Die ene schrijftip die alle andere overbodig maakt

‘Hoe doe je dat nou, zo’n boek schrijven?’

Het was druk in de Utrechtse boekhandel. Het overgrote deel van de gasten was niet voor mij gekomen, maar voor de veel grotere schrijver die naast me op het podium zat en over zijn bestseller had verteld. De vraag werd gesteld door iemand die geen zin had om in de rij hongerige wolven te staan die zich voor de grotere schrijver had gevormd.

‘Je zult dan wel heel gedisciplineerd zijn,’ stelde ze, nog voor ik antwoord kon geven.

Nou, dat is het niet. Ook ik verschans me liever voor een slechte televisieserie. Ook ik spreek liever af met vrienden, dan dat ik me afzonder en gedwongen het blauwe licht van mijn laptop opzuig. Ook ik dwaal tijdens het schrijven aan een cruciale scene af en beland na vijf minuten op een duistere internetpagina vol foto’s van volwassen geworden kindsterretjes.
Toch lukt het me, dat schrijven van die boeken. En dat heb ik grotendeels te danken aan één zin. Een mantra dat me telkens weer terugbrengt naar wat ik eigenlijk wil doen.

Ik lees graag schrijversinterviews. Het interview dat John Wray in 2004 voor The Paris Review voerde met Haruki Murakami staat voor mij op eenzame hoogte. Het spel dat schrijversinterviews zo spannend maakt wordt hier op hoog niveau gespeeld: Wray probeert tevergeefs het mysterie dat Murakami heet te ontrafelen en de schrijver antwoordt op de prachtige, droogkomische en ongrijpbare toon die zijn romans karakteriseren.

Uit dat interview der interviews destilleerde ik de schrijftip die alle andere overbodig maakt. Het zijn maar vier worden. Het zijn niet eens echt bijzondere woorden, tot ze zich in je hoofd nestelen en zolang op dat ene plekje tollen dat ze niet meer uit te wissen zijn. Een spreuk die op het eerste gezicht bedrieglijk simpel is, maar hoe vaker je ‘m door je hoofd laat rollen aan waarheid wint. Een advies dat zo summier lijkt dat ik het bijna niet durf te delen.

Schrijf wat je weet.

Haruki Murakami zegt het zo: ‘als je iets uitlegt, moet je gul zijn. Als je denkt het is zo wel goed, want ik weet het, dan ben je arrogant. Kies voor simpele woorden, voor goede metaforen en treffende allegorieën. Dat is wat ik doe. Ik leg alles heel voorzichtig en helder uit.’
Kortom, schrijf wat je weet.

En zoals het een echt mantra betaamd, zijn deze vier woorden op eindeloos veel manieren uit leggen dan wel toe te passen. Daar gaat ie.

-Schrijf wat je weet gaat over thematiek. Durf dicht bij jezelf te beginnen. Kies voor de verhalen die je hebt meegemaakt, of kies in ieder geval voor die verhalen die je zo sterk raken dat het voelt alsof je ze zelf hebt meegemaakt.
Dat betekent niet dat je niet verder kunt komen dan je bezoek aan de kapper. Want, als je onderweg naar de kapper dagdroomde over radioactieve honden die de wereld dreigen over te nemen, dan behoort ook dat tot je materiaal.

-Schrijf wat je weet is een goede test. Als je, in een poging je verhaal spanning te geven iets onuitgelegd moet laten, dan is er iets mis. De magie van een verhaal is wat overblijft als alles is uitgelegd. Schrijf dus vooral alles op dat je weet en bekijk vervolgens of je tekst nog overeind staat.

-Schrijf wat je weet op het moment dat je vastzit. Worstel niet langer met die ene scene die maar niet wil lukken, maar werk even aan dat stuk waarvan je wel voldoende weet.

-Schrijf wat je weet is niet alleen een opdracht, het is ook een ontnuchterende constatering. Je bént je materiaal. Alles dat je nodig hebt om te kunnen schrijven heb je al.
Maar dat betekent ook dat als je je wilt laten meenemen door de wereld van fictie en je wenst je verhaal in de toekomst te plaatsen of in India of als je wilt schrijven vanuit het perspectief van een cavia, je zult het nog altijd met jezelf moeten doen. Een glamoureuze setting of bijzonder intrigerend hoofdpersonage maken nog geen verhaal. Het gaat om wat jij ermee doet.

-Schrijf wat je weet is ook: weet wat je schrijft. Houd een post-it naast je tekst en schrijf daarop de kern van je verhaal. Bij het herlezen van je tekst verwittig je jezelf nog eens van die kern en bekijk je of je bent geslaagd. Zo voorkom je dat je teksten gaan meanderen, met je weglopen.

Er is nog iets te leren uit het voor mij legendarische interview met Murakami. Bij iedere vraag die Wray inzet om het geheim van de Japanse auteur te ontrafelen wordt keer op keer duidelijk dat zijn missie gedoemd is te mislukken. Er is geen recept of choreografie voor het perfecte Murakami-boek, zijn proza is nauw verweven met wie hij is. Met zijn levensloop, maar ook met zijn diepste angsten en verlangens, met alles dat de meeste mensen onuitgesproken laten. Omdat, inderdaad, Murakami schrijft wat hij weet.

Over de auteur:

Maurits de Bruijn is schrijver en publicist. Zijn essays en korte verhalen werden gepubliceerd in De Volkskrant en Das Magazin. In 2012 verscheen zijn debuutroman Broer, die door pers en publiek lovend werd ontvangen. In 2016 verscheen De achterkant van de zon en op dit moment werkt Maurits aan zijn derde roman.

Op 15 april start een opleiding met Maurits in Amsterdam! Meer weten? Mail info@schrijversacademie.nl

foto credits: Quintalle Nix