Verdwijnen – Charlotte straat

Vier studenten maken nog kans om de winnaar te worden van onze schrijfwedstrijd. Deze week publiceren we elke dag een van de verhalen, en vrijdag maken we de winnaar bekend.

De opdracht was: schrijf een verhaal dat je ooit als kind bedacht maar nooit opschreef. Trek het naar de volwassen wereld, zonder kinderhandschrift en typefouten, maar zoek hetzelfde gevoel. Voeg er zoveel inzichten, spanning en fantasy aan toe als je wilt.

De shortlist:

  • Het Meisje en de Oude Jan – A. Molenaar
  • Verdwijnen – C. Straat
  • De Oversteek – L. Waller
  • Heprep in de klok – M. Kranenburg

Verdwijnen – Charlotte Straat

‘Hier is ‘t.’ Roel’ s vader schoot zijn sigaret weg. Wat voor mij lag overweldigde me dusdanig dat ik even mijn adem inhield. ‘We hebben maar anderhalf uur.’ vervolgde hij. Roel zat naast me op de achterbank en keek mij doordringend aan.

‘ Timo, weet je zeker dat je dit doen wilt?’

Ik slikte een brok in mijn keel weg en knikte. Roel had mijn hulp ingeroepen en we beseften allebei dat ik mijn zorgvuldig bewaarde geheim straks aan zijn vader prijs moest geven.

‘Als jij maar klaar staat met een deken en kleding.’

Roel klopte op de sporttas op zijn schoot. Ik ontmoette de priemende blik van zijn vader in de achteruitkijkspiegel en knikte nogmaals.

‘Ik ben er klaar voor.’

‘Het oortje zit niet te los?’ vroeg hij. Ik schudde mijn hoofd. Het was nog maar de vraag of het zou lukken. Het oortje was lichaamsvreemd, meestal verloor ik alles wat geen onderdeel was van mijn lijf.

Het was begonnen toen ik een maand of zeven was, mijn moeder had mij boven in de wieg gelegd om mij een paar uur later naakt en krijsend op de keldervloer terug te vinden. Op de een of andere manier kon ik door materie heen zakken of er zelfs in oplossen.
De enige logische verklaring die voor mijn toestand te vinden was dat mijn moeder, net als mijn vader een wetenschapper,  toen  ze hoogzwanger was, waarschijnlijk in aanraking was gekomen met straling tijdens een van hun experimenten. Om hun onderzoek niet het gevaar te brengen hadden ze besloten niets over mijn gave naar buiten te brengen. En ik hield mijn mond, bang om voor weirdo uitgemaakt te worden.

Het werd pas echt lastig toen ik zelf ontdekte waartoe ik in staat was. Ik greep elke gelegenheid aan om te experimenteren. Maar al gauw hield het gluren bij de buren op omdat de verveling toe sloeg, zo in je eentje was er geen lol aan.

Totdat ik in de brugklas bevriend raakte met Roel. Ik moest het gewoon aan hem vertellen en na mijn eerste demonstratie ging Roel helemaal uit zijn dak. Hij zag duizend en een mogelijkheden die voor mij inmiddels al gewoon waren.
Daarom kwam zijn vraag niet uit de lucht vallen. De kranten stonden er bol van en Roel zijn vader, rechercheur, zat boven op de zaak. Vier jonge meisjes, uit dezelfde klas waren van de een op andere dag verdwenen. Het onderzoek verliep traag, de druk was groot en er waren te weinig aanknopingspunten. Tot een paar dagen geleden, er waren aanwijzingen en tips binnengekomen die nagetrokken moesten worden.

Een informant van Roel’ s vader had een briefje gegeven waarop stond:
Reefer containers, City Terminal Eemhaven Rotterdam, dinsdag 12 september
16:00 uur.

En daar stonden we dan de bewuste dinsdagmiddag om half drie oog in oog met wel twee duizend Reefer containers die op het punt stonden verplaatst te worden naar de Terminals. Zonder een containernummer kon de vader van Roel niets, hier begon mijn rol.
We haastten ons naar de dichtstbijzijnde rij. Zonder iets aan zijn vader uit te leggen duwde Roel mij tegen de wand van een stalen kolos en vrijwel direct verdween ik.

Zoals ik al dacht verloor ik  het oortje en dus ook mijn contact, als een bezetene verplaatste ik mij door stalen wanden van container naar container. Rij na rij en al wat ik tegen kwam was, vis, fruit bloemen en bevroren hompen vlees. Buiten adem kwam ik terug bij Roel.

‘Een half uur.’ schreeuwde hij me toe. ‘Nog een rij te gaan!’

Ik werd boos van wanhoop, waar waren ze? Plots kwam ik in een lege ruimte achter een koeling met bevroren kippen. Daar lagen ze verdoofd of dood op smerige matrassen die naar urine roken. In mijn blootje holde ik naar buiten op zoek naar Roel, mijn hart in mijn keel en in mijn hoofd het containernummer herhalend.

Van alle kanten kwam er blauw licht terwijl ik mij haastig aankleedde. Roel’s vader duwde mij abrupt in een politie auto.

‘Naar huis met jullie!’ en terwijl hij mij aankeek, ‘Vraag je ouders iets van kleding voor je uit te vinden.’