De spanning erin houden – door René Appel

‘The moment I decided to leave him, the moment I thought enough, we were thirty-five thousand feet above the ocean, hurtling forward but giving the illusion of stillness and tranquility.’ Dit is de eerste zin uit The wife van de Amerikaanse schrijver Meg Wolitzer (nog niet vertaald in het Nederlands), onlangs verfilmd met de fantastische Glenn Close in de hoofdrol. De ‘ik’ in deze zin is Joan Castleman, echtgenote van de beroemde auteur Joe Castleman, en ze zijn per vliegtuig onderweg naar Helsinki, waar Joe de ‘Helsinki prize’ zal krijgen voor zijn hele oeuvre. Die prijs is te beschouwen als het kleine broertje van de Nobel Prijs voor literatuur en voor Joe is het een enorme eer dat die prijs hem is toegekend.*)

De eerste zin roept uiteraard spanning op. Wanneer zal Joan tegen Joe zeggen dat ze een eind aan hun huwelijk wil maken, hoe zal hij reageren, gooit ze de plechtige prijsuitreiking in het honderd? Het boek beschrijft verder de vliegreis, de aankomst in Helsinki, het verblijf in het hotel, enz. Maar de meeste ruimte wordt ingenomen door vakkundig ingelaste flashbacks van Joan over haar eerste ontmoeting met Joe, het begin van hun affaire, hun huwelijk, hun kinderen, Joe’s vreemdgaan en uiteraard zijn carrière. (Nu moet ik hier schrijven: Spoiler alert, maar ook voor degenen die het boek nog willen lezen, blijft er heel veel over om van te genieten.)

Hoe zit het dan met wat er in de eerste zin van het boek wordt gemeld, vraagt de lezer zich af. Pas op p. 79 in de uitgave van Vintage Books uit 2012 staat: ‘I hadn’t known for certain, before I’d gotten on the airplane in New York, that I would leave him.’ ‘Aha,’ denkt de lezer, ‘het gaat dus gebeuren.’ Maar zo ver is het nog lang niet, de spanning blijft aanhouden. Er volgen nog vele pagina’s met wederwaardigheden in Helsinki en flashbacks van het leven van Joe en Joan voordat op p. 188 de eventuele echtscheiding weer ter sprake komt. Dan zit Joan alleen in een taxi, dronken. Ze denkt een stem te horen, die haar vraagt: ‘Are you really going to leave him?’ Ja, is het antwoord van Joan, dat ga ik doen.

Drie pagina’s verder, ’s ochtends om 5 uur als Joe – ook dronken – de hotelkamer binnen komt stommelen en Joan wakker heeft gemaakt, zegt ze het eindelijk: ‘When we get back to New York, I want a separation. I’ve thought it all through.’

Hè, hè, denk je dan, eindelijk is de kogel door de kerk, de spanningsboog heeft zijn werk gedaan. Maar dan volgen er nog bijna dertig pagina’s met een zeer verrassend slot, waarvan je achteraf moet zeggen: ja, dat zit erin, dat heeft Wolitzer knap voorbereid, misschien heb ik me zo op die aangekondigde echtscheiding gericht, dat ik dát punt uit het oog ben verloren.

Wat dat punt is? Nee, dat zeg ik niet. Eén spoiler (‘verpester’) is meer dan genoeg. Wel is het goed om te benadrukken dat The wife impliciet een mooie schrijfles over spanning en verrassingen bevat, maar ook dat het geweldig goed en vaak bijzonder geestig is geschreven.

*) In de film krijgt Joe Castleman de Nobel Prijs. In films zijn verhaalelementen  nu eenmaal vaak sterker aangezet dan in boeken.

Over René Appel

René Appel publiceerde 24 misdaadromans, drie verhalenbundels en twee jeugdboeken. Zijn laatste verhalenbundel is ‘Joyride en andere spannende verhalen’ (2016). In oktober 2018 verscheen ‘Dansen in het donker’, bestel het boek hier. Een ‘gewone’ roman, dus geen thriller, maar wel een echte Appel.

René Appel is lid van de Adviesraad van de Schrijversacademie.

Arrive late, leave early – door René Appel

De roman Onze dagen van Thomas Verbogt begint als volgt: ‘Als ik hem het boek geef, schudt hij zijn hoofd. Hij bekijkt het niet eens, leest de titel niet. Hij maakt een gebaar naar de tafel. Ik leg het boek op tafel, naast de fruitschaal, waarop een gerimpelde appel ligt.’

Het korte eerste hoofdstuk (de roman bestaat uit tientallen korte hoofdstukken) eindigt met: ‘“Weet je wat ik vanochtend dacht?” zegt mijn vader. “Ik dacht vroeger altijd dat ik met je moeder oud zou worden. En dat ik de laatste jaren van ons leven zo bang zou zijn haar te verliezen.”’

Hier past Verbogt een interessant schrijfprincipe toe, dat bekend is als een credo uit de (Amerikaanse) filmindustrie: ‘Arrive late, leave early’. Met excuses voor het Engels. Je mag ook zeggen: Kom laat binnen, ga vroeg weg. Overigens een principe dat in het dagelijks leven ook goed toepasbaar is op vervelende feestjes.

Een toelichting naar aanleiding van de twee fragmenten uit de roman van Verbogt. De auteur plaatst de lezer zomaar in een scène, hij legt niets uit, introduceert niets, de aanloop naar de scène – de ‘ik’ gaat zijn vader bezoeken, hij belt aan, de vader doet open, schenkt een kop koffie in, enz. – is weggelaten. Hetzelfde geldt voor het slot: afsluitende zinnen over de ‘ik’ die weer vertrekt, zijn vader de hand schudt, enz. ontbreken.

Deze manier van vertellen geeft een verhaal dynamiek. Bovendien worden er zo interessante vragen opgeroepen, zoals in de laatste zinnen aan het slot van het eerste hoofdstuk van Onze dagen. Die doen vermoeden dat de echtgenote van de vader is overleden. Maar ook de eerste zinnen leiden tot vragen. Er staat ‘het boek’, dus er moet sprake zijn van een specifiek boek. Is de ‘ik’ misschien schrijver en is het boek van zijn hand? En dan die fruitschaal waar alleen een gerimpelde appel op ligt. Zorgt de vader niet goed voor zichzelf, eet hij te weinig fruit?

De lezer als het ware in een scène laten vallen, heeft vaak een positief effect. Het brengt snelheid in een verhaal. Als je een scène schrijft, bedenk dan wat er weg kan, vooral aan het begin en aan het eind. Vaak is weglaten een prima optie… ja, ja, schrijven is schrappen… maar aan de andere kant: soms is het juist belangrijk om een scène te rekken, vooral om de lezer zich te laten afvragen wat er gaat gebeuren als er sprake is van dreiging. Dan kan het juist goed werken als de schrijver zinnen uitbreidt, details toevoegt, dingen suggereert, enzovoort. Kortom, kom laat binnen, ga vroeg weg, maar niet altijd.

Over René Appel

René Appel publiceerde 24 misdaadromans, drie verhalenbundels en twee jeugdboeken. Zijn laatste verhalenbundel is ‘Joyride en andere spannende verhalen’ (2016). In oktober 2018 verscheen ‘Dansen in het donker’, bestel het boek hier. Een ‘gewone’ roman, dus geen thriller, maar wel een echte Appel.

René Appel is lid van de Adviesraad van de Schrijversacademie.

Ikke, ikke en de rest…. René Appel

‘Eindelijk, om een uur of drie, vier, stond ik op. Ik had geen zin om iets te schrijven. Ik had zelfs het gevoel dat het resultaat lelijk en pretentieus zou zijn als ik het probeerde. Ik was niet het soort mens dat ik pretendeerde te zijn. Ik dacht over mezelf zoals ik in het washok geestig probeerde te zijn tegen Nicks vrienden en werd misselijk. Ik hoorde niet thuis in zo’n rijkeluishuis. Ik werd alleen voor dat soort dingen uitgenodigd vanwege Bobbi, die overal thuishoorde en iets had wat mij naast haar onzichtbaar maakte.’

Ik, ik, ik, tien keer ‘ik’ op een totaal van 94 woorden. Bij een boek in de ik-vorm krijgt de lezer niet alleen een beperkte kijk op de werkelijkheid van de roman, maar in mijn ogen levert het ook stilistisch gezien passages op die niet fraai zijn, zoals in het bovenstaande fragment uit Gesprekken met vrienden van de jonge Ierse auteur Sally Rooney. Dat niet-fraaie is niet alleen het gevolg van het repeterende ‘ik’, dat het proza doodslaat, maar ook van de zinsconstructie. Daarin verschijnt het persoonlijk voornaamwoord namelijk meestal aan het begin van een zin. De tweede ik-zin zou al makkelijk omgezet kunnen worden in ‘Zin om te schrijven had ik niet’. Volgens mij heeft de vertaler echter de Engelse zinsvolgorde aangehouden. Ook verderop kan een ik-zin makkelijk veranderd worden. ‘Ik hoorde niet thuis in zo’n rijkeluishuis’ wordt dan ‘In zo’n rijkeluishuis hoorde ik niet thuis.’

Stel dat er een dwingende reden is om het verhaal vanuit een ‘ik-personage’ te vertellen. Dan zijn er nog altijd mogelijkheden om een te frequent ‘ik’ te vermijden door voor een andere formulering te kiezen. Laat ik de tweede zin weer als voorbeeld nemen. ‘Ik had geen zin om te schrijven’ is te herformuleren als ‘Het ontbrak me aan zin om te schrijven.’ En uit de volgende zin ‘Ik had zelfs het gevoel dat het resultaat lelijk en pretentieus zou zijn…’ is ‘ik’ ook te verwijderen: ‘Het resultaat zou volgens mij lelijk en pretentieus zijn…’

Het voordeel van een boek waarin van het perspectief van een ‘hij’ of ‘zij’ (of meerdere ‘hij’s’ en ‘zij’s’) wordt uitgegaan, is dat de lezer niet zo vast zit in het hoofd van die ene ‘ik’. De tekst wordt iets afstandelijker, wat mij een voordeel lijkt. Bovendien biedt het mogelijkheden voor stilistische variatie. Stel dat de hoofdpersoon in de bovenstaande passage Sally heet en dat het verhaal in de zij-vorm wordt verteld. Dan begint het bovenstaande fragment als volgt. ‘Eindelijk, om een uur of drie, vier, stond Sally op. Ze had geen zin om iets te schrijven. Volgens haar zou zelfs het resultaat lelijk en pretentieus zijn als ze het probeerde. Sally was niet het soort mens dat ze pretendeerde te zijn.’

Ik vind dat mooier, beter. Ja, inderdaad, ik.

Over René Appel

René Appel publiceerde 24 misdaadromans, drie verhalenbundels en twee jeugdboeken. Zijn laatste verhalenbundel is ‘Joyride en andere spannende verhalen’ (2016). In oktober 2018 verscheen ‘Dansen in het donker’, bestel het boek hier. Een ‘gewone’ roman, dus geen thriller, maar wel een echte Appel.

René Appel is lid van de Adviesraad van de Schrijversacademie.

Lichies en lampies – een kerstverhaal van René Appel

 

‘Ja, kijk, een jaar of wat geleden is het klein begonnen. Kees en Diny, van hiernaast, die zetten een kerstboom in de tuin met allemaal lichies, lampies en slingers. Toen konden wij natuurlijk niet achterblijven. Dus het jaar daarop wij ook een kerstboom in de voortuin, een flinke grote, met een Kerstman ernaast, een halve meter hoog ongeveer en verlichting van binnenuit, dus dat stond fantastisch. En wat krijg je dan? Precies, dat anderen mee gaan doen. De sneeuwbal ging rollen, zal ik maar zeggen. Sneeuw… kerst, je begrijpt het wel.

Dat is ook wel wat voor dit straatje. Het is nog geen honderd meter, denk ik, en allemaal mensen die het gezellig willen hebben met mekaar. Nou ja, allemaal… Maar daar kom ik straks nog op. Met kerst dan jutten we mekaar een beetje op. Ook als het Nederlands elftal speelt op een EK of een WK, dan wordt deze hele straat compleet oranje, ik zweer het je. Een buurtbarbecue, zo’n groot tv-scherm in een tuin en dan met z’n allen kijken. Een biertje erbij, een paar bakken chips, nootjes. Daar doe je het allemaal voor, hè, voor de gezelligheid.

Maar goed, met kerst is het anders. Dan is er één avond dat iedereen buiten komt, als alles hangt en staat, dat is ondertussen traditie. Dan hebben we warme chocolademelk, Jägermeister en glühwein. Misschien dat jij denkt dat we elkaar een beetje gek zitten te maken met al die kerstspullen, maar we vinden het gewoon hartstikke leuk en dat is het ook.

Nadat wij eenmaal begonnen mee te doen met Kees en Diny, gingen er steeds meer meedoen. Kijk, hier heb ik wat foto’s. Zie je, al die slingers, lichtslangen, hier bij Ton en Henny, die hadden een levensgrote kerststal in de voortuin staan. Wij hadden een kerstman die “Ho, ho, ho” kon zeggen, “Ho, ho, ho”, en die met een bel rinkelde. Niet de hele tijd natuurlijk, maar ik had het zo geregeld dat ik, terwijl ik in de kamer zat, een schakelaartje om kon zetten als er iemand langskwam. In het begin schrokken mensen zich het leplazarus. Echt, hartstikke geinig. Kijk, hier een hele arreslee van lichtslangen. Fantastisch toch! O ja, deze, die is ook mooi, een kerstdorp in de bergen. Met een skilift, die ook echt werkte. Die is van Harry, m’n zwager. Een uren dat-ie erin gestoken heb! Ook om wat te doen te hebben, hoor. Een jaar eerder was z’n vrouw overleden, Mieke, de zus van mijn vrouw. Moet je deze foto ’s zien… een ijsbeer met een jong op z’n rug, net echt. Nou ja, ze worden van binnenuit verlicht, dat heb je met een echte ijsbeer natuurlijk niet. Haha, geintje.

De hele straat deed dus mee, behalve die van nummer zeventien. Hij woont daar in z’n eentje en bemoeit zich nergens mee. Feestjes, buurtbarbecue… hij is er nooit. Z’n voortuin stelt ook niks voor. Geen bloemen, geen planten, geen boompies, niks. Vitrage voor ’t raam en als-ie ´s avonds thuis is, gaan de gordijnen dicht. Alsof-ie wat te verbergen heb. Maar die doet dus niet mee. Slingers, kaarsen? Vergeet ’t maar.

Daar hadden we al de pest over in, over die spelbreker, maar helemaal toen die wedstrijd kwam, van de tv. Welke straat de mooiste kerststraat… ja, verdomd moeilijk uit te spreken… welke dus de mooiste kerststraat van Nederland is. En met die tuin van nummer zeventien erbij lijkt die van ons net een mooi gebit met één rotte tand erin. Zo is het toch? Heb ik gelijk of heb ik gelijk? Dus de nacht voordat ze van de tv zouden komen filmen, hebben we die hele tuin van nummer 17 vol gezet met kerstspullen die we nog over hadden. Ton legde een paar snoertjes voor de verlichting want hij woont op nummer vijftien.

En wat denk je? De volgende ochtend, nog voor die mensen van de tv kwamen, had die kloo… nee, laat ik het netjes houden… had die kerel het allemaal weer weg geflikkerd, gewoon op de stoep gezet. Kreeg je weer die ene rotte tand. D’r was ook niet met hem te praten, hoor. Volgens Ton kan er nog net “goeiemiddag” of “goeienavond” vanaf, maar meer ook niet.

Maar goed, we hadden ons dus opgegeven voor die wedstrijd en echt… het zag er fantastisch uit. Dat licht… bij mekaar wel duizenden LED-lampies, al die lichtslangen, die versieringen, niet één, maar wel drie arresleeën, een draaiende kerstboom bij Eric en Ankie in de tuin, muziek, alles in dat kleine stukkie straat. En dat hebben ze dus allemaal gefilmd voor die wedstrijd. Ik ben zeg maar zo’n beetje de centrale man geworden, dus ze wilden een interview met me over hoe het zo gekomen was en ook of het niet een beetje te ver ging. Ik heb zeker wel een kwartier met ze zitten praten en ze begrepen het, dat het gewoon leuk was, over die zeikerd van nummer zeventien geen woord.

Toen kwam dus de uitzending, in Hart van Nederland. Met een heel ploegie zaten we te kijken bij Kees en Diny. Pilsje erbij, glaasje wijn, een knabbeltje… Er waren drie finalisten en wij waren één van die drie. Verschrikkelijk spannend. Voor de winnaar lagen er duizend eurootjes klaar. Eerst wat gebabbel vooraf over kerst en kerstversieringen en toen maakten ze bekend wie nummer drie was. Een straat ergens in de Achterhoek, Doesburg of zo. En toen kreeg je reclame. Ik zat mezelf op te vreten van de zenuwen, want daarna zouden ze zeggen welke straat nummer één was, dan was meteen duidelijk wie twee was. Nou ja, jij weet het al. Wij waren tweede geworden. Toen klonken er wel een paar stevige vloeken, kolere nog aan toe.

En weet je wat het ergste was? Onze straat lieten ze wel zien, met al die versieringen en zo. Prachtig allemaal. Maar van dat interview met mij kwam geen seconde op tv. En wie wel, om minutenlang te vertellen waarom hij niet meedeed? Precies, die eikel van nummer zeventien.’

Over René Appel

René Appel publiceerde 24 misdaadromans, drie verhalenbundels en twee jeugdboeken. Zijn laatste verhalenbundel is ‘Joyride en andere spannende verhalen’ (2016). Oktober 2018 verschijnt ‘Dansen in het donker’, bestel het boek hier. Een ‘gewone’ roman, dus geen thriller, maar wel een echte Appel.

René Appel is lid van de Adviesraad van de Schrijversacademie.

De sandwichformule – Door René Appel

Er zijn verschillende manieren om een verhaal te vertellen. Als schrijver kies je de (grammaticale) tijd, het perspectief, je ‘bouwt’ iets, je bouwt een roman met fragmenten, beschrijvingen, flashbacks, eventueel zogenaamde flashforwards, enzovoorts. Het begrip sandwichformule slaat op een speciale manier van vertellen, namelijk die waarbij het eigenlijke verhaal ingeklemd is tussen een ouverture en een afsluiting. Ik zal drie voorbeelden geven van drie prachtige romans die volgens dit principe zijn gebouwd.

Het verhaal in het café

De eerste is Biecht van een moordenaar van Joseph Roth (wie nog nooit iets van hem heeft gelezen, moet dat snel gaan doen). De ‘ik’ gaat naar een Russisch café-restaurant in zijn woonplaats Parijs, waar in de jaren dertig van de vorige eeuw veel Russische emigranten en bannelingen komen. Daar ontmoet hij een man, ene Semjon Semjonovitsj Goloebtsjik. Het is middernacht, de kastelein doet de deur op slot, en Goloebtsjik begint aan een verhaal. Hij zegt zelf dat het een simpel verhaal is dat hij beknopt wil vertellen, maar de laatste zinnen van de ouverture luiden: ‘Hij begon. En het verhaal was beknopt noch banaal. Daarom heb ik besloten het hier op te schrijven.’ Dan volgt ‘de biecht van een moordenaar’ van Goloebtsjik, meer dan 160 bladzijden. Als de verteller bij het ochtendgloren de straat is opgegaan, begint de afsluiting met ‘Ik bleef alleen met de kastelein achter. “Wat een verhalen hoor je bij u,” zei ik.’ Na nog zo’n vier bladzijden eindigt het boek met: ‘Nog diezelfde dag verliet ik mijn kamer in de Rue des Quatre Vents. Goloebtsjik heb ik nooit meer gezien, ook geen van de mannen die zijn verhalen hebben gehoord.’

Een donkere nacht

Het tweede voorbeeld is De nacht in Lissabon van Erich Maria Remarque. Ik citeer de achterflap van dit indrukwekkende boek. ‘Een donkere nacht in 1942. Een man staat in Lissabon in de haven op de kade en staart naar een Amerikaans schip. De man is Hitler-Duitsland ontvlucht en heeft geen visum en geen geld. Plots biedt een onbekende hem twee tickets aan voor de boot naar Amerika. Onder slecht één voorwaarde: dat hij deze nacht naar zijn verhaal zal luisteren.’ Weer een verhaal dat ’s nachts verteld wordt, deze keer niet in één café-restaurant maar in een aantal cafés en nachtclubs, met ook weer veel spanning. Want waarom wil de man zo nodig zijn verhaal vertellen aan iemand die hij niet kent? Wat zit hierachter?

Een uitnodiging bij hem thuis

Ten slotte een Nederlandstalige roman volgens de sandwichformule, namelijk Lijmen van Willem Elsschot, vaak in één adem genoemd met Het been dat als een vervolg is te beschouwen. Lijmen begint (alweer) in  een café, waar de ‘ik’ een oude (vaag) bekende ontmoet: Laarmans. Die nodigt de ‘ik’ de volgende dag uit bij hem thuis en daar vertelt hij het verhaal van zijn financiële manipulaties met ‘Het Wereldtijdschrift’, die de ‘ik’ weerzinwekkend vindt. Laarmans legt een hand op zijn knie, maar… ‘Ik sidderde onder zijn aanraking, sprong overeind, stiet hem met alle geweld van mij af en vluchtte de trap af en het huis uit.’

Bij een sandwich gaat het vooral om het beleg

Goed beschouwd is er in Lijmen nauwelijks meer sprake van een afsluiting, maar met enige tolerantie is het begrip ‘sandwichformule’ toch van toepassing. In alle drie gevallen is het ‘brood’ (dus ouverture en afsluiting) aan de dunne tot zeer dunne kant, maar dat is geen probleem. Bij een sandwich gaat het immers vooral om het beleg, het verhaal dat ertussenin geklemd zit, en dat is in alle drie gevallen voortreffelijk.

Over René Appel

René Appel publiceerde 24 misdaadromans, drie verhalenbundels en twee jeugdboeken. Zijn laatste verhalenbundel is ‘Joyride en andere spannende verhalen’ (2016). Oktober 2018 verschijnt ‘Dansen in het donker’, bestel het boek hier. Een ‘gewone’ roman, dus geen thriller, maar wel een echte Appel.

René Appel is lid van de Adviesraad van de Schrijversacademie.

Dansen in het donker – door René Appel

Geen thriller, wel een échte Appel

Recent kwam mijn 23ste roman uit: Dansen in het donker. Geen thriller, wel een échte Appel, zoals ik graag mag onderstrepen. Als schrijver moet je het immers ook hebben van je naamsbekendheid en dan kun je beter Appel dan De Jong of De Vries heten.

Waarom geen thriller? Simpelweg omdat ik – als lezer en als schrijver – enigszins was uitgekeken op dat type boeken. Bij het schrijven wilde ik niet meer gebonden zijn aan de eisen die het misdaadgenre stelt: bij voorkeur moet er een verrassende wending in het verhaal zitten, de plot moet keurig worden afgewikkeld, aan het eind moet duidelijk zijn hoe een en ander in elkaar steekt, enzovoorts. Vrijheid wilde ik, vrijheid bij het denken over verhaallijnen, vrijheid bij het schrijven.

Literaire romans kunnen óók spannend zijn

Een en ander betekent natuurlijk niet dat zo’n verhaal niet spannend is. Dat is het namelijk wel degelijk (dus inderdaad een ‘échte Appel’), net zoals veel literaire romans ook spannend kunnen zijn, wat ik in mijn boekje Spannende verhalen schrijven al heb laten zien. Maar een afgeronde intrige, waarin alles keurig is afgewikkeld, nee, dat niet. Zo resteert er voor de lezer nog wel het een en ander om over na te denken.

De titel had ik al in het begin van het schrijfproces. Het is ook de titel van een van de bekendste cd’s van Bruce Springsteen: Dancing in the dark, en inderdaad Bruce Springsteen speelt ook een rol in het verhaal (uiteraard niet als personage, maar zijn muziek). Het schrijven zelf is ook te zien als ‘dansen in het donker’: je schrijft, je probeert, je maakt allerlei figuren, je volgt het ritme van de taal, woorden worden noten, maar niemand ziet het, het blijft allemaal verborgen, in het duister, in het donker. Je weet zelf niet waar het allemaal op uit zal draaien, maar ondertussen dans je toch door in de hoop dat je aan het eind tevreden kunt zijn.

Dat ene kernachtige zinnetje

In een vorig blog schreef ik over dat ene, belangrijke kernachtige zinnetje in een boek. Iemand vroeg me of ik in Dansen in het donker ook zo’n zinnetje kon aanwijzen. Ik heb het volgende gekozen, over Inge, de hoofdpersoon van het boek. Ze denkt na over haar in het slop geraakte huwelijk: ‘Ze waren elkaars vanzelfsprekendheid geworden.’

Dat is raak, volgens mij.

Over René Appel

René Appel publiceerde 24 misdaadromans, drie verhalenbundels en twee jeugdboeken. Zijn laatste verhalenbundel is ‘Joyride en andere spannende verhalen’ (2016). Oktober 2018 verschijnt ‘Dansen in het donker’, bestel het boek hier. Een ‘gewone’ roman, dus geen thriller, maar wel een echte Appel.

René Appel is lid van de Adviesraad van de Schrijversacademie.

Die ene zin – door René Appel

Een veelbetekenend zinnetje…

In Everything I never told you van de Amerikaanse schrijfster Celeste Ng (die achternaam schijn je te moeten uitspreken als ‘ing’) vertelt Marilyn over haar relatie met James Lee. Marilyns moeder was daar absoluut niet blij mee, want ze ziet James als ‘minderwaardig’. Ze zegt dat weliswaar niet zo, maar ze hoopt dat haar dochter een andere man vindt om mee te trouwen, want James heeft een Chinese achtergrond en volgens haar (dus) weinig perspectieven. Op de huwelijksdag heeft Marilyn een zeer onaangename conversatie met haar moeder. Het hoofdstuk waarin dat gesprek wordt beschreven, eindigt met een zinnetje dat bijna als een mokerslag aankomt: ‘That was the last time Marilyn saw her mother.’ En dan gaat in een volgend hoofdstuk het verhaal verder. Zo’n enkel, simpel, veelbetekenend zinnetje zegt meteen veel over Marilyn en haar moeder.

Het zegt alles wat het zeggen moet

Nog een voorbeeld van zo’n eenvoudig zinnetje, dat niet alleen inhoudelijk een belangrijke functie heeft, maar dat tegelijkertijd het ritme van het verhaal bepaalt. Dat laatste is ook heel goed te demonstreren aan het verhaal ‘Stationschef Fallmerayer’ uit de bundel De buste van de keizer en andere verhalen van de schrijver Joseph Roth (nee, geen familie van Philip), die vooral bekend is van de prachtige roman Radetsky Mars.

In het betreffende  verhaal gaat het om de onwaarschijnlijke liefde tussen een stationschef en een gravin, wier man – waarschijnlijk – is gestorven aan het Oostelijk front van de Eerste Wereldoorlog. De gravin wil een kind van haar geliefde. In het voor hem typerende proza schrijft Roth dan onder meer het volgende. ‘Onbezonnen, lichtzinnig en geestdriftig als ze was, zag ze in haar geliefde, wiens mateloze liefde haar mooie, natuurlijke onbezonnenheid nog maar pas had gewekt, niettemin een toonbeeld van verstandige, beheerste superioriteit. En niets leek haar belangrijker dan een kind op de wereld te zetten waarin haar eigen voortreffelijke kwaliteiten verenigd zouden worden met de onovertrefbare kwaliteiten van haar geliefde man.’
Einde alinea. En dan, na die weelderige, beeldende zinnen begint de nieuwe alinea met dat ene kale zinnetje, dat zonder opsmuk alles zegt wat het moet zeggen: ‘Ze werd zwanger.’

Over René Appel

René Appel (1945) publiceerde 24 misdaadromans, drie verhalenbundels en twee jeugdboeken. Zijn laatste verhalenbundel is ‘Joyride en andere spannende verhalen’ (2016). Oktober 2018 verschijnt ‘Dansen in het donker’, een ‘gewone’ roman, dus geen thriller, maar wel een echte Appel.

René Appel is lid van de Adviesraad van de Schrijversacademie.

 

Schaamrood – René Appel

Ik boog me over het manuscript van mijn nieuwe boek Dansen in het donker, dat net was teruggekomen van de bureauredacteur, voorzien van haar aantekeningen. Toen ik het doorlas, kleurden mijn wangen. Van schaamte. Zelf heb ik in de loop van mijn schrijfloopbaan al aardig wat werk van anderen gecorrigeerd en geredigeerd, maar nu had ik zelf iets ingeleverd waar toch weer aardig wat kleine, stomme foutjes in zaten.

Ik zal wat voorbeelden geven. Zo schreef ik over een personage dat er ‘kleine spuugbelletjes in zijn mondhoeken’ zaten. Terecht had de bureauredacteur ‘kleine’ doorgestreept. Belletjes zijn immers al klein. Ik liet mijn personage Finn ‘hulpeloos uit zijn ogen kijken’. Dat ‘uit zijn ogen’ moest natuurlijk weg. Waaruit zou hij anders kunnen kijken?

In mijn tekst was ‘een afspraak gecanceld’. Waarom zo’n Engels leenwoord? Een afspraak kan toch ook worden geannuleerd. Veel beter. Ergens in het manuscript stond: ‘…het enige dat ze nog weet…’ Tsja, na ‘enige’ is – net als na ‘iets’- niet ‘dat’, maar ‘wat’ het correcte betrekkelijk voornaamwoord. In een laatste voorbeeld gaat het niet per se over ‘goed’ vs. ‘fout’. Een personage bedenkt op een gegeven moment: ‘Ze hebben hem kennelijk op staan wachten.’ Het gaat hier om het werkwoord ‘opwachten’. In min of meer formele taal, dus in een roman als het gaat om de beschrijving van een situatie, zou je dat werkwoord niet moeten splitsen en zou ‘Ze hebben hem kennelijk staan opwachten’ beter zijn geweest. Dat wist ik, maar toch schreef ik ‘op staan wachten’.

Ik geef toe, het waren kleine dingen, de meeste lezers zouden er niet over vallen, maar toch geneerde ik me. Die gêne werd minder toen ik enkele andere commentaren van de bureauredacteur zag. In dialogen verving ze bijv. ‘je kan’ door ‘je kunt’, terwijl dat laatste erg schrijftaalachtig is, daar waar ik juist in dialogen spreektaal wil gebruiken waar dat kan. Nog een voorbeeld. Mijn hoofdpersoon Inge moest een maaltijd zonder vlees bereiden, en dus sprak ze haar ‘vegetarische fantasie’ aan. De bureauredacteur had als commentaar: ‘Een fantasie kan niet vegetarisch zijn.’ Inderdaad, daar had ze gelijk in, maar we hebben het ook over een ‘hulpeloos gebaar’, terwijl een gebaar op zichzelf ook niet hulpeloos kan zijn.

Eindstand schrijver – bureauredacteur 1-1? Een andere conclusie: je ziet de fouten van een ander beter dan die van jezelf.

Over de auteur

René Appel (1945) publiceerde 24 misdaadromans, drie verhalenbundels en twee jeugdboeken. Zijn laatste verhalenbundel is ‘Joyride en andere spannende verhalen’ (2016). Oktober 2018 verschijnt ‘Dansen in het donker’, een ‘gewone’ roman, dus geen thriller, maar wel een echte Appel.

René Appel is lid van de Adviesraad van de Schrijversacademie.

 

De laatste zin (van een alinea) – door René Appel

Afgezien van passages die bewust duister, mysterieus of ronduit onbegrijpelijk zijn, willen schrijvers het liefst begrepen worden. Ze willen iets overdragen op de lezer, en dat is terecht, want daarom schrijven ze. Maar soms willen ze dat te graag, zijn ze te bang dat lezers hun bedoelingen niet vatten en dan laten ze zich verleiden tot een nadere verklaring of een uitleg, en dat is vaak te veel. Zo’n concluderende zin staat vaak aan het eind van een alinea waarin het een en ander is beschreven.  ‘Ja, hè, hè,’ zal menig lezer zeggen, ‘dat had ik al lang begrepen.’ De lezer voelt zich miskend of te laag ingeschat.

Goed Volk

Ik zal een voorbeeld geven uit de recente korte autobiografische roman Goed volk van Teun van de Keuken (tv-maker, columnist en schrijver). Hoofdpersoon in dit zeer leesbare boek is het jongetje Teun, dat opgroeit eind jaren zeventig, begin jaren tachtig. Zijn vader is een bekende filmer en fotograaf en zijn moeder werkt ook in de filmwereld. De ouders zijn ‘progressief’, links, tegenwoordig zouden we hen politiek-correct noemen. Omdat zijn ouders niet elitair willen zijn (ze willen opkomen voor de verschoppelingen op deze wereld) gaat Teun naar een ‘gewone’ basisschool, dat wil zeggen een school met kinderen uit lager sociaal milieu in de buurt van de Amsterdamse Jordaan, een ‘volksschool’.

En dan komt die laatste zin

Teun schaamt zich voor zijn ouders; ze zijn te artistiekerig en hebben meningen (die ze graag verkondigen) die de ouders van zijn medeleerlingen bepaald niet delen. Hij wil ook liever geen klasgenoten mee naar zijn huis nemen. Maar nadat hij dat een aantal keren heeft geweigerd, wil hij toch een keer met die klasgenoten zijn verjaardag bij hem thuis vieren. En zowaar, het gaat goed. Zijn vader zegt geen gekke dingen, zijn moeder heeft geen te korte rok aangetrokken, de versnaperingen zijn zelfs oké (terwijl zijn ouders normaal het liefst macrobiotisch voedsel serveren) en ze doen leuke spelletjes. Maar dan gebeurt het. De vader brengt de kinderen in zijn grote Volvo naar huis. Hij vertelt zelfs een grap waar iedereen om moet lachen en dan gaan de andere jongens moppen vertellen, racistische moppen. De vader zet de auto aan de kant en gaat woedend tegen de jongens tekeer.

En dan komt die laatste zin: ‘De verjaardag was vergald.’ Hier zou ik nog het een en ander over kunnen zeggen, maar mijn laatste zin laat ik weg. De lezer heeft het al begrepen.

Over de auteur:

René Appel publiceerde 24 misdaadromans, drie verhalenbundels en twee jeugdboeken. Zijn laatste verhalenbundel is ‘Joyride en andere spannende verhalen’ (2016). Oktober 2018 verschijnt ‘Dansen in het donker’, een ‘gewone’ roman, dus geen thriller, maar wel een echte Appel.

René Appel is lid van de Adviesraad van de Schrijversacademie.

Verboden woorden – Door René Appel

Er zijn woorden die je volgens mij als schrijver in een boek voor volwassen lezers nooit moet gebruiken. Hieronder volgen enkele zinnen waarin de betreffende woorden voorkomen. Voor het gemak zijn ze gecursiveerd:

  • Met grote stappen beende hij de kamer uit. (Je gebruikt toch ook niet ‘handen’ voor het werkwoord ‘pakken’?)
  • Ze plofte neer op de bank. (Hoezo ploffen? Misschien mag het in een boek voor meisjes van 12-15 jaar, maar elders niet.)
  • Langer dan een uur zaten ze gezellig te kletsen. (Waarschijnlijk op die bank waarop ze eerst waren neergeploft; de combinatie ‘gezellig’ en ‘kletsen’ bezorgt mij überhaupt koude rillingen.)
  • Hij smeet zijn kleren op de grond. (Hoezo smijten als je ook kunt gooien?).

Waarom zijn deze woorden verboden, waarom mogen ze niet? Daar is uiteraard geen objectieve reden voor. Ik vind ze simpelweg lelijk, niet-passend in literatuur en daarom storen ze mij als lezer. Ik weet het, als je bijvoorbeeld al twee keer achter elkaar het woord ‘lopen’ hebt gebruikt, is het verleidelijk om als er weer een personage zich op zijn voeten in een bepaalde richting voortbeweegt, ‘lopen’ te vermijden en te kiezen voor ‘benen’. Maar lelijk blijft het.

Wat ik ook lelijk vind (minstens zo subjectief) is het gebruik van zeer versleten uitdrukkingen. Als taalpolitie-agent verbied ik dus zinnen als:

  • Hij probeerde zijn beste beentje voor te zetten.
  • Ze was echt een huisje-boompje-beestje-vrouw.
  • Gelukkig kende gezelligheid geen tijd en we bestelden nog zo’n goudgele jongen met een witte kraag.

Proost!

Over René Appel

foto: Merlijn Doomernik

René Appel (1945) is auteur van misdaadromans en geldt als de godfather van de Nederlandstalige psychologische thriller. Vorig najaar vierde hij zijn 25 jarig jubileum als auteur en in die tijd heeft hij even zoveel boeken geschreven.

Onlangs verscheen van zijn hand De advocaat. René Appel is lid van de Raad van Advies van de Schrijversacademie.

‘In mijn boeken moet het allemaal helemaal misgaan, het gaat van kwaad tot erger. Of zeg maar gerust: ergst, want er moet altijd minimaal één personage het loodje leggen.’