Engelennacht – met dit verhaal won Stijn Claeysier de 2e prijs!

Het is winters koud buiten. Een perfect moment voor het plaatsen van het volgende kerstverhaal. Afgelopen weken publiceerden wij de verhalen van Petra Zegerius (lees het hier) en van Bianca Nederlof (lees het hier). Deze week is het tijd voor het verhaal van Stijn Claeysier! Hij won hiermee de 2e prijs.

Dit zei de jury erover:

Engelennacht is een verhaal waarin een groep kerstvierende patiënten wordt geschetst onder begeleiding van een nachtzuster. Details als plastic champagneflûtes, het papieren tafelkleed en eenzaamheid als grote gemene deler roepen een heel uitzonderlijke kerstavond op. Een nacht waarin het isolement van de personages voelbaar wordt. Maar ook een nacht waarin de patiënten een eigen manier lijken te hebben gevonden om met de situatie om te gaan. Alle patiënten, behalve ‘de nieuwe’. Engelennacht zou een fragment kunnen zijn uit een novelle of een roman die zich afspeelt tijdens één nacht. Maar het is ook een kort verhaal dat op zichzelf staat en dat zelfstandig overtuigt. Waar veel auteurs kiezen voor een einde met een schreeuw of een knal, kiest Claeysier voor een einde met hijgend uitgesproken brokstuk van een zin: ‘De nieuwe…’

Na dat zinnetje weet je dat het goed mis is met ‘de nieuwe’ zonder precies te weten wat. Waar andere verhalen glazen van kristal nodig hebben om te schitteren, gebruikt Stijn Claeysier taal om plastic flûtes te laten schitteren. Zo’n verhaal verdient een prijs.


Engelennacht

‘Onder water regent het niet,’ zei Lindsey, ‘luchtbellen
vallen altijd omhoog.’ Met ingehouden adem staarde ze naar het
bruiskolkje in haar schuimwijn.
William tikte tegen de zijkant van zijn hoofd. ‘Goed zot zulle,
gij! Straks in de dwangbuis.’ En hij schepte zich nog een lepel
aardappelsalade op.
Iedereen aan tafel lachte om de opmerking, zelfs de
nachtverpleegster deed mee – het voelde heerlijk, ongedwongen.
Dit kon misschien toch een gezellige avond worden. Of tenminste
niet de verschrikking waar alle aanwezigen (met uitzondering van
de verpleegster) zozeer tegen hadden opgezien. Kopzorgen
wriemelden hier rond als vleesvliegen op een kreng.
In totaal waren ze met zijn negenen; voor de gelegenheid mochten
de verschillende afdelingen gezellig bijeenkruipen. Eén iemand
bleef te bed, opgekruld onder de dekens. Iedereen toonde begrip:
ze was net gisteren binnengebracht. Een jong ding nog, en al
compleet gebroken. De verpleegster had haar een bord bezorgd en
ging regelmatig kijken.
‘Rosetta, ook wat schuimwijn?’ vroeg Lindsey. Ze stak de fles
in de lucht; de dwarse littekens op de binnenkant van haar arm
grijnsden gemeen. Een streepjescode van ellende. Zo liepen er
hier wel meer. Snijden om te vergeten.
In een aarzelende reflex schudde Rosetta het hoofd. Haar houten
oorbellen – denneboompjes, zelfgemaakt in “de crea” –
wiebelden onwennig.
‘Geen paniek,’ drong Lindsey aan, ‘het is alcoholvrij.’
‘Kidibul voor volwassenen’ lachte William.
Lindsey vulde Rosetta’s toegestoken flûte en tikte er
vervolgens tegenaan met haar eigen drankje, ten toost. De klank
van plastic tegen plastic. Glazen waren hier verboden. Dat kon
mensen op verkeerde gedachten brengen. Wat de “juiste”
gedachten waren, wist niemand.
Lindsey knipoogde naar Rosetta. ‘Jij bent mijn maatje,’
fluisterde ze.
Rosetta kreeg even een mini-fonkeling in die eindeloos trieste
ogen van haar, en liet toen met een snik haar flûte vallen. Ze
sloeg beide handen voor haar gezicht. Haar lichaam schokte
ingehouden.
Enkele toesnellende armen landden om haar schouders. Sussende
klanken, strelende handen.
‘Mijn dochters…’ snikte Rosetta. ‘Ze willen me niet zien.
Zelfs vanavond niet.’ De andere tafelgenoten keken zwijgzaam
naar de rand van het papieren tafellaken; elk had zijn eigen
demonen. Eenzaamheid was een grote gemene deler, vooral in deze
periode van het jaar.
De kerstverlichting aan de muur schakelde over op een
onaangenaam, druk knipperpatroon. Zo ging het ook met de meeste
van deze patiënten: aan-uit, ups-downs. Was er maar een off-knop
aan de menselijke geest. Dat zou pas een cadeau zijn!
‘Waarom nog voortdoen?’ hikte Rosetta in horten en stoten.
‘Voor wie eigenlijk?’
William gooide zijn bestek in zijn bord. ‘Gadver!’ en hij
stoof weg uit de kantine.
‘Zie je wel: ik verpest zelfs de avond voor anderen.’ Een
nieuwe huilbui.
Lindsey omarmde het hoopje ellende. ‘Jezelf geen schuldgevoel
geven, hoor je me? Zet dat uit je hoofd.’ De verpleegster nam
het woord: ‘vanavond is zwaar. Voor iedereen. Laten we proberen
rustig te blijven. Nu vooral niet te veel piekeren. Morgen een
nieuwe dag. En volgende week gaan we terug van start met de
therapieën.’
Plots sloeg de deur open. Het was William. ‘De nieuwe…,’
hijgde hij bleekjes.

Bijlmer Schrijft! zoekt schrijftalenten!

Ben jij een dichter die droomt van optreden voor publiek? Schrijf je stiekem verhalen maar heb je nog nooit iets laten lezen? Schrijf je raps of spoken word en is het hoog tijd dat je ermee naar buiten treedt? Voor wie schrijven een passie is, is er nu de Bijlmer Schrijft! Literatuurprijs voor jongeren van 16 tot 21 jaar.

‘Over de grens’ is het thema van de schrijfwedstrijd. Grenzen zijn er in allerlei soorten en maten. Je hebt letterlijke grenzen, landsgrenzen, vluchtelingen die aan de grens van Europa bivakkeren. Je hebt je eigen grenzen, die van je ouders, van leraren op school, van vrienden. Er zijn grenzen in de liefde. De wet stelt grenzen, aan drank- en drugsgebruik bijvoorbeeld. Soms gaan we gewild of ongewild over grenzen heen en soms gaat iemand anders jouw grens over…

We hebben allemaal met grenzen te maken.

Vereisten voor de tekst:

  • Je tekst mag niet langer zijn dan 500 woorden.
  • Het mag fictie zijn, helemaal bedacht dus, of non-fictie, waargebeurd.
  • Het mag gaan over jezelf of over anderen.
  • Het mag in verhaalvorm, poëzie of spoken word geschreven zijn.

Een vakjury beoordeelt alle inzendingen en maakt een eerste selectie. Deze selectie wordt uitgenodigd voor masterclasses op vrijdag 20 april van 12:00 tot 16:00 in het Bijlmer Parktheater. De drie beste schrijvers/dichters/rappers mogen optreden tijdens Bijlmer Boekt! op 15 mei.

Teksten inzenden voor: vrijdag 6 april 2018 naar bijlmerschrijft@schoolderpoezie.nl

Bekendmaking van de winnaar van de Bijlmer Schrijft! Literatuurprijs is op dinsdag 15 mei 2018 tijdens Bijlmer Boekt!

 

Bijlmer Schrijft! is een initiatief van Bijlmer Boekt! de succesvolle literaire variétéshow in het Bijlmerparktheater in Amsterdam Zuid Oost. Bijlmer Boekt! is een samenwerking van Christine Otten, het Bijlmer Parktheater, de SLAA, de School der Poëzie en de Schrijversacademie.

Joden vieren geen kerst – met dit verhaal won Bianca Nederlof de gedeelde 3e prijs!

Het thema van onze schrijfwedstrijd in samenwerking met Schrijven Online was dit jaar ‘Het kerstdiner’. Juist daarom vielen de twee verhalen over Joden op, die samen op de derde plaats eindigden. In principe vieren Joden natuurlijk geen Kerst en bovendien gingen beide verhalen over de Tweede Wereldoorlog, dus ook van vrede op aarde was geen sprake. En toch, ondanks hun opmerkelijke overeenkomsten, staan deze verhalen diametraal tegenover elkaar. En de juryleden na lezing ook…

Vorige week publiceerden wij het verhaal van Petra Zegerius (lees hem hier). Deze week is het tijd voor het verhaal van Bianca Nederlof!

Dit zei de jury erover:

Joden vieren geen kerst van Bianca Nederlof is een verhaal over Kerst tijdens de Hongerwinter. Vanuit het perspectief van een negenjarige jongen beleven we mee hoe er door zijn ouders met minimale middelen toch nog iets van de maaltijd wordt gemaakt. Aanvankelijk lijkt het daarmee een kerstvertelling als zovele: een wat-waardeer-je-meer-als-je-weinig-hebt-verhaal. Maar door een antisemitische opmerking van de vader kantelt het beeld. Het contrast met de kinderlijke onschuld benadrukt de rauwe realiteit van de oorlog. En dan eindigt het voor het ene jurylid bijna misselijkmakend verontrustend, maar juist daardoor zo sterk. Terwijl het voor de ander zodanig ontspoort dat het verhaal zijn geloofwaardigheid verliest. Daarvoor hebben we echter wel een redactionele tip: zou meneer Gerritsen, die het gezin vlees levert, ook echt slager zijn, dan is het overtuigender.


Joden vieren geen kerst

25 december 1944
Marten kneep zijn ogen tot spleetjes. De vlammetjes van de twee kaarsjes veranderden zo in sterretjes. Ernaast stond de coniferentak, die moeder bij wijze van kerstboom had neergezet. De geur van de stoofpot vulde al de hele middag de keuken. Martens vader had in ruil voor een deken wat vlees gekregen van meneer Gerritsen. Het was maanden geleden dat ze vlees hadden gegeten.
Eindelijk stond moeder op om de drie kommen te vullen.
‘Eet smakelijk, lieverds.’ Ze zette het geurige eten op de keukentafel. ‘Zo is het toch nog een fijne kerst.’
‘Een fijne kerst?’ brieste vader. ‘Dat het maar eens klaar is met die verdomde oorlog! Vrede op aarde… Niet zolang Hitler niet heeft afgerekend met die rotjoden.’
‘Pieter,’ zei zijn moeder zachtjes, op verwijtende toon.
Vader sloeg met zijn vuist op tafel. ‘Die jongen heeft nooit anders gekend dan oorlog!’
Marten was pas vijf toen de Duitsers hier de straten in marcheerden. Het was zijn allereerste herinnering en die was hem altijd helder bijgebleven. De angst van moeder, het gekrijs van mensen die werden meegenomen. De schoten die werden afgevuurd.
‘Laten we nu maar eten,’ zei moeder snel.
Het vlees was taai, maar de smaak was boven verwachting goed en het vulde zijn maag. Van binnenuit warmde hij op en dat bracht een tevreden loomheid over hem. Alleen de stilte aan tafel vond hij onprettig.
‘Joden vieren geen kerst,’ zei hij, het eerste wat in hem opkwam. ‘Die vieren in december een ander feest. Dat heet Chanoeka.’
Vaders vork bleef even boven de kom zweven, voor hij hem liet zakken. ‘Hoe weet jij dat?’
‘O, Johan vertelde het me.’ Meteen besefte Marten dat hij een fout had gemaakt. Zijn ouders staarden hem aan en hij richtte zijn ogen op de kom.
Johan Gerritsen was zijn allerbeste vriend. Een paar dagen geleden vertelde hij Marten een serieus geheim, dat zat ondergedoken in hun kelder.
Het bleef stil aan tafel en Marten tilde zijn hoofd op. Vader en moeder wisselden een korte blik met elkaar.
‘Eet maar vlug verder,’ zei moeder zacht. ‘Voordat het koud wordt.’
Zwijgend schraapten ze alle drie hun kom leeg met een stuk brood. Boter had moeder helaas niet kunnen krijgen.

 

26 december 1944
Op de plekken waar Marten zijn schoenen zette, smolt het miezerige laagje sneeuw meteen weg. De wind sneed door de scheur van zijn jas. Hij trok zijn sjaal wat hoger, tot over zijn oren.
Nog voordat hij het pad naar de Gerritsens op liep, stormde de buurvrouw naar buiten.
‘Gisteravond laat zijn ze meegenomen.’ Terwijl ze sprak vormde zich een wolkje voor haar mond. ‘Er zat een Jood in de kelder.’ Ze kwam dichter bij Marten staan en boog zich naar hem toe. ‘Blijkbaar was hij al dood. Het vlees was van zijn botten geschraapt.’
Marten bevroor.
De buurvrouw draaide zich om en slofte terug. Voor ze naar binnen stapte keek ze over haar schouder naar Marten en snoof. ‘Zij hebben in elk geval een goed laatste kerstdiner gehad.’

Dat magische moment – Kathy Mathys

En dan is het zover en hou je eindelijk het boek waar je jaren op hebt gezweet in handen. Je durft het bijna niet te openen. Wat als de bladzijdennummers niet kloppen? Wat als er een heel gekke inktkleur blijkt te zijn gebruikt? Wat als…?

Lang voor ik voor het eerst een eigen boek in handen hield, vertelden auteurs me tijdens interviews over dat magische moment waarop de postbode aanbelt om de zogenaamde auteursexemplaren af te leveren. ‘There is nothing like it,’ zei Jim Crace, schrijver van de roman Oogst. Zelfs bij boek tien is er nog sprake van die ‘magic’, aldus Crace.

Twee weken geleden hield ik mijn tweede boek, Verdwaaltijd, voor het eerst in handen. Ik rook aan het papier, mijn man maakte een foto van mijn blije snoet, we dronken champagne (echte). Nu, veertien dagen later, heb ik nog steeds de bladzijdennummers niet gecontroleerd (een klus voor mijn nichtjes misschien die over enkele dagen komen logeren) en is de champagneroes lang verdampt. Mijn tweede boek is mijn eerste roman en daarom vind ik deze periode extra spannend. Ik heb al enkele interviews gegeven die nog moeten verschijnen, er staan wat optredens op stapel, er komt een radiointerview. Toch knaagt het want er zijn nog geen echte recensies. Zolang die niet verschijnen, ontwaak ik ’s ochtends extra vroeg uit dromen die niets dan onheil voorspellen, natuurlijk. Mijn geest is een oersaaie plek momenteel. Ik blijf maar rondjes draaien om die ene vraag: wat zullen ze er van vinden?

Of je nu je boek uitgeeft bij een uitgeverij of hebt gekozen voor eigen beheer: op dat ene magische moment volgt meestal een moment van stilte, van afwachten. Een lastige tijd is dat.

Ik besluit om mijn bureau op te ruimen. De vele notitieboeken die ik volschreef en de boeken die ik gebruikte bij mijn research (zie foto) verdwijnen in dozen.

Tijdens het rommelen in mijn kamer bots ik op Waarover ik praat als ik over hardlopen praat van Haruki Murakami, een boek dat me inspireerde en moed gaf tijdens het schrijven van Verdwaaltijd. Ik neem er het fragment bij dat ik vaak voorlees tijdens de plenaire bijeenkomsten van de Schrijversacademie. Murakami moedigt elke schrijver aan om zich niet te meten aan of vergelijken met anderen. Schrijven is geen competitie tussen collega’s (al lijkt dat wel vaak zo). Het is hooguit een competitie met jezelf:

‘Het beroep van romanschrijver draait niet – althans niet voor mij – om winst of verlies. Misschien gelden het aantal verkochte exemplaren, literaire prijzen of goede, dan wel slechte kritieken als criteria voor succes, maar essentiële kwesties kan ik dat niet noemen. Het allerbelangrijkste is de vraag of wat je geschreven hebt het niveau haalt dat je je had voorgenomen, en dat kun je niet zomaar wegredeneren. (…) In die zin lijkt een roman schrijven op een marathon lopen. Waar het in feite om gaat is dat een auteur een rustige, stabiele motivatie vindt in zichzelf, en er niet naar dient te zoeken in uiterlijk vertoon of externe maatstaven.

Hardlopen is voor mij altijd nuttige lichaamsbeweging en tegelijkertijd ook een doeltreffende metafoor geweest. Door dagelijks te trainen en steeds meer wedstrijden te lopen, legde ik de lat die mijn succes bepaalde steeds een klein beetje hoger, en door er telkens overheen te springen tilde ik mezelf op een hoger plan. (…) Het is veel belangrijker dat ik uitstijg boven wie ik gisteren was, al is het maar een klein beetje. Want als er al een opponent is die je moet verslaan in het afstandslopen, dan is het wel je vroegere zelf.’

 

PS: Twee dagen nadat ik deze column schreef, verschijnen de eerste grote recensies. En ze zijn lovend! We kunnen weer rustig slapen.

Kathy Mathys


 

Kathy Mathys is schrijfster, literair journaliste en schrijfdocente. Voor de Vlaamse krant De Standaard schrijft zij over Engelstalige literatuur, voor Bouillon Magazine over eten. Zij zat in de jury van de AKO Literatuurprijs, de Gouden Uil en de ANV Debutantenprijs. Aan de Hogeschool Amsterdam volgde zij de opleiding tot docent creatief schrijven. Haar eerste boek ‘Smaak. Een bitterzoete verkenning’ (De Bezige Bij) verscheen in 2015. Haar roman ‘Verdwaaltijd’ is verschenen in januari 2018.

Verborgen (over)leven – met dit verhaal won Petra Zegerius de gedeelde 3e prijs!

In aanloop naar de feestdagen zijn honderden schrijvers uit Nederland en België achter hun laptop gekropen om een kerstverhaal te schijven. Samen met Schrijven Online organiseerden we onze jaarlijkse schrijfwedstrijd, dit keer met het thema: ‘Het kerstdiner’. Wat zijn we trots op de enorme hoeveelheid verhalen die ingestuurd zijn!

Vanaf deze week publiceren wij iedere week één verhaal uit de top 3. Te beginnen met het verhaal van Petra Zegerius, waarmee zij een gedeelde derde plaats behaalde.

Dit zei de jury erover: Verborgen (over)leven speelt zich af in snackbar Hayat, waar twee eenzame ouderen, Esther en Chaim, elkaar op Eerste Kerstdag ontmoeten en zij bij het afrekenen haar verborgen verleden in de zes zwarte cijfers op zijn onderarm herkent. Een verleden dat hen, net als de friet met shoarma, samenbrengt. Waarna ze met de vriendelijke snackbarhouder op het leven proosten. Een ontroerend, mooi afgerond verhaal dat – als een van de weinige op de longlist – de kerstgedachte uitdraagt. Maar volgens enkele juryleden ook wel een beetje sentimenteel neergezet.


Verborgen (over)leven

Met haar winterjas en laarzen aan staat Esther een moment roerloos voor de spiegel. Behoedzaam haalt ze een borstel door haar grijze krullen en stapt naar buiten, de kou en de donkere avond tegemoet.
In gedachten verzonken schuifelt ze door de sneeuw naar de toko. Daar is alles donker en op de deur hangt het bordje “gesloten”. Esther zucht en staart een moment naar de opgestapelde stoelen binnen. Het wordt nog moeilijk om met Kerst iets te eten te vinden!
Even later staat ze voor de beslagen ruit van snackbar Hayat. Neonletters geven aan dat er shoarma wordt verkocht. Vanavond dus shoarma, besluit ze.
Ze stampt even op de grond om de sneeuw van haar schoenen te krijgen en duwt vervolgens de deur open. Gelijk beslaat haar bril van de warmte binnen. Verheerlijkt snuift ze de geur van frites en kruidige shoarma op.
“Goedenavond, wat zal het voor u zijn, mevrouw?”
“Goedenavond mijnheer, ik weet het nog niet”, verontschuldigt Esther zich.
Met haar intussen schoongeveegde bril kijkt ze naar de imposante menulijst aan de muur achter de toonbank.
“Rustig aan mevrouw, ik reken dan even met meneer hier af.”
Esther richt nu haar blik op de kleine man naast haar, die gebogen staat en er wat broos uitziet. Hij moet € 8,95 betalen. Met bevende hand reikt hij een biljet van €10,00 aan.
“Alstublieft,  €1,05 voor u terug!”, roept de besnorde medewerker.
“Gaat u lekker zitten, ik kom het zo brengen.”
De man reikt zijn hand uit om het kleingeld in ontvangst te nemen. De mouw van zijn versleten winterjas gaat daarbij iets omhoog, net genoeg om een deel van zijn onderarm te ontbloten. Op de oude, bleke arm van de man wordt duidelijk een nummer zichtbaar. Er gaat een schok door het magere lijf van Esther heen.
Dan richt ze zich tot de man:
“Meneer, mag ik vragen wat u had besteld?”
De man draait zijn gezicht naar haar toe, in verbazing.
“Een broodje shoarma en een kleine friet, mevrouw”, antwoordt hij zacht.
“Dat zou ik ook graag hebben”, zegt Esther aan de medewerker achter de toonbank.
Ze kijkt de man naast zich weer aan, trekt langzaam haar linker handschoen uit, draait haar handpalm omhoog en trekt de mouw van haar jas iets omhoog. De man verplaatst zijn blik nu van haar gezicht naar haar onderarm en dan weer naar haar gezicht. Zijn onderlip en slecht geschoren kin beginnen te trillen.
Dan pakt Esther de linkerarm van de man, legt zijn verborgen leven bloot en streelt liefdevol de zes zwarte cijfers.
“Chaim, ik ben Chaim”, fluistert hij, terwijl hij in de krullen van Esther staart.
“Ik heet Esther…”
Stilte.
“Zal ik het eten maar naar dezelfde tafel brengen?”, klinkt het vriendelijk.
Esther en Chaim knikken met betraande ogen naar elkaar.
“Alstublieft, met een drankje van het huis! Lechaim! Op het leven!
Esther betekent ‘verborgen’ in het Hebreeuws.
Chaim betekent ‘leven’ in het Hebreeuws.

 

Ja, we noemen wel namen – René Appel

Het lijkt zo simpel, een naam geven aan de personages in het verhaal dat je aan het schrijven bent, maar soms kost het heel wat hoofdbrekens voor je een naar je eigen idee geschikte naam hebt. Vroeger bladerde ik voor een achternaam wel in het telefoonboek, maar telefoonboeken zijn passé. Voor voornamen raadpleegde ik vaak een stel uitgeknipte rouwadvertenties ondertekend door vrienden van een overledene. Tegenwoordig zijn websites met kindernamen (o.a. ook Marokkaanse en Turkse) zeer geschikt om inspiratie op te doen. Het is voor achternamen ook mogelijk om ze zelf te bedenken, dan weet je zeker dat niemand zich gekwetst voelt en het idee heeft dat zijn/haar naam is misbruikt. Zo heb ik voor de thriller Schone handen voor een van de personages de achternaam ‘Maaswinkel’ bedacht. Die komt niet voor in (en buiten) Nederland, maar het is wel een ‘mogelijke naam’ in het Nederlands. Dat de naam ‘Maaswinkel’ ook gebruikt werd in de film die naar het boek werd gemaakt, stemde mij zeer tevreden.

Naar mijn mening is het goed om bij het kiezen van namen rekening te houden met het volgende.

  • Kies geen namen die te bijzonder zijn. Bordewijk gebruikte in Karakter de naam Katadreuffe. Dat kan af en toe, maar het gevaar bestaat dat de lezer onbewust denkt dat iemand met een bijzondere naam ook een bijzonder persoon moet zijn. Laatst las ik in de krant een interview met een vrouw met de achternaam Scheurwater. Prachtig, maar niet goed bruikbaar in een verhaal.
  • Kies ook geen te gewone achternamen, dus De Vries, Smit, Jansen enz. Een enkeling mag er wel tussen zitten (ze komen tenslotte vaak voor) maar niet te veel. Het is dus aan te raden om wat betreft frequentie van voorkomen van een naam voor het zogenaamde middensegment te kiezen: niet te bijzonder, maar ook niet te gewoon.
  • Kies binnen één boek geen namen die te veel op elkaar lijken. Dus geen Frans en Fred in één boek, geen Maartje en Marjan, enz.
  • Kies een naam die past bij het sociaal milieu. Dus geen Kimberly of Natasha voor een hockeymeisje uit Bloemendaal, geen Anne-Sophie voor een meisje wier vader auto-monteur is en wier moeder achter de kassa van de supermarkt zit.
  • Denk ook aan ‘regionale namen’. Bekend zijn uiteraard namen op –stra of –sma in Friesland (maar ook ver daar buiten) en namen op –ink (bijvoorbeeld Hiddink) uit de Achterhoek.
  • Kies geen naam van een Bekende Nederlander. Bij ‘Baudet’ of ‘Klaver’ zullen veel lezers denken: ‘familie van’.

En kies vooral niet de achternaam ‘Appel’. ‘René’ als voornaam valt te overwegen.

 

Over de auteur:

René Appel (1945) is auteur van misdaadromans en geldt wel als de godfather van de Nederlandstalige psychologische thriller. Vorig najaar vierde hij zijn 25 jarig jubileum als auteur en in die tijd heeft hij even zoveel boeken geschreven.

Onlangs verscheen van zijn hand De advocaat. René Appel is lid van de Raad van Advies van de Schrijversacademie.

‘In mijn boeken moet het allemaal helemaal misgaan, het gaat van kwaad tot erger. Of zeg maar gerust: ergst, want er moet altijd minimaal één personage het loodje leggen.’