Ikke, ikke en de rest…. René Appel

‘Eindelijk, om een uur of drie, vier, stond ik op. Ik had geen zin om iets te schrijven. Ik had zelfs het gevoel dat het resultaat lelijk en pretentieus zou zijn als ik het probeerde. Ik was niet het soort mens dat ik pretendeerde te zijn. Ik dacht over mezelf zoals ik in het washok geestig probeerde te zijn tegen Nicks vrienden en werd misselijk. Ik hoorde niet thuis in zo’n rijkeluishuis. Ik werd alleen voor dat soort dingen uitgenodigd vanwege Bobbi, die overal thuishoorde en iets had wat mij naast haar onzichtbaar maakte.’

Ik, ik, ik, tien keer ‘ik’ op een totaal van 94 woorden. Bij een boek in de ik-vorm krijgt de lezer niet alleen een beperkte kijk op de werkelijkheid van de roman, maar in mijn ogen levert het ook stilistisch gezien passages op die niet fraai zijn, zoals in het bovenstaande fragment uit Gesprekken met vrienden van de jonge Ierse auteur Sally Rooney. Dat niet-fraaie is niet alleen het gevolg van het repeterende ‘ik’, dat het proza doodslaat, maar ook van de zinsconstructie. Daarin verschijnt het persoonlijk voornaamwoord namelijk meestal aan het begin van een zin. De tweede ik-zin zou al makkelijk omgezet kunnen worden in ‘Zin om te schrijven had ik niet’. Volgens mij heeft de vertaler echter de Engelse zinsvolgorde aangehouden. Ook verderop kan een ik-zin makkelijk veranderd worden. ‘Ik hoorde niet thuis in zo’n rijkeluishuis’ wordt dan ‘In zo’n rijkeluishuis hoorde ik niet thuis.’

Stel dat er een dwingende reden is om het verhaal vanuit een ‘ik-personage’ te vertellen. Dan zijn er nog altijd mogelijkheden om een te frequent ‘ik’ te vermijden door voor een andere formulering te kiezen. Laat ik de tweede zin weer als voorbeeld nemen. ‘Ik had geen zin om te schrijven’ is te herformuleren als ‘Het ontbrak me aan zin om te schrijven.’ En uit de volgende zin ‘Ik had zelfs het gevoel dat het resultaat lelijk en pretentieus zou zijn…’ is ‘ik’ ook te verwijderen: ‘Het resultaat zou volgens mij lelijk en pretentieus zijn…’

Het voordeel van een boek waarin van het perspectief van een ‘hij’ of ‘zij’ (of meerdere ‘hij’s’ en ‘zij’s’) wordt uitgegaan, is dat de lezer niet zo vast zit in het hoofd van die ene ‘ik’. De tekst wordt iets afstandelijker, wat mij een voordeel lijkt. Bovendien biedt het mogelijkheden voor stilistische variatie. Stel dat de hoofdpersoon in de bovenstaande passage Sally heet en dat het verhaal in de zij-vorm wordt verteld. Dan begint het bovenstaande fragment als volgt. ‘Eindelijk, om een uur of drie, vier, stond Sally op. Ze had geen zin om iets te schrijven. Volgens haar zou zelfs het resultaat lelijk en pretentieus zijn als ze het probeerde. Sally was niet het soort mens dat ze pretendeerde te zijn.’

Ik vind dat mooier, beter. Ja, inderdaad, ik.

Over René Appel

René Appel publiceerde 24 misdaadromans, drie verhalenbundels en twee jeugdboeken. Zijn laatste verhalenbundel is ‘Joyride en andere spannende verhalen’ (2016). In oktober 2018 verscheen ‘Dansen in het donker’, bestel het boek hier. Een ‘gewone’ roman, dus geen thriller, maar wel een echte Appel.

René Appel is lid van de Adviesraad van de Schrijversacademie.

Mijn boek en de Schrijversacademie – door Adri Vermeer

Mijn boek

De omslag van mijn boek toont een mahoniehouten art nouveau draaideur in de Beurs van Berlage in Amsterdam. Het boek is een terugblik op mijn persoonlijke, professionele en wetenschappelijke leven. De draaideur is een metafoor voor de transities in mijn leven. Eenmaal in de draai van de draaideur gevangen, draaide ik door naar een nieuwe stap in mijn leven: van gymleraar naar pedagoog, van pedagoog naar bewegingswetenschapper, van bewegingswetenschapper naar hoogleraar orthopedagogiek, en na mijn pensioen: van de universiteit naar ontwikkelingswerk in Zuidelijk Afrika. Als wetenschapper heb ik veel geschreven. Dat waren altijd betogende, beredeneerde, wetenschappelijke teksten. Zo’n paar jaar geleden wilde ik proberen om, meer in de vorm van een essay, de ervaringen in mijn leven te beschrijven. Ik merkte dat dat niet zo gemakkelijk was.

Waarom de Schrijversacademie?

Op internet ging ik zoeken naar schrijfcursussen. Daar vond ik de site van de Schrijversacademie. Die sprak me aan en ik ging naar een proefles. Bij deze les was ik vooral onder de indruk van de verscheidenheid aan deelnemers, zowel qua leeftijd, schrijfervaring, sociale status als beroep. Voor mij een type mensen waarmee ik in mijn universitaire leven nauwelijks in aanraking kwam. Ik schreef mij daarom in voor de basisopleiding van een jaar. Van begin af aan heb ik daar enorm van genoten. De docente vond ik top, de cursisten interessant, boeiend, aardig en constructief in hun reacties naar elkaar. Wat ik leerde? Dat ik mijn ervaringen op kon schrijven door niet alleen gebruik te maken van wat ik zag en vond, maar ook – als dat paste – van wat ik hoorde, rook of voelde. Dat ik gebruik kon maken van dialogen. Dat ik mijn teksten kon verlevendigen met een korte impressie, met een woordenspel, een type gedicht, bijvoorbeeld een elfje*. Hieronder geef ik er eentje:

Ogen
Als amandelen
Donker en groot
En na de liefde
Diepzwart

De specialisatiekeuze

Na de Basisopleiding volgde ik de opleiding Familieverhalen en Biografieën. Ook hier was ik erg onder de indruk van de begeleiding van de docente. In de stukken tekst die ik bij haar inleverde vroeg zij regelmatig: “Wat is het conflict?”. Zij leerde mij vooral hoe ik daar naartoe kon werken. Voordat ik deelnam aan de opleiding van de Schrijversacademie had ik mijn eerste niet-wetenschappelijke tekst – een essay over ontwikkelingshulp (Vermeer, 2016) – geschreven. En tijdens en dankzij de twee opleidingen aan de academie is mijn tweede boek over mij leven (Vermeer, 2018) tot stand gekomen.

* Een elfje is een gedichtje van 11 woorden, waarbij regel 1 één woord is, regel 2 twee woorden, regel 3 drie woorden, regel 4 vier woorden en regel 5 één woord.

Over de Auteur

Adri Vermeer (1936) begon zijn loopbaan als gymleraar in diverse soorten onderwijs, studeerde gelijktijdig Pedagogiek, werkte daarna eerst aan de Faculteit Bewegingswetenschappen van de Vrije Universiteit in Amsterdam en vervolgens als hoogleraar in de Orthopedagogiek aan de Universiteit Utrecht. Na zijn emeritaat raakte hij tot op heden intensief betrokken bij ontwikkelingswerk t.b.v. de zorg voor kinderen met ontwikkelingsproblemen in Zuidelijk Afrika. Over het laatste schreef hij drie handboeken en een essay.