Lichies en lampies – een kerstverhaal van René Appel

 

‘Ja, kijk, een jaar of wat geleden is het klein begonnen. Kees en Diny, van hiernaast, die zetten een kerstboom in de tuin met allemaal lichies, lampies en slingers. Toen konden wij natuurlijk niet achterblijven. Dus het jaar daarop wij ook een kerstboom in de voortuin, een flinke grote, met een Kerstman ernaast, een halve meter hoog ongeveer en verlichting van binnenuit, dus dat stond fantastisch. En wat krijg je dan? Precies, dat anderen mee gaan doen. De sneeuwbal ging rollen, zal ik maar zeggen. Sneeuw… kerst, je begrijpt het wel.

Dat is ook wel wat voor dit straatje. Het is nog geen honderd meter, denk ik, en allemaal mensen die het gezellig willen hebben met mekaar. Nou ja, allemaal… Maar daar kom ik straks nog op. Met kerst dan jutten we mekaar een beetje op. Ook als het Nederlands elftal speelt op een EK of een WK, dan wordt deze hele straat compleet oranje, ik zweer het je. Een buurtbarbecue, zo’n groot tv-scherm in een tuin en dan met z’n allen kijken. Een biertje erbij, een paar bakken chips, nootjes. Daar doe je het allemaal voor, hè, voor de gezelligheid.

Maar goed, met kerst is het anders. Dan is er één avond dat iedereen buiten komt, als alles hangt en staat, dat is ondertussen traditie. Dan hebben we warme chocolademelk, Jägermeister en glühwein. Misschien dat jij denkt dat we elkaar een beetje gek zitten te maken met al die kerstspullen, maar we vinden het gewoon hartstikke leuk en dat is het ook.

Nadat wij eenmaal begonnen mee te doen met Kees en Diny, gingen er steeds meer meedoen. Kijk, hier heb ik wat foto’s. Zie je, al die slingers, lichtslangen, hier bij Ton en Henny, die hadden een levensgrote kerststal in de voortuin staan. Wij hadden een kerstman die “Ho, ho, ho” kon zeggen, “Ho, ho, ho”, en die met een bel rinkelde. Niet de hele tijd natuurlijk, maar ik had het zo geregeld dat ik, terwijl ik in de kamer zat, een schakelaartje om kon zetten als er iemand langskwam. In het begin schrokken mensen zich het leplazarus. Echt, hartstikke geinig. Kijk, hier een hele arreslee van lichtslangen. Fantastisch toch! O ja, deze, die is ook mooi, een kerstdorp in de bergen. Met een skilift, die ook echt werkte. Die is van Harry, m’n zwager. Een uren dat-ie erin gestoken heb! Ook om wat te doen te hebben, hoor. Een jaar eerder was z’n vrouw overleden, Mieke, de zus van mijn vrouw. Moet je deze foto ’s zien… een ijsbeer met een jong op z’n rug, net echt. Nou ja, ze worden van binnenuit verlicht, dat heb je met een echte ijsbeer natuurlijk niet. Haha, geintje.

De hele straat deed dus mee, behalve die van nummer zeventien. Hij woont daar in z’n eentje en bemoeit zich nergens mee. Feestjes, buurtbarbecue… hij is er nooit. Z’n voortuin stelt ook niks voor. Geen bloemen, geen planten, geen boompies, niks. Vitrage voor ’t raam en als-ie ´s avonds thuis is, gaan de gordijnen dicht. Alsof-ie wat te verbergen heb. Maar die doet dus niet mee. Slingers, kaarsen? Vergeet ’t maar.

Daar hadden we al de pest over in, over die spelbreker, maar helemaal toen die wedstrijd kwam, van de tv. Welke straat de mooiste kerststraat… ja, verdomd moeilijk uit te spreken… welke dus de mooiste kerststraat van Nederland is. En met die tuin van nummer zeventien erbij lijkt die van ons net een mooi gebit met één rotte tand erin. Zo is het toch? Heb ik gelijk of heb ik gelijk? Dus de nacht voordat ze van de tv zouden komen filmen, hebben we die hele tuin van nummer 17 vol gezet met kerstspullen die we nog over hadden. Ton legde een paar snoertjes voor de verlichting want hij woont op nummer vijftien.

En wat denk je? De volgende ochtend, nog voor die mensen van de tv kwamen, had die kloo… nee, laat ik het netjes houden… had die kerel het allemaal weer weg geflikkerd, gewoon op de stoep gezet. Kreeg je weer die ene rotte tand. D’r was ook niet met hem te praten, hoor. Volgens Ton kan er nog net “goeiemiddag” of “goeienavond” vanaf, maar meer ook niet.

Maar goed, we hadden ons dus opgegeven voor die wedstrijd en echt… het zag er fantastisch uit. Dat licht… bij mekaar wel duizenden LED-lampies, al die lichtslangen, die versieringen, niet één, maar wel drie arresleeën, een draaiende kerstboom bij Eric en Ankie in de tuin, muziek, alles in dat kleine stukkie straat. En dat hebben ze dus allemaal gefilmd voor die wedstrijd. Ik ben zeg maar zo’n beetje de centrale man geworden, dus ze wilden een interview met me over hoe het zo gekomen was en ook of het niet een beetje te ver ging. Ik heb zeker wel een kwartier met ze zitten praten en ze begrepen het, dat het gewoon leuk was, over die zeikerd van nummer zeventien geen woord.

Toen kwam dus de uitzending, in Hart van Nederland. Met een heel ploegie zaten we te kijken bij Kees en Diny. Pilsje erbij, glaasje wijn, een knabbeltje… Er waren drie finalisten en wij waren één van die drie. Verschrikkelijk spannend. Voor de winnaar lagen er duizend eurootjes klaar. Eerst wat gebabbel vooraf over kerst en kerstversieringen en toen maakten ze bekend wie nummer drie was. Een straat ergens in de Achterhoek, Doesburg of zo. En toen kreeg je reclame. Ik zat mezelf op te vreten van de zenuwen, want daarna zouden ze zeggen welke straat nummer één was, dan was meteen duidelijk wie twee was. Nou ja, jij weet het al. Wij waren tweede geworden. Toen klonken er wel een paar stevige vloeken, kolere nog aan toe.

En weet je wat het ergste was? Onze straat lieten ze wel zien, met al die versieringen en zo. Prachtig allemaal. Maar van dat interview met mij kwam geen seconde op tv. En wie wel, om minutenlang te vertellen waarom hij niet meedeed? Precies, die eikel van nummer zeventien.’

Over René Appel

René Appel publiceerde 24 misdaadromans, drie verhalenbundels en twee jeugdboeken. Zijn laatste verhalenbundel is ‘Joyride en andere spannende verhalen’ (2016). Oktober 2018 verschijnt ‘Dansen in het donker’, bestel het boek hier. Een ‘gewone’ roman, dus geen thriller, maar wel een echte Appel.

René Appel is lid van de Adviesraad van de Schrijversacademie.

Engelennacht – met dit verhaal won Stijn Claeysier de 2e prijs!

Het is winters koud buiten. Een perfect moment voor het plaatsen van het volgende kerstverhaal. Afgelopen weken publiceerden wij de verhalen van Petra Zegerius (lees het hier) en van Bianca Nederlof (lees het hier). Deze week is het tijd voor het verhaal van Stijn Claeysier! Hij won hiermee de 2e prijs.

Dit zei de jury erover:

Engelennacht is een verhaal waarin een groep kerstvierende patiënten wordt geschetst onder begeleiding van een nachtzuster. Details als plastic champagneflûtes, het papieren tafelkleed en eenzaamheid als grote gemene deler roepen een heel uitzonderlijke kerstavond op. Een nacht waarin het isolement van de personages voelbaar wordt. Maar ook een nacht waarin de patiënten een eigen manier lijken te hebben gevonden om met de situatie om te gaan. Alle patiënten, behalve ‘de nieuwe’. Engelennacht zou een fragment kunnen zijn uit een novelle of een roman die zich afspeelt tijdens één nacht. Maar het is ook een kort verhaal dat op zichzelf staat en dat zelfstandig overtuigt. Waar veel auteurs kiezen voor een einde met een schreeuw of een knal, kiest Claeysier voor een einde met hijgend uitgesproken brokstuk van een zin: ‘De nieuwe…’

Na dat zinnetje weet je dat het goed mis is met ‘de nieuwe’ zonder precies te weten wat. Waar andere verhalen glazen van kristal nodig hebben om te schitteren, gebruikt Stijn Claeysier taal om plastic flûtes te laten schitteren. Zo’n verhaal verdient een prijs.


Engelennacht

‘Onder water regent het niet,’ zei Lindsey, ‘luchtbellen
vallen altijd omhoog.’ Met ingehouden adem staarde ze naar het
bruiskolkje in haar schuimwijn.
William tikte tegen de zijkant van zijn hoofd. ‘Goed zot zulle,
gij! Straks in de dwangbuis.’ En hij schepte zich nog een lepel
aardappelsalade op.
Iedereen aan tafel lachte om de opmerking, zelfs de
nachtverpleegster deed mee – het voelde heerlijk, ongedwongen.
Dit kon misschien toch een gezellige avond worden. Of tenminste
niet de verschrikking waar alle aanwezigen (met uitzondering van
de verpleegster) zozeer tegen hadden opgezien. Kopzorgen
wriemelden hier rond als vleesvliegen op een kreng.
In totaal waren ze met zijn negenen; voor de gelegenheid mochten
de verschillende afdelingen gezellig bijeenkruipen. Eén iemand
bleef te bed, opgekruld onder de dekens. Iedereen toonde begrip:
ze was net gisteren binnengebracht. Een jong ding nog, en al
compleet gebroken. De verpleegster had haar een bord bezorgd en
ging regelmatig kijken.
‘Rosetta, ook wat schuimwijn?’ vroeg Lindsey. Ze stak de fles
in de lucht; de dwarse littekens op de binnenkant van haar arm
grijnsden gemeen. Een streepjescode van ellende. Zo liepen er
hier wel meer. Snijden om te vergeten.
In een aarzelende reflex schudde Rosetta het hoofd. Haar houten
oorbellen – denneboompjes, zelfgemaakt in “de crea” –
wiebelden onwennig.
‘Geen paniek,’ drong Lindsey aan, ‘het is alcoholvrij.’
‘Kidibul voor volwassenen’ lachte William.
Lindsey vulde Rosetta’s toegestoken flûte en tikte er
vervolgens tegenaan met haar eigen drankje, ten toost. De klank
van plastic tegen plastic. Glazen waren hier verboden. Dat kon
mensen op verkeerde gedachten brengen. Wat de “juiste”
gedachten waren, wist niemand.
Lindsey knipoogde naar Rosetta. ‘Jij bent mijn maatje,’
fluisterde ze.
Rosetta kreeg even een mini-fonkeling in die eindeloos trieste
ogen van haar, en liet toen met een snik haar flûte vallen. Ze
sloeg beide handen voor haar gezicht. Haar lichaam schokte
ingehouden.
Enkele toesnellende armen landden om haar schouders. Sussende
klanken, strelende handen.
‘Mijn dochters…’ snikte Rosetta. ‘Ze willen me niet zien.
Zelfs vanavond niet.’ De andere tafelgenoten keken zwijgzaam
naar de rand van het papieren tafellaken; elk had zijn eigen
demonen. Eenzaamheid was een grote gemene deler, vooral in deze
periode van het jaar.
De kerstverlichting aan de muur schakelde over op een
onaangenaam, druk knipperpatroon. Zo ging het ook met de meeste
van deze patiënten: aan-uit, ups-downs. Was er maar een off-knop
aan de menselijke geest. Dat zou pas een cadeau zijn!
‘Waarom nog voortdoen?’ hikte Rosetta in horten en stoten.
‘Voor wie eigenlijk?’
William gooide zijn bestek in zijn bord. ‘Gadver!’ en hij
stoof weg uit de kantine.
‘Zie je wel: ik verpest zelfs de avond voor anderen.’ Een
nieuwe huilbui.
Lindsey omarmde het hoopje ellende. ‘Jezelf geen schuldgevoel
geven, hoor je me? Zet dat uit je hoofd.’ De verpleegster nam
het woord: ‘vanavond is zwaar. Voor iedereen. Laten we proberen
rustig te blijven. Nu vooral niet te veel piekeren. Morgen een
nieuwe dag. En volgende week gaan we terug van start met de
therapieën.’
Plots sloeg de deur open. Het was William. ‘De nieuwe…,’
hijgde hij bleekjes.