – Carla de Jong

De provincie, 1980

'Annie, hou op met dat kattengejank!' Haar vaders stem drong door het plafond heen alsof het van piepschuim was.

'Het is jazz, pa,' riep ze terug.

'Rotzooi zul je bedoelen.'

Haar vader was muzikaal, maar hun smaken verschilden nogal. Hij zong in het kerkkoor en als hij een frivole bui had draaide hij thuis Willy Alberti.

Annie de Gooyer had van haar eerste zakgeld een elpee van Ella Fitzgerald en Louis Armstrong gekocht en heel af en toe kreeg ze haar vader zo gek om samen een imitatie van die twee te geven. 'I said hello Dolly, this is Louis, Dolly.' Dan moest hij toch al wel wat borreltjes op hebben. Meestal was dat op een zaterdagavond, als Annies oudere broer Jos vertrokken was naar de disco. Annie ging niet uit, liever las ze boeken waarin kosmopolitische types door de straten van Moskou, New York en soms Amsterdam zwierven. Aan het stadje waar zij woonde kleefde niets werelds.

Zo te horen was haar vader vanavond niet in de stemming om te zingen, en dus grabbelde ze haar boek naar zich toe en gleed het leven van Eline Vere binnen. Annie beeldde zich graag in dat ze kwijnend op de divan lag, naar tableaux vivants keek en plechtstatig taalgebruik doorspekte met Franse uitdrukkingen. Ook zou ze best kunnen wennen aan zo'n Haags herenhuis in plaats van het arbeidershuisje van haar ouders waar ze een slaapkamertje van twee bij twee had.

Eline Vere had net haar relatie met Otto verbroken en verkeerde in de zoveelste crisis, toen Annies moeder ineens in de kamer stond. Ze gebaarde naar haar oren.

Annie deed haar koptelefoon af. 'Waarom klop je niet, ma?'

'Ik heb drie kéér geklopt. Weet je wel hoe slecht die herrie voor je oren is?'

'Wat is er?' Haar moeder kwam nooit naar haar kamer.

Haar moeder zette haar handen in haar zij.

'Je vader en ik… we maken ons zorgen om je.' Hm, dit was ongebruikelijk. Haar ouders waren geen zorgelijke mensen. Zeker, toen Annie in de zesde klas van de lagere school de hoogste Cito-score van haar jaar behaalde en nota bene op het gymnasium belandde, hadden ze vreemd opgekeken, maar daar waren ze inmiddels aan gewend, ook omdat zij hen niet vermoeide met verhalen over school of de boeken die ze las. Haar rapporten vol negens en tienen hield ze achter om niet als een nog grotere buitenissigheid te worden beschouwd in hun gezin. Als kind had Annie enige tijd de – weinig originele, moest ze nu toegeven – overtuiging gekoesterd dat ze bij haar geboorte verwisseld was. Het storende detail dat haar moeder thuis was bevallen dwong haar een scenario te bedenken waarin de huisarts een hoofdrol speelde. Hoe hij haar precies had verwisseld, daar wilde ze vanaf zijn. Inmiddels zag ze zelf ook wel hoeveel ze op haar vader leek en was de hoop dat een voornaam gezin haar zou komen opeisen afgebrokkeld.

'Zorgen om mij? Ik ben een voorbeeldig kind.'

Haar moeder kwam naast haar op bed zitten en peuterde een pakje sigaretten tevoorschijn uit haar vestzak.

Meer lezen? 

Vul je gegevens hieronder in en je kunt direct het hele eerste hoofdstuk downloaden.

Kan jij niet wachten om aan het volgende hoofdstuk van De Johansons te beginnen? Doe dan mee aan de winactie op facebook en vertel ons waarom jij het boek wilt winnen.

 

Valentijnsdag – Manna Mulder

Het zal denk ik ergens rond groep drie geweest zijn, begin jaren negentig, dat mijn oudste zoon thuis kwam met een glas geblazen paardje. Het moest nog even tot me doordringen vanwaar dit presentje voor mijn zoon, maar na zijn uitleg werd het mij duidelijk; hij had het gekregen voor Valentijnsdag. Van het mooiste meisje van de klas, het poppetje van de school. Het was 14 februari.

Het was een paardje van een centimeter of acht met een bruin ruggetje en beentjes in galop, heel sierlijk en met wuivende manen. De beentjes waren van doorzichtig kleurloos glas. Jarenlang, misschien wel twintig, is het in ons bezit gebleven, tot het op een dag in stukken lag in een doosje en wij het uiteindelijk, na lang bewaard te hebben in deze toestand, met de vuilnisman hebben meegegeven.

Ik vond het aandoenlijk. Dat mijn zoon zo’n mooi paardje gekregen had van een meisje dat blijkbaar, zelfs al op zulke jonge leeftijd, warme gevoelens voor hem koesterde. Het zou een vooruitwijzing worden want tot heden heeft hij die aantrekkingskracht behouden. Zij het niet altijd even succesvol.

Valentijnsdag.

In deze betekenis heeft het voor mij nooit íets betekend. Ik heb stiekem wel eens gedacht die ‘w(R)oest aantrekkelijke’ garagehouder aan de Zeeburgerdijk stiekem een kaart te sturen maar mijn nuchterheid weerhield mij. Bovendien zag hij mij niet staan, als vrouw. Ik was totáál zijn type niet. En bovendien vind ik al dat gedoe met Valentijnsdag maar volkomen flauwekul.

Om eerlijk te zijn vind ik het verschrikkelijk. Ik vind het een opgeblazen, commerciële feestviering. Verzonnen en in het leven geroepen om slagjes uit te slaan en valse hoop te geven aan mensen die verlegen zijn of om andere reden iemand op de hoogte willen stellen van hun aanbidding. Het is een dag, in het leven geroepen voor commercieel gewin. Ineens word je doodgegooid met kaarten, rode aluminium opblaasharten op een steeltje, rozen, weekendjes in hotels. Alles wordt samengebald in die ene dag. Terwijl wij eigenlijk álle dagen onze gevoelens op die manier zouden moeten kunnen en vooral wíllen uiten. Niet dat je elke dag feest hoeft te vieren, dat veroorzaakt ook slijtage. Maar om nou je romantiek op te hangen aan een dag met een vage historie, want ik ben even op onderzoek uit gegaan: er is geen enkele duidelijke aanwijzing voor de invulling van deze dag. Gewoon verzonnen op basis van wat vage overleveringen. Goed voor de economie.

Valentijnsdag, 14 februari, die datum, heeft op zich altijd wel betekenis gehad voor mij, maar in andere zin. Het is de dag dat mijn oom geboren werd, negenennegentig jaar geleden. Hij mocht maar zesentwintig worden, vermoord door de Jap. Aan hem dacht ik altijd op die 14e februari. Of, mijn muis die ik zo genoemd had.

Misschien toch met het gevoel toen dat er een belangrijke boodschap in die naam huisde. Valentijn, de muis dus, woonde op onze schoorsteenmantel in een hoge accubak, van doorzichtig glas. De bak had geen gunstige afmeting voor hem: 30x15x40 (lxbxh) of zoiets. Wat betekende dat ik hem altijd enorm zijn best zag doen omhoog te klimmen maar dat niet kon vanwege het gladde glas. Ik kon hem wel bestuderen, als puber, hangend in een stoel. Hij scharrelde wat rond tussen zijn krantensnippers.

Hij werd een zij

Nog een andere Valentijn waar ik tegenwoordig aan denk is Valentijn de Hingh. Híj werd een zij, Misschien wel de ultieme invulling van Valentijnsdag, de samensmelting van hij en zij.  Kijk, in die zin is 14 februari wel een mooie dag om even bij stil te staan, bij Valentijn. Maar verder heb ik er zelf helemaal niks mee.

Over de auteur:

Manna heet ik, geboren midden jaren vijftig in deze hoofdstad uit een journalist als vader en een verpleegster als moeder. Inmiddels wees. Zelf moeder van een behoorlijk gezin, echtgenote. Ex-leerkracht. Reeds anderhalf jaar blije student aan deze opleiding bij de Schrijversacademie, met gelukkig nog een aantal modules in het verschiet! Schrijven geeft mij rust.

Het hoe van een schrijfgroep – Dé Hogeweg

Over het reilen en zeilen van schrijfgroepen

Hoe gaat het er nu aan toe in zo’n schrijfgroep? Die vraag krijg ik als schrijfdocent vaak. Het gaat net als in elke andere groep waar je wat leert. De groep groept, de docent doceert en er is koffie en thee voor bij het – in ons geval – schrijven, voorlezen en feedback geven op elkaars teksten.
Vanuit het perspectief van de cursist of student is het hoe al vaak beantwoord. Krassende pennen, toetsenborddansende vingers, diepe zuchten, naar de hemel om hulp of uit het raam om inspiratie starende blikken. De geur van oude koffie en een aangeknaagde appel.

Vanuit het docenten-vertelperspectief lees je wel eens een stukje van een docent die zich verheugt over het wonder dat schrijven heet als het zich voltrekt in een beginnersgroep.
In de bijeenkomsten behandel ik de do’s en don’ts in de schrijverij, geef schrijfoefeningen, inspireer, stimuleer – vooral tot lezen en waarschuw – vooral voor opsommingen. Daar valt zeker meer over te vertellen, maar de meeste schrijfdocenten klappen liever niet verder uit de school. En zeker niet op de persoon. Cursisten moeten het gevoel hebben en houden dat alles wat zij in de les produceren en doen tussen vier muren blijft.

Toch schreven schrijfdocenten Nicolien Mizee en Pauline Slot allebei een boek over het hoe van een schrijfgroep/schrijfretraite, respectievelijk Schrijfles en Dood van een thrillerschrijfster. De in hun boeken beschreven cursisten zullen zichzelf of een groepslid misschien wel herkend hebben, maar voor de lezers zijn de personages genoeg gefictionaliseerd om geen boze gezichten of een claim wegens smaad aan de broek te krijgen. Personageprobleem opgelost.

Wie schrijft is kwetsbaar.

Vraag maar aan successchrijvers die nog altijd bang zijn voor neersabelende recensies na het uitkomen van hun nieuwe boek.
Wie beschreven wordt is misschien nog wel kwetsbaarder. Vraag maar aan de familie van Boudewijn Büch, de burgemeester van Zandvoort, de collega’s van J.J. Voskuil. Voor mij valt een grappige column over bijvoorbeeld wanna be schrijvers die met een af manuscript en een attitude naar de eerste les komen dan ook in de categorie don’ts.

Hoe gaat het er nu aan toe in het hoofd van de docent? Dat kwetsbaarmakende inkijkje heb ik er wel voor over om tenminste één van de hoe-vragen te beantwoorden: heel veel lezen, met mijn pen krassen, 3x in de week 20 kilometer fietsen, 2x in de week steppen en spinnen, 2x in de week hardlopen, interproxen, detoxen, observeren, ideetjes opdoen, naar de wolken om inspiratie staren, nieuw lesmateriaal verzinnen, vakartikelen lezen en naar films gaan om cursisten te kunnen tippen over een prachtige plotlijn. Soms pas ik op met opsommingen.

Wordt vervolgd met Het hoe van een schrijfgroep: het voorstelrondje (2)

Over de auteur:

Dé Hogeweg is docent creatief schrijven en redacteur in Den Haag en omstreken. Bij Uitgeverij U2Pi/JouwBoek is zij hoofdredacteur. Zij geeft les bij de Schrijversacademie. Naast het geven van cursussen en workshops schrijft ze columns, korte verhalen en artikelen voor internetsites en bladen. Zij schrijft over alles wat op haar pad komt. In de zomer gaat het vaak over de Tour de France, in de winter over schaatsen. Regelmatig levert zij bijdragen aan de sites Het is Koers (wielrennen) en Bluesmagazine (concertverslagen).

‘Het mooiste van schrijven is van níets íets maken’

In het jaar 2000 verscheen haar verhalenbundel Strandstoelendans.

De succesvolste oefeningen uit haar cursussen en workshops gaf zij in 2011 uit in het boek Oefeningen in creatief schrijven – voor beginners, gevorderden en schrijfdocenten.

Ik, Melania – Liedeke van Nijnanten

Daar sta ik dan. Ik schaam me dood. Ik wil hier niet zijn. Ik ben niet blij. Het liefst zou ik nu weglopen, maar niemand zal het aan me zien. Te vaak gedaan alsof, het is een tweede natuur geworden. De blik van mijn voorgangster staat op onweer. Woedend is ze. Niet op mij denk ik. Ik ben slechts het aanhangsel. Mooi zijn, mond houden en voor onze zoon zorgen. Ze zal wel denken dat ik een dombo ben. Mijn arme zoon. Hij zal gepest worden. Alsof hij er wat aan kan doen. Dat zijn vader is wie hij is. Maar nu is het te laat. De idioten zijn erin getrapt. En ik ook, toen ik met hem trouwde.

Het was eigenlijk begonnen als een grap.

Zaten ze te borrelen hoor. Zeg maar zuipen. Met hun dronkemanspraat het plan opstellen. Ten gunste van hunzelf en hun rijke vriendjes. Hilarisch vonden ze het. En herinneringen ophalen aan al die hoeren, tijdens hun zakendiners. En zonder zakendiners. Ik ben niet achterlijk. Het is de prijs die ik betaal voor mijn luxeleventje en zekerheid voor mijn zoon. Ik en mijn zoon worden als vuil behandeld. Dankzij zijn uitspraken. Denk je dat er aan mij ooit iets is gevraagd?

Soms fantaseer ik anoniem het bewijs te leveren van zijn escapades. Dat heb ik namelijk. Wat dacht hij dan? Wie niet sterk is moet slim zijn. En die aanrandingsverhalen. Die zijn waar. Zo is het bij ons ooit begonnen. Maar ik kan het mijn allerliefste zoon niet aandoen. Niet nu. Hij is te jong. Mij interesseert het allang niet meer. We slapen niet voor niets apart.  Moeten we ook nog oplossen, in ons nieuwe onderkomen.

Ik schrik me dood. Hij pakt mijn hand. Heeft hij al jaren niet meer gedaan. Opletten, show time! Gezicht op glimlachen. Het pakje van Ralph Lauren is trouwens wel prachtig. Daar kunnen ze tenminste niets op aanmerken. Daar gaan we dan, op weg naar het Witte Huis. Ik neem plaats in “The Beast” en laat alles gelaten over me heenkomen. Glimlachen en wuiven maar.

Over de auteur:

Liedeke van Nijnanten, student aan de Schrijversacademie, schrijft graag over actuele zaken en ook alledaagse observaties. Ze is sinds kort werkzaam in de ouderenzorg, een onderwerp op zich en moeder van een zoon waar ze beretrots op is. Ze heeft zes jaar in Florida gewoond en daardoor voelt ze zich zeer verbonden met alle politieke perikelen aldaar en alle Amerikanen.