Research op locatie – Door Hetty Kleinloog

Kun je alleen schrijven over plaatsen waar je bent geweest? research
Mijn antwoord is: ja.
Zelfs bij fantasielocaties zijn de steden en landen waar je werkelijk geweest bent, de bron voor je verbeelding.

Volgens mij is het onmogelijk om je al googelend een voorstelling van een plek te maken.  Wat je online ziet zijn foto’s en filmpjes waar een camera, dus een ander, zich op heeft gefocust, je kijkt dus eigenlijk met geleende ogen. Om de lezer in zijn hoofd mee naar een plek te voeren, gaat het niet alleen om wat je hebt gezien, je moet de locatie geroken, gehoord, geproefd hebben. Tijdens je fysieke research voel je of het er warm of koud, zuurstofrijk of benauwd is, je voelt de grond onder je voeten en de wind door je haren.
Zien is maar een zesde deel van al je zintuigen. De volle en rijke ervaringen die je verzamelt als je op pad gaat zijn absoluut terug te vinden in de tekst die je daarna schrijft.

Ik vind Google eigenlijk een tweede keus-activiteit bij het schrijven van een boek.  Door Google raken we ons gevoel voor serendipity – de ongezochte vondst – kwijt, want je hoeft niet meer na te denken, uit te vinden, samen te voegen. Je raakt juist kwijt wat de kern van creativiteit is: bestaande elementen samenvoegen en er iets nieuws van scheppen.
Neem bijvoorbeeld een kopje van bont. Nu bestaat het, omdat ene Meret Oppenheim het samengesteld heeft van de vorm van een theekopje en het materiaal bont. We kunnen het nu vinden als we op ‘theekopje bont’ zoeken. Maar Meret Oppenheim heeft dat niet gegoogeled, want het bestond niet. Ze heeft het zelf samengevoegd.
We zijn het er allemaal over eens dat Meret Oppenheim degene is die creatief is, niet wij die zoektermen hebben ingetypt.

Ik dwaal af.
Ik vind dus dat je als schrijver op pad moet gaan als je de ‘arena’ voor je verhaal wilt schetsen. Niet speuren achter je bureau, maar er daadwerkelijk komen. Natuurlijk kun je feiten wel opzoeken en dan dient het gemak – zoekmachines – de mens. Maar als je het in je boek over een bepaalde locatie hebt: ga erop af!

Mijn roman Volle Kracht speelt zich af in Canada.  De vijf vrouwen uit mijn eerste roman, Volle Bloei, verlaten hun vertrouwde omgeving en trekken erop uit. Enerzijds om de as van hun vriendin naar haar zus te brengen, anderzijds omdat het goed voor lichaam en geest is om nieuwe ervaringen op te doen als je ouder wordt, en om nieuwe kennis en vaardigheden te leren.

Het zou onmogelijk zijn geweest om een roman te schrijven die zich afspeelt in Canada zonder in Canada te zijn geweest.
De eerste keer trok ik in een camper door West Canada, zoals de vijf vrouwen uit mijn boek doen. Met eigen ogen zag ik vanaf een boot walvissen, dolfijnen en orka’s tegelijk zwemmen en springen. Ik voelde de koude wind op mijn wangen en de tranen over mijn wangen rollen. Ik rook de zee rond Vancouver Island.
Nooit had ik zonder die ervaring het volgende fragment kunnen schrijven:

Op het moment dat rechts van hen de fonteinen van de bultruggen sproeien en links een orkafamilie het water doorklieft en opduikt, komen tientallen dolfijnen het schip een bezoek brengen. Ze lijken te lachen en tuimelen in twee- en drietallen naast de boot. In de lucht zweeft opnieuw de zeearend.
Greetjes adem schiet hoog in haar keel en ze slikt. Ze zou willen lachen en huilen, jubelen en gillen tegelijk. Ze spreidt haar armen en jodelt zo hard als ze kan: ‘Jihoeoeoe!!!’ In gedachte zweeft en tuimelt, duikelt en duikt ze, komt ze los van haar Greetje-zijn. Dit is vrijer dan vrijheid, verder dan eindeloosheid, grenzelozer dan een lancering de ruimte in. Haar longen zuigen zich vol met lucht. Iedere lichaamscel vult zich met zuurstof.

Voor deel 3, Volle Glorie, ga ik kriskras met de trein door Europa reizen. Ik verheug me er enorm op.
Schrijver zijn is een zittend beroep? Researchen achter je computer?
Ik dacht het niet.

Ik spreid regelmatig mijn armen en jodel zo hard ik kan: Jihoeoeoe!!

Hetty Kleinloog

Volle kracht, het tweede deel van de Volle trilogie ligt vanaf 10 oktober 2019 in de winkel en is online te bestellen, onder andere bij de Nieuwe Boekhandel.

Autobiografisch schrijven – tip van Tania Heimans

Deze week staat de specialisatie Autobiografisch schrijven in de spotlights. We vroegen docent Tania Heimans om haar gouden tip voor het schrijven van een autobiografisch verhaal. 


Kill your darlings

Mijn eerste advies: kill your darlings, oftewel de familieleden met wie je na publicatie ellende verwacht. Laten sterven in je verhaal natuurlijk. Wees creatief. Ik koos ervoor om de moeder in mijn roman in het eerste hoofdstuk van een balkon te laten springen. Daarmee werd mijn debuut een ‘wat als-autobiografische roman’, afgekort een WAAR (verzin ik ter plekke, maar klinkt zo leuk dat ik die darling niet kill). In mijn geval geschreven met deze vraag in gedachten: wat als ik bij mijn vader had moeten opgroeien? Een WAAR is altijd een fictief verhaal. Een: hoe had mijn leven eruit gezien als…?-verhaal. Familieleden die je hierbij niet als inspiratiebron wilt gebruiken, kun je ook gewoon weglaten. Want je hóéft ze natuurlijk niet op tragische wijze om het leven te laten komen. Doodzwijgen is net zo effectief.

Wie nooit iemand uit zijn familie wil verraden moet geen roman schrijven

Sommige familieleden passen echter zo goed in je verhaal dat het eeuwig zonde zou zijn ze niet te gebruiken. Herinneringen aan hen presenteren zich aan je als kant-en-klare scènes waar gewoonweg niet tegenop te verzinnen valt. Juist rauw en onversneden blijken ze perfect. Dat had ik met de vroegere bezoekjes aan mijn opa en oma van moederskant. Mijn oma was echter nog in leven. Daarom maakte ik voor haar een uitzondering: zij hoefde niet dood. Ongemakkelijke gesprekken met haar kwamen letterlijk in het boek. Onbetamelijk? Uiteraard. Maar wie nooit iemand uit zijn familie wil verraden moet geen roman schrijven. Zelfs ongemerkt zul je uit je familieverleden putten. Voor de verbeelding is immers de herinnering nodig. Het enige wat je kunt doen om het goed te maken, is jezelf niet te sparen. Zelfspot behoedt je bovendien voor een megalomaan en sentimenteel verhaal en is dus sowieso aan te raden.

Ik vreesde voor de reactie van mijn oma

Hoe het met mijn WAAR is afgelopen? Ik had weinig schrijfervaring en geen contacten in de literaire wereld (ik woonde daarbij in Helmond), toch debuteerde ik in 2008 succesvol met Hemelsleutels. Tot mijn verrassing werd de roman een bestseller en onder meer voor de Academica Debutantenprijs genomineerd. Maar ik vreesde voor de reactie van mijn oma, waarop ik het personage oma Kroos had gebaseerd. Nadat ze mijn boek had gelezen, zei mijn oma echter trots tegen iedereen die het wilde horen: ‘Dit boek gaat ook over mij!’ Zo kan elke ongelukkige familie een schrijver op eigen wijze gelukkig maken.

Over Tania Heimans

Tania Heimans auteur van drie romans, een non-fictie boek en meerdere verhalenbundels. Daarnaast was ze stadsschrijver van Helmond en is ze dé expert als het aankomt op het schrijven van (auto)biografieën en familieverhalen.

Er staat een nieuwe klas Autobiografisch schrijven ingepland voor 12 oktober 2019 in Utrecht. Meld je aan door een mail te sturen naar info@schrijversacademie.nl.

Geheim Leven – De laatste loodjes – door Carla de Jong

Een redacteur is onmisbaar

Na ruim twee jaar ploeteren op Geheim leven was ik uitgedokterd op het manuscript en brak het moment aan dat ik bij god niet meer wist wat waar stond en het overzicht dreigde te verliezen. Een redacteur is dan onmisbaar. Hij begint met een frisse blik en legt vingers op zere plekken die ik als schrijver niet meer opmerk. Vanaf het moment dat Geheim leven bij de redactie van Ambo Anthos lag, heb ik er samen met hulptroepen nog een half jaar aan gewerkt. Allereerst ben ik met mijn redacteur door de hoofdlijnen van het manuscript gegaan. In Geheim leven loopt het drama door vier generaties. Met hem kon ik diepgaand de psychologie door akkeren: hoe sijpelt het drama door, hoe vormt het de karakters? Daarnaast is een goede redacteur genadeloos en ik had er een: voegt een passage iets toe aan je verhaal en de psychologie van je personages? Zo nee… schrappen. Geheim leven is met grofweg 125 duizend woorden mijn dikste boek. Toch heb ik evenzovele woorden vernietigd.

Geheim leven is met grofweg 125 duizend woorden mijn dikste boek. Toch heb ik evenzovele woorden vernietigd.

Het is tijd…

Ook bij een redacteur komt het moment dat hij het boek niet meer kan beoordelen omdat hij de tekst te vaak heeft doorgenomen. Gelukkig is er dan nog de persklaarmaker die op zinsniveau redigeert en een corrector die de laatste onzorgvuldigheden wegwerkt. Als schrijver lees je ook in die fase nog mee en beslis jij over elke aanpassing in je manuscript. Het totale schrijfproces van Geheim leven heeft drie jaar in beslag genomen. Het is daarmee het boek waar ik het langste aan heb gewerkt en hoe lief het verhaal en zijn hoofdrolspelers me ook zijn, sinds de laatste drukproef eruit is kan ik de tekst niet meer zien. Het is tijd dat anderen zich erover gaan buigen: de lezers. Geheim leven heeft een fraaie jas gekregen en de eerste reacties op het boek zijn zeer positief. Het kan de wereld in, ik laat het los. Op 11 april ligt Geheim leven in de winkel en komt er ruimte in mijn hoofd voor een nieuw verhaal dat al ligt te broeien. Nadenken over het lange proces dat een nieuw boek wacht doe ik niet, voorlopig mag mijn pen zijn gang weer gaan.

Het is tijd dat anderen zich erover gaan buigen: de lezers.

Nieuwsgierig geworden naar Geheim leven?  Koop het boek hier. 

Over Carla de Jong

Carla de Jong studeerde Nederlands, Verpleegkunde en Sociale Wetenschappen. Voor zij haar oude schrijversdroom besloot na te jagen werkte ze in het bedrijfsleven en de psychiatrie. In 2009 debuteerde zij met de zeer goed ontvangen roman In retraiteGeheim leven is haar achtste roman. Carla is docent aan de Schrijversacademie en verzorgt hier de basisopleiding, de specialisaties Thrillers en Romans en Korte Verhalen.

 

Of de schrijver de winter overleeft – door Stefan Popa

101 studenten

Ik heb eens zitten tellen. Inmiddels heb ik met 101 studenten om de Schrijversacademie-tafel gezeten. Hoe schrijf je een goed verhaal? En net zo belangrijk: hoe schrijf je jouw verhaal? 101 studenten! Oké, sommigen waren er maar één module omdat ze een bijeenkomst hadden gemist vanwege neusgriep of een onvoorziene vakantie. Maar toch. Met de meesten sprak ik maandenlang over schrijven. We leerden van elkaar. Studenten werden schrijvers en de schrijver werd weer student.

Hoe schrijf ikzelf eigenlijk?

In 2016 had ik mijn eerste bijeenkomst. Nerveus dat ik was! Ik vertelde de groep over beginzinnen en hoe je een verhaal opstart. Het grappige was dat ik op dat moment ook aan een beginzin werkte. Voor de eerste keer moest ik tijdens mijn eigen schrijfproces het algemene schrijfproces duiden. Hoe schrijf ikzelf eigenlijk? Voor 2016 dacht ik daar niet veel over na. Ik schreef. Dat was mijn proces. Ik hoefde mezelf niets uit te leggen. Ik niette scène aan scène vast, ik schrapte, ik plakte mijn muur vol met post-its. Ik wist wat ik deed, of ik wist in elk geval wat ik wilde doen.

Een nieuwe roman

Ik heb het niet graag over een manuscript dat nog geen boek is. Omdat er nog van alles kan gebeuren. Het kan jaren duren voordat het af is. Als het ooit afkomt. Misschien vind ik het niet goed genoeg. Zulke dingen gebeuren. De 101 studenten vroegen me meer dan eens waar ik aan werkte. ‘Ik werk,’ antwoordde ik dan, ‘aan een nieuwe roman. Het speelt zich af op de Balkan. Maar laten we het vooral hebben over het verhaal waar jíj aan werkt.’ En dan lag de bal (cliché, sorry) weer bij hen.

Het is af. Eindelijk.

Nu kan ik er wél over praten – of bloggen, in dit geval. Vanaf die eerste groep in 2016 tot aan mijn huidige groepen in 2019 heb ik gewerkt aan Of de oleander de winter overleeft, mijn nieuwe roman. Een roman uit het hart, een roman voor het hart. Het is af. Eindelijk. Het is beter geworden dankzij alle 101 schrijvers om de tafels in Utrecht, Amsterdam, Arnhem, Rotterdam en Den Haag. Ik schrapte meer omdat ik hen liet schrappen, ik was scherper omdat ik eiste dat zij scherper waren. Hoe schrijf je een goed verhaal, hoe schrijf ik mijn verhaal? Of de oleander de winter overleeft is mijn antwoord.

Bedankt, 101!

Over Stefan Popa

Stefan Popa is auteur van Verdwenen grenzen, A27 en De verovering van Vlaanderen. Daarnaast is hij freelance journalist / kopijschrijver en natuurlijk schrijfdocent bij de Schrijversacademie. Zijn nieuwe boek ‘Of de oleander de winter overleeft’ is nu o.a. hier te koop.

 

Het 100-woorden doorgeefverhaal van onze Eindhovenklas!

Dat het binnen de Schrijversacademie bruist van de creativiteit bewijzen de studenten van de Eindhovenklas! Met de hele groep schreven zij een doorgeefverhaal: één student begon met een tekst van honderd woorden en dit werd door iedere student met een nieuw stuk van honderd woorden aangevuld. Docente Tania Heimans heeft er vervolgens met de laatste honderd woorden een eind aan gebreid. Lees het hele verhaal hieronder!


Grote boodschap

Door: Cees van den Broek, Stan Morgenstern, Renée van de Kerkhof,
Ellen Kusters, Niek van Kriegenbergh, Pauline Luiten,
Harrie van der Schoot, Ankie Vrolings en Tania Heimans

Natuurlijk viel het met bakken uit de lucht toen hij de buitendeur opentrok en hij vervloekte zijn eigen lamlendigheid die hem de dagelijkse wandeling had doen uitstellen tot na het eten. Een weg terug was er niet meer; het hondje stond tot het uiterste gespannen klaar en keek hem verwachtingsvol aan.
‘Vooruit maar,’ zei hij.
De boerenfox leek dat als een vrijbrief te zien de deur uit te stormen. Hij voelde de riem tussen zijn vingers doorglippen.
‘Verdomme!’ Hij zette de kraag van zijn jas op en stapte de plensbui in, wetend dat het nutteloos was te roepen.
Hendrick zag hoe het hondje de straat op rende en zette de achtervolging in. Nog voordat hij zijn voortuin had verlaten was hij al nat tot op het bot. Waarom heb ik niet snel naar de paraplu gegrepen toen ik naar buiten liep? schoot het nog door zijn hoofd. Maar daar was het nu te laat voor.
Blijkbaar had hij de wandeling te lang uitgesteld want het diertje was al bezig zijn grote boodschap midden op het trottoir van de buurvrouw te dumpen.
Ook dat nog! dacht Hendrick en hij keek om zich heen of niemand meekreeg wat zich hier afspeelde. Schijtjoekel! Eerst weglopen, en nu en plein public, het mestoverschot in Zuidoost-Brabant opkrikken. Holy crap, er kwam geen eind aan deze recordpoging.
Net toen hij de riem wilde pakken draaide Hunter zich om en begon met zijn achterpoten door zijn mestproductie te moonwalken. In een boog vlogen de fledders tegen het raam van Mien, de buurvrouw.
Dat bleef niet onopgemerkt. De deur ging open en luid fulminerend beende de boze buurvrouw op hem af. Op het trottoir aangekomen werd Mien overvallen door de verrassend gladde emulsie van regen en poep waardoor 100 kilo molenwiekend onheil plotseling in Hendricks richting werd gekatapulteerd.
Toen gebeurde het, iets wat maar zelden gebeurde, bij geluk, wanneer Hendrick in een zeer benarde positie geraakte. Hij kon het niet opwekken, hij kon het niet sturen, hij kon het wel hopen maar het gebeurde nooit wanneer hij het wenste, het gebeurde soms wanneer het niet uitkwam en juist dan wanneer hij het niet verwachtte. Maar nu dus. Plotseling leek de tijd te stoppen, de regen viel trager en kwam tot stilstand, de honderd kilo aan buurvrouw bewoog trager en trager. De arme Mien hing in haar vlucht stil in de lucht richting Hendrick gaande als de volle maan aan de sterrenhemel.

Hij kon nu twee dingen doen: maken dat hij wegkwam zonder zich erom te bekommeren dat Mien in die vieze smurrie terechtkwam óf als de wiedeweerga een krant of ander vodje papier op de troep gooien, zodat ze niet compleet onder de derrie zat als ze uiteindelijk op haar derrière smakte. Persoonlijk neigde hij naar de eerste optie, maar ergens in zijn achterhoofd hoorde hij het stemmetje van zijn vrouw: ‘Hendrick, je kunt die arme Mien niet in de stront laten zakken!’ En zoals de meeste mannen gehoorzaamde hij, met frisse tegenzin, zijn vrouw.
In paniek doorzocht hij tevergeefs zijn broekzakken, maar vond alleen een krokant geworden zakdoek, die veel te klein was om Hunters’ hoop te bedekken.
Inmiddels was Mien onzacht geland. Gehuld in een roze duster lag ze krijsend en machteloos spartelend op het trottoir.

De twee ambulancebroeders hadden nog behoorlijk veel moeite om de getergde vrouw op een brancard te krijgen. Schuldbewust zag Hendrick hoe een van de broeders plots naar zijn blauwe, bruin bevlekte handschoenen en daarna weer naar Mien keek: ‘Geeft niets hoor mevrouwtje, dat kan de beste overkomen. In het ziekenhuis zullen ze u wel verschonen.’
Hendrick stond in dubio, moest hij als de wiedeweerga naar huis, zijn auto pakken, en naar het ziekenhuis racen, om zijn besmeurde buurvrouw psychisch bij te staan, wat waarschijnlijk gepaard zou gaan met een scheldkanonnade van haar kant, of kon hij beter de poetsspullen uit de schuur halen en de stoep en ramen van Mien een grondige beurt geven.
De ‘oorzaak’ van deze ellende stond ondertussen bij de voordeur te blaffen. Hij had het buiten wel gezien, en wist dat er binnen bij de verwarming een heerlijk kussen op hem lag te wachten waar hij de rest van de ochtend slapend door zou brengen. Hij wel.

Hij lag nog geen half uur op bed toen Jeannette hem wekte.
‘Hendrick! Er staat beneden een hysterische Mevrouw Kwetters. Ze raaskalt iets over hekserij.’
De laatste keer dat hij zijn vrouw zo in paniek had gezien was toen hun oudste zoon een vriendin kreeg. Een actrice, wiens naam op Google veel hits gaf. Hendrick had zijn vrouw uitdrukkelijk afgeraden om op Pornhub-linkjes te klikken. Tevergeefs.
In de hal trof Hendrick een uitzinnige overbuurvrouw aan.
‘JIJ…! Blijf bij mij vandaan!’ riep ze met veel kracht en consumptie. ‘Ik heb wel gezien wat jij allemaal met Mien Doosje hebt uitgespookt…’
‘Mien doosje? Mens waar heb je het over? Ik heb niets met jouw doosje uitgespookt.’
Mevrouw Kwetters, die haar naam echt eer aandeed, kwetterde maar door. ‘Ja jij, speel maar weer de onschuldige, jij en die stomme keuter van je.’
Haar gezicht liep paarsblauw aan, net als haar dubbele kin; een met wratten bezaaide rimpelige massa vel, die imponerend op en neer bewoog, als de lel van een kalkoen.
In gedachten zag Hendrick haar plots naakt voor zich – heur doosje – een vreselijk beeld.
Dreigend ging ze verder: ‘Je stond godverdomme gewoon met je handen in je zakken te graaien, terwijl die arme Mien onderuit ging.’
Ja, daar had ze een punt. Veel had hij niet ondernomen. Hendrick, wat ben je toch een luiwammes! het was zijn door Jeanette gezongen levenslied geworden. En toch. Toch school er in hem een onbedwingbare kracht. Een kracht die Mien Doosje even als een zeppelin boven het trottoir had laten zweven. Ook mevrouw Kwetters had het gezien. Voor het eerst in haar leven keek ze met ontzag en zelfs angst naar hem. En op dat moment wist Hendrick dat hem een grote toekomst wachtte.
Woordeloos knikte hij naar Hunter.
Zijn hond begreep hem meteen.
En samen renden, nee, stormden ze de regen in.

De houdbaarheid van eeuwige roem (4) door Hetty Kleinloog

Vondel heeft een park, PC Hooft een straat , Erasmus een brug en ik een stofzuiger.
Je hoort mij niet klagen, ieder z’n plek, ik weet het. Wacht maar tot ik dood ben, luidt de geestige titel van een autobiografie van Annie MG Schmidt, en zo voelt het wel een beetje. Of niet. Hoe belangrijk is succes en eeuwige roem nou eigenlijk echt?

Toen ik in 2001 schrijfauditie deed voor de soap Onderweg naar Morgen en het erop leek dat ik aangenomen zou worden, was ik helemaal hieperdepieper. Voor televisie schrijven!  Tv, dat was een andere wereld, als je dat toch eens kon bereiken!
Ik werd aangenomen en al na drie maanden had het schrijven voor televisie zijn magische glans verloren en was het gewoon een leuke baan.
Inmiddels heb ik al voor veel televisieseries geschreven, zat ik negen jaar in de kerngroep van prijzenwinnend Spangas, heb ik onlangs met Dick van de Heuvel een ‘eigen’ serie, Kameleon, geschreven.  In de ogen van anderen zie ik soms dat dit bijzonder is. Zelf voel ik dat niet meer.  Anderen zien je als succesvol. Voor mezelf blijf ik onveranderlijk de aanmodderende, perfectionistische, het-kan-beter ik.

In de spiegel zie ik geen cv.

Dat is geen valse bescheidenheid en ik ben ook niet blasé. Ik ben erachter gekomen dat geluk om succes gewoon niet zo duurzaam is.  Een uur jubelen, een paar dagen blij zijn en na een week is het gevoel nauwelijks nog op te roepen.  Soms probeer ik  euforie te reanimeren door drie keer een mail met een compliment te herlezen.  De vierde keer voel je je als een kind die een wandelende tak in een potje niet in leven weet te houden.Dat is niet erg, behalve als een wandelende tak alles is wat je hebt

Als ik schrijf voel ik me happy, zelfs als ik wanhopig worstel. Op mijn website schreef ik jaren geleden:  “Dialogen, strips, liedjes, speeches, kattenbelletjes, brieven… Elke keer weer vinden woorden mij als ik ze zoek. Ik weeg, proef, voel en pieker. En dan staat er een tekst die weergeeft wat ik bedoel. Het schrijfproces brengt mij elke keer weer een diep gevoel van geluk en verbazing.”

Dat ervaar ik nog steeds zo. Het is duurzamer dan applaus en elk moment van de dag oproepbaar

Wat ik als oudblonde schijfster van bijna 60 adviseer aan wie het mij vraagt (is nog nooit gebeurd, dus ik dring het bij deze op):

Schrijf niet omdat je denkt dat ‘iets het goed zal doen’.  Ook niet om ‘iemand’ te zijn.  Als een goedkope batterij loop je in een mum van tijd leeg als je door complimenten bent opgeladen.  Schrijf omdat het moet. Van jezelf en van niemand anders. En omdat je het jezelf gunt.

Ik heb geen park, straat of brug en die zal ik naar alle waarschijnlijkheid ook niet krijgen. Ik heb plezier in het schrijven en het vermogen om van mensen te houden. En, natuurlijk heb ik een stofzuiger die naar mij genoemd is: de Hetty.

Over Hetty Kleinloog

Foto door: Hadewych Veys

Hetty Kleinloog is auteur, scenario – en toneelschrijver, tekstdichter, dramadocent en regisseur. Na haar opleiding aan de theaterschool heeft ze gewerkt als creatief leider, auteur, regisseur en tekstdichter. Sinds 2000 schrijft Hetty televisiedrama en werkt ze als dialoogschrijver, storyliner en eindredacteur mee aan tv-series als ONM, Lotte, Spangas, Malaika, Tita Tovenaar, GTST, De Spa en Kameleon. Daarnaast schrijft Hetty liedteksten voor diverse muziektheatervoorstellingen en heeft ze plots en dialogen geschreven voor Jan, Jans & de kinderen. Volle bloei is haar romandebuut.

 

 

Verboden woorden – Door René Appel

Er zijn woorden die je volgens mij als schrijver in een boek voor volwassen lezers nooit moet gebruiken. Hieronder volgen enkele zinnen waarin de betreffende woorden voorkomen. Voor het gemak zijn ze gecursiveerd:

  • Met grote stappen beende hij de kamer uit. (Je gebruikt toch ook niet ‘handen’ voor het werkwoord ‘pakken’?)
  • Ze plofte neer op de bank. (Hoezo ploffen? Misschien mag het in een boek voor meisjes van 12-15 jaar, maar elders niet.)
  • Langer dan een uur zaten ze gezellig te kletsen. (Waarschijnlijk op die bank waarop ze eerst waren neergeploft; de combinatie ‘gezellig’ en ‘kletsen’ bezorgt mij überhaupt koude rillingen.)
  • Hij smeet zijn kleren op de grond. (Hoezo smijten als je ook kunt gooien?).

Waarom zijn deze woorden verboden, waarom mogen ze niet? Daar is uiteraard geen objectieve reden voor. Ik vind ze simpelweg lelijk, niet-passend in literatuur en daarom storen ze mij als lezer. Ik weet het, als je bijvoorbeeld al twee keer achter elkaar het woord ‘lopen’ hebt gebruikt, is het verleidelijk om als er weer een personage zich op zijn voeten in een bepaalde richting voortbeweegt, ‘lopen’ te vermijden en te kiezen voor ‘benen’. Maar lelijk blijft het.

Wat ik ook lelijk vind (minstens zo subjectief) is het gebruik van zeer versleten uitdrukkingen. Als taalpolitie-agent verbied ik dus zinnen als:

  • Hij probeerde zijn beste beentje voor te zetten.
  • Ze was echt een huisje-boompje-beestje-vrouw.
  • Gelukkig kende gezelligheid geen tijd en we bestelden nog zo’n goudgele jongen met een witte kraag.

Proost!

Over René Appel

foto: Merlijn Doomernik

René Appel (1945) is auteur van misdaadromans en geldt als de godfather van de Nederlandstalige psychologische thriller. Vorig najaar vierde hij zijn 25 jarig jubileum als auteur en in die tijd heeft hij even zoveel boeken geschreven.

Onlangs verscheen van zijn hand De advocaat. René Appel is lid van de Raad van Advies van de Schrijversacademie.

‘In mijn boeken moet het allemaal helemaal misgaan, het gaat van kwaad tot erger. Of zeg maar gerust: ergst, want er moet altijd minimaal één personage het loodje leggen.’

Schrijfhuisje Volle bloei (1) door Hetty Kleinloog

Je bent Amsterdamse in hart en nieren of je bent het niet. Maar toch, maar toch…

Eten zwanen kikkers? Dat vraag ik me af als ik op een steiger voor mijn nieuwe tuinhuisje het uitzicht over de polders bewonder.  Een kikker zwemt in schoolslag voorbij, de vogels fluiten en ik ben intens gelukkig met mijn houten schrijfpaleis op een stukje grond van 400 m2.

Ik moet er even bij vertellen dat ik geboren en getogen Amsterdamse ben en in hartje Jordaan woon, op één hoog in de smalle Boomstraat-zonder boom. Ik moet de deur uit om te kunnen zien wat voor weer het is.  Als ik in mijn werkkamer zit te schrijven zie ik aan de overkant een huis met een gevelsteen met een ster, een kroon en ‘1668’.  Vanuit mijn raam zie ik groepen Japanners, honden, fietsen, soms zelfs een koets met toeristen, hier en daar een gezellige buurvrouw, maar nooit een wolkenlucht. Je hoort me niet klagen. Je bent Amsterdamse in hart en nieren of je bent het niet. Maar toch, maar toch…

Huisje, privacy, rust

Een paar maanden geleden snakte ik ineens naar natuur. Niet zomaar natuur, maar míjn natuur, waar ik verstand van zou krijgen. Een klein huisje op een paradijselijke stek, op en top geschikt voor het schrijven van mijn volgende roman.

Volle bloei, dat vanaf 8 juni in winkel ligt (!), heb ik geschreven op Sardinië, in de Algarve, in een heuse ‘kluis’  in een klooster in Brugge en in Callantsoog. Ik móet de deur uit om de afzondering te vinden om ‘grootsche’ dingen op papier te kunnen zetten. Dat klinkt vreselijk aanstellerig, ik weet het, maar ik heb het mezelf aangepraat en ik kom er niet meer vanaf. Rust, afzondering, geen afleiding: mijn vereisten om te kunnen creëren.

“Ik schrijf zelfs in de trein,”  hoorde ik Arnon Grunberg in Kijken in de ziel vertellen. Ik dacht: natuurlijk, de ware auteur kan het overal.  Mijn vader vertelde mij als kind al over Multatuli, die in de vrieskou op een zolderkamertje met bloemen op de ruiten met een potloodstompje de Max Havelaar schreef.  Dát was het echte schrijverschap.

Met dit in mijn achterhoofd sprak ik mezelf streng toe, greep me bij de kraag en kwakte me voor mijn computer. En nu schrijven, jij. Tien procent inspiratie en negentig procent transpiratie, weet je nog?  Niet piepen, typen!

Ik tikte de titel van mijn tweede roman. Volle kracht. Zo, dat stond. De wasmachine in de bijkeuken sloeg af, hoorde ik. De was moest in de droger, dat kon niet wachten. Ik ging weer zitten. Er werd aangebeld. Of ik een pakje van de buren wilde aannemen.  Dat is fijn, een schrijver als buurvrouw. Die is altijd thuis. Ik ging weer zitten. De huistelefoon rinkelde. Alleen mijn moeder (94) belt nog op mijn huistelefoon. Na ons gesprek “Heb je Hendrik Groen gezien? Enig hè?”  nam ik voor de derde keer plaats en… typte de zoekopdracht: huisje, privacy, rust.

v.o.l.l.e.b.l.o.e.i.

In Het Groene Hart, op slechts dertig minuten rijden van Amsterdam, staat een stulpje, dat ik sinds vorige week de mijne mag noemen.  Ik heb tien houten letters gekocht die ik in alle kleuren ga schilderen en op de wand wil schroeven: v.o.l.l.e.b.l.o.e.i.  Mijn schrijfhuisje Volle bloei.
De knoppen van de populieren en de rododendrons staan op het punt om open te barsten, narcissen, blauwe druif en hyacinten kleuren en geuren, in de verte rent een konijn waarvan me verteld is dat het een haas is, klapwiekende zwanen vliegen verliefd voorbij.

Daar zit ik tussen,  in het zonnetje, genietend van het uitzicht. Mijn groene hart klopt kalm en ik neem me voor me meer in zwanen en kikkers te verdiepen.
En dat boek? Dat boek komt er.  Afzondering, rust en een leeg, leeg hoofd.

De kikker die rustig terug zwemt – intrekken, spreid, sluiten – heeft er vertrouwen in. Hij zegt: “Kwaak kwaak”. Dat betekent: “Goed gedaan, schrijver.” Voor de zekerheid waarschuw ik hem voor de zwaan en ik roep dat ik het met hem eens ben. Goed gedaan. Kwaak.

Over Hetty Kleinloog

Foto door: Hadewych Veys

Hetty Kleinloog is auteur, scenario – en toneelschrijver, tekstdichter, dramadocent en regisseur. Na haar opleiding aan de theaterschool heeft ze gewerkt als creatief leider, auteur, regisseur en tekstdichter. Sinds 2000 schrijft Hetty televisiedrama en werkt ze als dialoogschrijver, storyliner en eindredacteur mee aan tv-series als ONM, Lotte, Spangas, Malaika, Tita Tovenaar, GTST, De Spa en Kameleon. Daarnaast schrijft Hetty liedteksten voor diverse muziektheatervoorstellingen en heeft ze plots en dialogen geschreven voor Jan, Jans & de kinderen. Volle bloei is haar romandebuut.

www.kleinloog.eu

http://uitgeverijmarmer.nl/

Je verhaal is af. Hoe nu verder? – Kathy Mathys

‘Je zal wel opgelucht zijn.’ Dat zijn de woorden die ik het vaakst te horen krijgt, wanneer ik vertel dat mijn tweede boek af is. Over minder dan drie weken zal ik het eerste exemplaar thuis ontvangen en begin februari ligt Verdwaaltijd in de winkel. Opluchting? Niet echt. Onwennigheid, nervositeit, dat wel. Het zijn nooit schrijvers die spreken van opluchting. Die stellen me andere vragen: of het nog gaat met de zenuwen. Of ik al met iets nieuws ben begonnen.

Ik mail naar een collega die in dezelfde fase zit als ik. Haar nieuwe roman verschijnt ook over enkele weken. Ik vraag haar hoe ze omgaat met de stress en de onzekerheid omtrent de ontvangst. Ze antwoordt dat ze een stresspiek verwacht over enkele weken, dat ze weet dat enkel een nieuw project diezelfde stress op afstand kan houden. Toch lukt het haar niet om een naadloze overgang te maken tussen twee boeken. Nochtans heeft ze meer dan voldoende vertelstof.

Ook ik heb ideeën zat. Ik ben zelfs al aan een nieuwe roman begonnen, ergens in de maand november. Ik was het gepriegel op de vierkante centimeter – onvermijdelijk aan het eind van het schrijfproces – beu en wilde een groter gebaar maken. J.M. Coetzee schreef eens in een stuk voor de Guardian dat je beter pas aan een nieuw project begint wanneer iets volledig af is. Daar valt uiteraard iets voor te zeggen. Zo vermijd je dat je aan het eind met vijf halve verhalen zit. Toch dreigt er een ander gevaar: dat van het zwarte gat na afronding.

Voor de Vlaamse krant De Standaard interview ik al jaren Angelsaksische auteurs. Ik vraag hen dikwijls naar hun schrijfproces. Lydia Davis, schrijfster van korte verhalen, vertelde me over haar map met aanzetten, flarden, zinnen. Zij zal nooit zonder verhaalstof vallen. Lauren Groff, schrijfster van de roman Furie en fortuin werkt het liefst aan twee boeken tegelijk. Als het ene boek haar te zwaar valt (technisch of emotioneel), dan loopt ze naar de andere kant van haar studio, waar de tijdlijn van haar tweede boek in wording aan de muur hangt.

De meeste auteurs slagen er niet in om simultaan aan twee romans te werken. Een roman combineren met een non-fictieboek of met enkele korte verhalen, dat lukt velen wel. Ik heb nog maar een keer een schrijver ontmoet die niet één idee had voor een volgend boek. Dat was Hanya Yanagihara, schrijfster van Een klein leven. Ze vond dit helemaal niet erg. Meer nog, het leek alsof ze opgelucht was: het schrijfproces van Een klein leven was slopend geweest. De anderen die ik sprak hadden een of meerdere ideeën op de plank liggen. Gelukkig maar.

Ik denk dat het slim is om tijdens het schrijfproces van het ene verhaal alvast flarden en invallen te noteren voor een volgend. Het best bewaar je die voor het moment waarop je boek/verhaal bijna in de eindfase zit.

En vind je niet meteen een nieuw idee? Zoek dan naar inspiratie in Room to Write van Bonni Goldberg of The Pocket Muse van Monica Wood. Of ga opruimen. Ben ik ook aan het doen. Altijd een goed idee aan het eind van een lange reis. Je huis zal er netter uitzien en opruimen is vaak een eerste stap in de richting van de schrijftafel. Immers, ook schrijven is een vorm van ordenen, opruimen, rangschikken.

Over Verdwaaltijd! Kathy Mathys is schrijfster en literair journaliste.

 

Met de tram – Trudy Admiraal

Het lag al een tijdje op de plank, het prentenboekverhaal dat ik schreef als eindopdracht van de specialisatie Kinderboeken. Over een bijdehand jongetje in de Amsterdamse tram; een roadmovie (want daar hou ik zelf zo van) voor kleintjes. Mijn docent uit die tijd, Jowi Schmitz, vond het verhaal zó leuk dat ze het stiekem naar een uitgever stuurde. Ik ben er zelfs op gesprek geweest maar het lukte de uitgever niet een illustrator te vinden die tijd / inspiratie had.

Ondertussen was ik druk met boeken schrijven in opdracht (non fictie) en andere schrijfopdrachten, ik ben zzp’er. Vorig jaar heb ik een eigen boek uitgegeven: Heen & Weer, interviews met mensen die een historisch veerpontje hebben gekocht, samen met fotograaf Martijn Gijsbertsen gemaakt. Daar heb ik een eigen uitgeverij voor opgericht: Editie does. (Lang verhaal, bestaande uitgeverijen vonden het een prachtig project maar wilden het alleen uitgeven als wij het gingen betalen…)

Afgelopen voorjaar had ik zin in een nieuw project. En toen dacht ik aan dat kinderboekverhaal. Ik kende Brian Gunther nog van vroeger, hij is professioneel cartoonist en striptekenaar. Zijn stijl spreekt kinderen enorm aan. Hij vond het een leuk verhaal, we maakten samen een storyboard en Brian bracht de zomer door achter zijn tekentafel.

Het is hartstikke leuk om zelf een boek te produceren, je moet aan duizend dingen tegelijk denken, ik ben er zoet mee!

Want als het boek er dan is, begint het eigenlijk pas goed. Als uitgever moet ik er ook voor zorgen dat het wordt gekocht. Voor dit boek heb ik me aangesloten bij de Vrije Uitgevers, een cluster van kleine uitgeverijen, zodat ik nu een goedkopere aansluiting heb bij het Centraal Boekhuis. Het boek is op tijd gedrukt, het is leverbaar via de boekhandel en mijn webshop zodat elk kind het nog van Sinterklaas kan krijgen.

Ik heb samen met Esther (vriendin die ik leerde kennen op de Schrijversacademie!) vrijwel elke boekhandel in de wijde omtrek benaderd, de conducteurs van Lijn 13 gaan flyertjes uitdelen, ik zit sinds kort op facebook en heb een leuke boekpresentatie kunnen organiseren bij Hotel Buiten, de nieuwste hotspot aan de Sloterplas in Amsterdam, uiterst kindvriendelijk. Kom gezellig langs zaterdag 25 november van 12 tot 13 uur!

Natuurlijk heb ik ook persberichten gestuurd naar verschillende bladen en dat is aardig opgepikt. Deze week staan er interviews met mij in Stadsblad De Echo en de Westerpost (lokale bladen in Amsterdam) en zaterdag vind je me in de bijlage Vrij van de Telegraaf! Ook voor het decembernummer van MUG Magazine ben ik geïnterviewd, erg leuk en spannend om eens aan de andere kant van de tafel te zitten!

Trudy Admiraal

Over het boek: ‘Met de tram!’

Met de tram! wordt uitgegeven door Uitgeverij Editie does die is aangesloten bij De Vrije Uitgevers.  Het boek is binnenkort verkrijgbaar via de boekhandel en de webshop van de uitgeverij.

De vaste boekenprijs bedraagt 12 euro.

Harde kaft, 28 pagina’s FC, liggend formaat 28×21 cm. ISBN: ISBN  978-90-825744-1-8.

 

Inspiratie overal – Nicolyn Dijkstra

“Wat vind je van mijn preiplanten? Die heb ik als kleine griffeltjes in de grond gezet en moet je nou eens kijken!” Ik kijk mijn vader enthousiast aan en vergeet helemaal om zijn zelfgekweekte groente te bewonderen. ‘Als kleine griffeltjes’, wat een prachtige beeldspraak! Houten schoolbanken, Ot en Sien, leren schrijven op een lei. Ik ben even in een andere eeuw.

Vlak na een vakantie sta ik altijd het best in contact met mijn gevoel. Als ik midden in mijn werk zit dan draai ik maar door, als een hamster in een tredmolen. Maar in de loop van een vakantie zie ik altijd heel helder wat ik belangrijk vind. Dat is het moment dat ik vooruitkijk, nadenk over waar ik sta en hoe ik verder wil.

Ik werk al bijna twintig jaar in het communicatievak, in allerlei disciplines. De laatste tijd bekroop me steeds vaker het gevoel dat ik veel van mijn tijd besteed aan de dingen die ik nou eenmaal door de jarenlange ervaring goed kan. Maar dat zijn niet per sé de dingen waar ik de meeste energie van krijg. Daarom ben ik twee maanden geleden begonnen aan de Schrijversacademie. Schrijven doe ik al langer en vind ik geweldig om te doen. Maar ik miste een lijn, kaders. Ik wil er meer mee, maar waar begin je dan? Min of meer toevallig kwam ik deze opleiding tegen en ik wist het meteen: heerlijk, ik ga nieuwe dingen leren!

De kip met kuikentjes die zich zo lekker veilig voelt in de stal van de lievelingspony van mijn dochter inspireert tot een column over mijn eigen kinderen. De vakantie van mijn vrienden naar Nevada resulteert in een blog over hun deelname aan het Burning Man Festival. Met stof op vreemde plaatsen, een beker aan hun riem en een open mind dansten ze een week lang door Black Rock City, de tijdelijke woongemeenschap die jaarlijks ontstaat in de woestijn. Een bezoek aan de schoenmaker die zijn winkel gaat sluiten, leidt tot een artikel over duurzaamheid. “Mensen laten hun schoenen niet meer maken”, verzuchtte hij, “voor een paar tientjes kopen ze liever nieuwe.” Onze wereld gaat zo ten onder aan overconsumptie, met uitputting van grondstoffen en luchtvervuiling aan de ene en een afvalprobleem aan de andere kant. Mijn paardrij-instructrice die vertelt dat ze vroeger rijles had van ene meneer Helden, die met een grote megafoon vanuit de kantine instructies naar zijn leerlingen brulde. Als je het niet goed deed, dan balkte hij: “Je hebt toch geen blubber in je laarzen?” Doodsbang was ze voor hem.

Al deze thema’s bieden haakjes voor een mooi verhaal en dagelijks raak ik meerdere keren geïnspireerd. De kaders die ik zoek, ga ik zeker vinden in deze opleiding. En voor een gebrek aan inspiratie hoef ik niet bang te zijn, die is duidelijk overal. Wat rest is een vraag aan mezelf: Over groente is natuurlijk veel te zeggen, maar wat wil ik nou eigenlijk het liefst vertellen?

Over de auteur

Nicolyn Dijkstra woont met man Robin, zoon Ruben (12) en dochter Jules (10) in Den Haag. Ze is eigenaar van HAAG communicatie & talen van waaruit ze communicatieopdrachten uitvoert voor diverse bedrijven. Ze spreekt vloeiend Spaans, Duits en Engels en brengt het liefst zo veel mogelijk tijd in Spanje door. Ze kookt graag voor vrienden en houdt van paardrijden, skiën, boeken lezen én schrijven. Ze begon in 2017 aan een opleiding aan de Schrijversacademie.

 

Titels – René Appel

De Titel

Soms heb je hem meteen, de titel voor een boek of voor een verhaal, maar een andere keer is het zoeken, brainstormen met anderen, de tekst nog een lezen, verschillende ‘kandidaat-titels’ opschrijven en dan is het eindresultaat soms nog onbevredigend. Vroeger was het makkelijk. Toen heetten romans over het algemeen naar hun hoofdpersoon. Denk bijvoorbeeld aan Ferdinand Huyck van Jacob van Lennep of Julia van Rhijnvis Feith. Een enkele keer maken tegenwoordig auteurs nog wel eens gebruik van die mogelijkheid, zoals Annie van Kees van Kooten en Joe Speedboat (een bijnaam natuurlijk) van Tommy Wieringa.

Hoofdpersoon

Een andere mogelijkheid is het ‘omschrijven’ van een van de hoofdpersoon: De asielzoeker van Arnon Grunberg, De bastaard van Manon Uphoff of zelfs met twee hoofdpersonen De dokter en het lichte meisje van Simon Vestdijk. Een belangrijke emotie, die als het ware het hele boek kleurt, kan ook als titel worden gebruikt, zoals Troost van Ronald Giphart, Brandende liefde van Jan Wolkers of Oud en eenzaam van Gerard Reve. De situatie waarin een (deel van het) verhaal zich afspeelt komt soms terug in de titel, bijvoorbeeld in W.F. Hermans’ Onder professoren, Kees van Beijnums Het verboden pad of Adriaan van Dis’ Indische duinen.

Het is natuurlijk volstrekt subjectief, maar sommige titels zijn ronduit mooi (vind ik tenminste), zoals Onder het plaveisel het moeras of Asbestemmingen, beide van A.F.Th. van der Heijden. Die laatste is natuurlijk zo fraai omdat een lezer de neiging heeft om hem in eerste instantie te lezen als: Asbest-emmingen, en niet als As-bestemmingen.

Samenstelling

Betrekkelijk recent zijn de nieuwe samenstellingen, in feite neologismen, die als titel dienen, bijvoorbeeld Schaduwkind (P

.F. Thomése), Sneeuwbeeld (Thomas van Aalten) en Lekhoofd (Haro Kraak). Vaak zijn dat termen die in het verhaal al een keer worden gebruikt, en dan bij wijze van spreken promoveren tot titel. Ook hedendaags zijn zogenaamde teksttitels, soms hele zinnen, zoals Renate Dorresteins Mijn zoon heeft een seksleven en ik lees mijn moeder Roodkapje voor of Mensen die ik ken die mijn moeder hebben gekend van Arjen Lubach. Maar hoezo hedendaags? kan iemand tegenwerpen. Van Louis Couperus verscheen immers in 1906 al Van oude menschen, de dingen die voorbij gaan. En om dit stukje rond te maken: hij schreef ook een beroemd boek met de naam van de hoofdpersoon als titel, Eline Vere.

Heb jij een brandende vraag voor René Appel? 25 november kan je hem stellen op de studiedag van de Schrijversacademie. Klik hier voor meer info over de studiedag. Bel 0881630088

Over de auteur:

René Appel is lid van de Raad van Advies van de Schrijversacademie. René Appels eerste misdaadroman werd

gepubliceerd in 1987, Handicap. Daarna verschenen nog veel andere romans en korte verhalen. Vele malen werd een boek van hem genomineerd voor de Gouden strop, de prijs voor het beste Nederlandstalige spannende boek, en twee keer werd een boek bekroond: De derde persoon in 1991 en Zinloos geweld in 2001. Schone handen werd in 2015 succesvol verfilmd met in de hoofdrollen Thekla Reuten en Jeroen van Koningsbrugge. René Appel is ook de auteur van Spannende verhalen schrijven, over de wijze waarop schrijvers spanning kunnen aanbrengen in hun verhaal. Onlangs verscheen van hem Joyride en andere spannende verhalen 

 

Vakantiepret in het Oostblok – Manna Mulder

Vlak voor de zomervakantie beëindigde Manna Mulder de module Romans en korte verhalen bij Emile Hollman (Boek: Zilver en Antraciet). Op een terras bij Bäckerei Emill Reimann in Dresden wordt zij aan hem herinnerd.

Vakantiepret in het Oostblok

Na een hoop gehakketak waren we er uit:  Paardrijden in Tsjechië .

Op naar de Oostblok, waar ‘mama vroeger graag naar toe ging.’  Odé, de oudste dochter, en de tweeling Enzo, en Jodé, respectievelijk zoon en dochter, en Rudi het hondje. Vader hield het voor gezien na dertig jaar vakantie, auto in-en uitpakken. Vader ging lekker thuis vakantie vieren, en werken.

Na het passeren van de Tsjechische grens trokken alle denkbare wolken samen en stortte zich leeg boven het land. Wij reden stug door, op weg naar de eerste halteplek, het buitenverblijf van mijn vriendin sinds éénenveertig jaar. Wij hadden elkaar lang niet gezien. Onderweg ontvingen wij een sms dat haar wc het begeven had, we konden onze boodschap achterlaten in een Tsjechische Dixie, op het centrale dorpsplein, maar wel vóór 19 uur.

Te laat.

Bij haar aangekomen werd ons verblijf opgevrolijkt door naast een niet werkende wc ook een niet werkende kraan en verlichting via stekkerblok naar stekkerblok. De tand des tijds had niet alleen aan ons geknaagd maar ook aan het huisje. Desalniettemin was het verblijf fijn. Het uitzicht op het stuwmeer prachtig, en de lucht trok in de volgende dagen open.

De volgende stop was de paardenboerderij, een tóp plek van een Nederlands echtpaar dat negen jaar geleden hun eigen ‘Ik vertrek’ in de praktijk bracht. Een prachtige hoeve in Bohemen waar de kinderen hun hart ophaalden door de ene dag op Winny en de volgende dag op Sjonnie te rijden.

Zij stond in de bak ofwel in een zomers topje, of in een Unce upon a time in the west-kostuum. Niet als verkleedpartij, puur praktisch. Hij verzorgde vol liefde de ontbijtjes. De kinderen reden dat het aard had. Altijd met zijn drieën en soms met nog een onbekende erbij. Als kleine kinderen genoten ze van hun eigen ponykamp. Ze mochten zelfs de bossen in en zo zag ik ze in de verte verdwijnen, als cowboys, in een trage tred tussen de bomen door. Voor de laatste week had ik een mooi sanatorium ontdekt in Zuid Polen. En in tegenstelling tot mijn verwachting dat het oud zou zijn, was het spiksplinter nieuw.

Niet eens af zelfs.

We meldden ons bij de receptie en werden opgevangen door een alleen Pools sprekende receptioniste van een jaar of vijftig in hotpants, zwaar opgemaakt en met een te strak bloesje aan. Met handen en voeten verkregen wij de benodigde informatie.

Omdat wij met zijn vieren waren, hadden we twee kamers en moesten een verdeling aanbrengen wie met moeder op de kamer moest slapen. Na tossen werd het Enzo. Met een lang gezicht nam hij zijn intrek. Daarna daalden wij af naar de kelder om tot etenstijd van het zwemparadijs in het hotel gebruik te maken. Een langgerekt zwembad met zachte opgekrulde plastic tafelkleedbekleding en een zwarte vetrand langs de waterspiegel. Een bubbelbad dat de hele badruimte verlichtte samen met het licht dat door de glazen parterrevloer van het hotel scheen.

We badderden wat.

Om halfzes betraden wij het eetwalhalla. Tientallen mensen, overwegend boven de zeventig en Russisch, Pools of Duits, liepen af en aan langs het buffet en schepten hun borden torenhoog op.  Het was hilarisch. Wij aten niet alleen met onze mond, maar ook met onze ogen. Ik waande me in een Fellini-film.

Een gevoel van ‘oude tijden herleven’ overviel mij. En rust gaf het. Mijn kinderen dachten daar heel anders over. En na ons vertrek en een bezoek aan nog een Pools, vervallen, hotel hadden zij het wel gezien. We kortten de vakantie in en met ‘gierende banden’, zoals Odé het noemde, scheurden wij westwaarts, het Westblok in, op naar Dresden.

En daar zit ik dan, An der Frauenplatz, wachtend op mijn shoppende kinderen aan een kopje koffie.  Gadegeslagen door een strenge mus, naast de opdruk opmijn kopje, Emile Hollman. Lees ik het goed?Ik kijk nogmaals…Emill Reimann.

Over de auteur:

Manna heet ik, geboren midden jaren vijftig in deze hoofdstad uit een journalist als vader en een verpleegster als moeder. Inmiddels wees. Zelf moeder van een behoorlijk gezin, echtgenote. Ex-leerkracht. Reeds anderhalf jaar blije student aan deze opleiding bij de Schrijversacademie, met gelukkig nog een aantal modules in het verschiet! Schrijven geeft mij rust.

blogfoto-schrijversacademie-oktober-2016

Ultiem geluk : schrijfdocent Peter van Beek

Ik ben verslaafd aan autorijden in mijn klassieke Volvo P121, ook wel Amazon genoemd. De Volvo uit 1968 is inmiddels een dame van bijna vijftig jaar oud. Ze oogt echter nog altijd strak.  Dat vraagt technisch en cosmetisch onderhoud. Gelukkig helpt de reiAfbeeldingsresultaat voor Volvo P 121 donkerblauwskostenvergoeding van de Schrijversacademie om de auto in goede staat op de weg te houden. Ik rijd voor de Schrijversacademie immers het hele land door.

De Amazon staat regelmatig te pronken in de Kerkstraat in Den Haag, in een parkeergarage op Zeeburg in Amsterdam of op de parkeerplaats van het Dominikanerklooster in Zwolle. Ook Groningen, Rotterdam en Utrecht  bezoek ik regelmatig om les te geven. Soms heb ik een ochtendsessie in Utrecht en rijd ik daarna door naar Groningen. Dat zijn de mooiste dagen van mijn leven. Op zo’n dag toer ik een gelukzalige 500 km.

Alles bij elkaar tuf ik meer dan 10.000 km per jaar voor de Schrijversacademie. Ik doe dat graag, want ik vind niets aantrekkelijker dan in mijn Volvo rijden, behalve uiteraard het lesgeven aan de studenten van de Schrijversacademie. Dat is nog boeiender.  Ik ben een gezegend mens:  de Schrijversacademie zorgt ervoor dat mijn verslaving aan autorijden op peil blijft én vraagt mij overal in het land les te geven. Die combinatie is voor mij het ultieme geluk.

Over de Auteur

Schrijfdocent Peter van Beek (1958) heeft een ruime onderwijservaring in het voortgezet en hoger beroepsonderwijs. Daarnaast schreef hij vele interviews met auteurs en human-interest-artikelen voor de dag- en weekbladen. Voor de interviews maakte hij zelf de fotoportretten.

Peter van Beek heeft drie thrillers geschreven: Drift, Moordeiland en Zondvloed. In mei 2018 verschijnt zijn nieuwste boek: Slagzee.

Storytelling – Een fantastisch middel

‘Ik hoefde mijn kinderen niet te straffen. Ik had een fantastisch middel: het verhaal,’ zei Jan Terlouw onlangs in een interview in het NRC. Terlouw vertelde zijn kinderen verhalen om hen te leren nadenken over morele kwesties en om hen te laten zien hoe belangrijk het is om de drijfveren van iemand te kennen.

Ook bij de opleiding Storytelling gebruiken we verhalen om mensen iets duidelijk te maken, maar dan op een zakelijk vlak, bijvoorbeeld om jezelf als ZZPer op de kaart te zetten, of om het belang van een verandering binnen je bedrijf kracht bij te zetten of om je werknemers met hun neuzen dezelfde kant op te laten wijzen. Eerlijkheid staat daarbij hoog in het vaandel. Voordat je daadwerkelijk gaat schrijven, zal je eerst inzicht moeten krijgen in je eigen drijfveren. Dat betekent met de billen bloot en dat is niet altijd makkelijk. Weerstand, uitstelgedrag, blokkades: het hoort er allemaal bij.

Als je de hobbel eenmaal genomen hebt, is ‘the sky the limit’.

Zo schreef een van mijn studenten in een motiveringsspeech voor haar medewerkers hoe zij zelf het enthousiasme in haar werk was kwijtgeraakt en hoe ze dat vervolgens had teruggevonden, een andere student schreef een thriller over het wateronderzoek dat haar bedrijf deed. En weer een ander combineerde haar eigen familiegeschiedenis met die van de buitenplaats waarvoor zij werkte en maakte daar een boekje van.

Terlouw heeft gelijk: verhalen zijn een fantastisch middel niet alleen om de drijfveren van anderen te leren kennen, maar ook die van jezelf. Want als je die kent, kan je een waarachtig verhaal creëren waarmee je mensen raakt en overtuigt.

Wil jij ook ontdekken hoe een je overtuigend verhaal dat blijft hangen kunt structureren voor elke behoefte van je bedrijf, en meteen beginnen met het toepassen van de theorie in de praktijk? klik hier De volgende startdatum van deze opleiding is in Utrecht: zaterdag 30 september 2017 met Manon Duintjer

Over de auteur:

Manon Duintjer (1969) was uitgever van de Rainbow Pockets, stelde als freelance redacteur verschillende verhalenbundels samen, waaronder Zij denkt dus zij bestaat en schreef voor het tijdschrift BOEK. In 2011 debuteerde zij met de roman De S-machine, en in 2016 bracht zij samen met Marlies Visser het filosofiespel Nomizo uit. Momenteel geeft zij les aan de Schrijversacademie en werkt zij aan haar tweede roman.

 

 

Kvinneteikbesleuk – René Appel

Kvinneteikbesleuk – Nee, dit is geen woord uit het Lets of uit het Quecha. Zo’n woord moet je ook niet alleen lezen, maar luidop laten klinken. Dan hoor je meteen dat het een directe, min of meer fonetische weergave is  van de volgende Nederlandse zin: Ik vind het eigenlijk best leuk. ‘Kvinneteikbesleuk’ is pure spreektaal zoals schrijvers die over het algemeen nooit in hun dialogen zullen gebruiken.*)

Hoe ver kunnen schrijvers gaan met het weergeven van spreektaalkenmerken (waarbij ik meteen benadruk dat die tegelijk vaak karakteristiek zijn voor non-standaard Nederlands)? In het tv-programma ‘De pennen zijn geslepen’ (waarin enkele bekende Nederlanders een thriller moesten schrijven) zei cursusleider Paul Sebes dat de taal in dialogen geen kenmerken van spreektaal mochten bevatten. Dat is natuurlijk onzin. De taal in dialogen mag niet gelijk zijn aan spreektaal, maar moet wel op spreektaal lijken. Anders krijgt de lezer keurige boekenzinnen voorgeschoteld in keurige schrijftaal. ‘Maar zo praten mensen helemaal niet’ denken lezers dan.

Hoe doet een schrijver dat en om welke spreektaalkenmerken gaat het? In het artikel ‘Algemeen Plat Nederlands’ (Schrijven Magazine, oktober 2011) ben ik hier al eens op ingegaan. Het betreft kenmerken op verschillende linguïstische niveaus: klanken (‘nou’ in plaats van ‘nu’), vervoegingen (‘hij heb’ voor ‘hij heeft’), woordkeuze (‘bek’ en niet ‘mond’).

Als het gaat om spreektaal dan zijn er ook heel andere zaken in het geding. Ik werd daar vooral met mijn neus op gedrukt door de analyses die ik heb gemaakt van het taalgebruik van zgn. Bekende Nederlanders voor het radioprogramma De Taalstaat in de rubriek TNA (elke zaterdag van 11.00 tot 13.00 uur op Radio 1). Enkele zaken die me zijn opgevallen:

  • Relatief nieuwe combinaties als ‘helemaal goed’, ‘een soort van’, ‘zeg maar’ (maar ook het bekende ‘ik bedoel’) worden vaak gebruikt, door sommige mensen heel vaak.
  • Hetzelfde geldt voor losse woorden als ‘eigenlijk’, ‘gewoon’ en ‘natuurlijk’, die qua betekenis in feite niets bijdragen aan de inhoud van de zin; het zijn zogenaamde stopwoorden, loze opvullers. Er zijn mensen die in vrijwel elke zin minstens één keer ‘gewoon’ gebruiken.
  • Heel veel mensen beginnen hun zinnen met ‘Nou,…’, ‘Nou ja,…’ ‘Kijk…’, ‘Ja, kijk…’, ‘Kijk ’s…’, ‘Ja, nee…’ of zelfs ‘Ja, nee, ja…’.

Het is niet aan te raden om als schrijver je dialogen te doorspekken met deze spreektaalkenmerken. Het is van belang om er spaarzaam gebruik van te maken. Wanneer wel en wanneer niet is niet eenvoudig te zeggen. Zelfs als geroutineerd schrijver en taalanalyst moet ik zeggen: kvinneteikbeswelmoelek.

*) Zie ook het boek van Jan Kuitenbrouwer Eik bes leuk (Thomas Rap, 2014), dat natuurlijk Eikbesleuk had moeten heten.

Over de auteur:

René Appel is lid van de Raad van Advies van de Schrijversacademie. René Appels eerste misdaadroman werd gepubliceerd in 1987, Handicap. Daarna verschenen nog veel andere romans en korte verhalen. Vele malen werd een boek van hem genomineerd voor de Gouden strop, de prijs voor het beste Nederlandstalige spannende boek, en twee keer werd een boek bekroond: De derde persoon in 1991 en Zinloos geweld in 2001. Schone handen werd in 2015 succesvol verfilmd met in de hoofdrollen Thekla Reuten en Jeroen van Koningsbrugge. René Appel is ook de auteur van Spannende verhalen schrijven, over de wijze waarop schrijvers spanning kunnen aanbrengen in hun verhaal. Onlangs verscheen van hem Joyride en andere spannende verhalen

Het hoe van een schrijfgroep (3) De schrijfopdracht

over het reilen en zeilen van een schrijfgroep[1]

Hoe gaat het er nou aan toe in zo’n schrijfgroep met een schrijfopdracht die je op commando moet schrijven? Deze vraag krijg ik als schrijfdocent vaak. Het gaat meestal net als in elke andere situatie waarin je het eerste wat in je opkomt moet doen/roepen/antwoorden/schilderen. Maar wat de vraagstellers eigenlijk willen weten is of het ter plekke schrijven moeilijker of makkelijker is dan het thuis schrijven van een verhaal.

Er zijn veel mensen die in hun welverdiende zomervakantie – ver weg of dichtbij – nadenken wat ze nog eens zullen doen in hun leven als ze weer thuis zijn. Ben jij zo’n mens? Denk je dat je zeker iets wilt gaan doen met je schrijven, maar zie je op tegen het zomaar uit het niets moeten schrijven tijdens de bijeenkomsten met de groep? Nergens voor nodig! Natuurlijk is het gangbare beeld dat we hebben bij schrijvers dat ze in hun eentje op/in een zolderkamer/studio/tuinhuisje/Chateau St. Gerlach (A.F.Th. van der Heijden) hun meesterwerken zitten te schrijven.

Toegegeven: het is wat relaxter ‘scheppen’ als je er tijd, ruimte en stilte voor hebt.

Als je een schrijfopleiding volgt, heb je die tijd, ruimte en stilte dan ook in de 6-8 weken waarin je thuis aan je schrijfopdrachten werkt.
Als je volgende reis er eentje met de Schrijversacademie is, zul je de voordelen van het voor de vuist weg schrijven ontdekken.

In de bijeenkomsten vinden er verschillende vormen van live schrijven plaats. Het is niet zo dat je de ruimte binnenkomt en moet aanvallen op een leeg vel papier zonder enige bewegwijzering. In je vakantie ga je ook niet in het wilde weg ergens heen, want wie weet moet je dan eerst uren een verlaten industriegebied doorkruisen voordat je bij dat mooie panoramapunt komt. Al die actiemomenten worden ingeleid en begeleid. De docent is het kompas naar jouw true north.

Een paar praktische voorbeelden van hoe het er aan toegaat in de lessen:

  • free writing (vrij schrijven) is net als vrij zwemmen: het zwembad (pen en papier) en het water (je gedachten) zijn er, daarin ga je zwemmen (schrijven). Om in de stemming te komen is er meestal een warming up (je rek- en strekoefeningen voor het sporten). Dat kan een (door de docent geleide) fantasie-oefening zijn, gevolgd door kleine associatie-oefeningen. In de groep denk je een tijdje in stilte aan bijvoorbeeld vakantie, maakt vervolgens een lijstje met woorden die voor jou met vakantie te maken hebben en kiest er daar 1, 2 of 3 uit om mee verder te schrijven. Free writing duurt meestal 10 minuten en je schrijft aan één stuk door zonder je pen op te tillen. Behalve voor het volgende woord dan.
    Deze teksten zijn voor jezelf, je hoeft ze niet voor te lezen aan de groep, dus je koudwatervrees kun je hierbij thuis laten.
    Ga je nog op vakantie, dan kun je dit associëren alvast uitproberen zonder pen in een zwembad, zee of oceaan: op je rug drijven en je fantasie de vrije loop laten. Zo simpel is het.
  • vervolg op free writing: uit je tekst kies je één of meer zinnen die je aanspreken als je je tekst nog eens overleest. Daar schrijf je mee

    verder. Je vertelt verder over die bijzondere Portugese vakantieliefde of over de overheersende smaak van verse koriander in die knaloranje tajine in Marrakech. Deze tekst lees je voor aan de groep.

  • gericht schrijven: met behulp van docent, onderwerp, stijl en/of materiaal (zie foto geurpotjes) kom je eerst in de juiste schrijfstemming, je denkt dóór op dat bepaalde onderwerp en vervolgens schrijf je een tekst.

Dit spontaan schrijven in de les wordt ook wel ‘minimaxen’ genoemd. Je schrijft in een minimale tijd een tekst die het maximale voor die tijd is.Veel studenten waren na een paar keer minimaxen laaiend enthousiast: ‘Het is wat het is en meer kun je niet doen!’ Zij vonden het een openbaring zo ontspannen erop los te kunnen en mogen schrijven.

Wil jij ontdekken of jij ook een fan bent van minimaxen, kom dan bij mij een proefles volgen op zaterdag 26 augustus in de Centrale Bibliotheek van Den Haaghttp://bit.ly/2dQXEUI

Wordt vervolgd met Het hoe van een schrijfgroep (4) Het voorlezen

[1] Vrij naar Jan Brokken: Het hoe

over het schrijven van romans, verhalen en non-fictie

Over de auteur:

Dé Hogeweg is docent creatief schrijven en redacteur in Den Haag en omstreken. Bij Uitgeverij U2Pi/JouwBoek is zij hoofdredacteur. Zij geeft les bij de Schrijversacademie. Naast het geven van cursussen en workshops schrijft ze columns, korte verhalen en artikelen voor internetsites en bladen. Zij schrijft over alles wat op haar pad komt. In de zomer gaat het vaak over de Tour de France, in de winter over schaatsen. Regelmatig levert zij bijdragen aan de sites Het is Koers (wielrennen) en Bluesmagazine (concertverslagen).

 

‘Het mooiste van schrijven is van níets íets maken’

In het jaar 2000 verscheen haar verhalenbundel Strandstoelendans.De succesvolste oefeningen uit haar cursussen en workshops gaf zij in 2011 uit in het boek Oefeningen in creatief schrijven – voor beginners, gevorderden en schrijfdocenten.

 

 

Vergelijkingen – René Appel

Wie zijn tekst beter of mooier wil maken door vergelijkingen te gebruiken, begeeft zich op glad ijs. Dat is op zichzelf uiteraard ook weer een vergelijking, die als vaste uitdrukking tot het Nederlandse idioom behoort. Om de beeldspraak verder door te trekken: wie zich op glad ijs begeeft, loopt het risico uit te glijden en lelijk ten val te komen.

Hieronder volgen enkele voorbeelden van wat mij betreft mislukte vergelijkingen, die er vooral op lijken te wijzen dat de auteur krampachtig heeft geprobeerd ‘mooi’ of ‘literair’ te schrijven:

  • De interessante conversatie ging daarbij door tussen Noor en de aangewaaide oom uit Nieuw-Zeeland die gespreksstof over had, zijn mond was zo vol als een worst die je uit kon knijpen.
  • De genetische oerkracht van het vaderschap vonkte in hem als een reusachtige bougie.
  • Mijn pick-up (auto, RA) kwam met horten en stoten tot leven, als een natte hond die zijn vacht uitschudt.
  • Daarboven een neus die ooit door een enorme kracht zo onherstelbaar scheef en plat was geslagen dat hij nu nog het meest leek op een gebruikt en weggegooid condoom.
  • Hij neemt een felle trek van zijn sigaret, een geluid als van een gierende windvlaag.
  • Een donkere broek sloot nauw om haar heupen en een witte blouse vloeide als room van haar af.

Een enkele vergelijking vinden sommige schrijvers niet genoeg.

Zij blijven doorassociëren en aan de beeldspraak lijkt geen eind te komen, zoals in  de volgende passage uit een Nederlandse roman: ‘Het was moeilijk om de richting te bepalen waaruit haar stem kwam, alsof het geluid aarzelde om mijn oren te betreden, liever pootje baadde of zelfs maar voelde: even een voet naar binnen stak, dan weer verdween om het ergens anders te proberen. Haar stem zwierf om me heen als een kouwelijk kind om een zwembad.’

De eventuele waardering voor vergelijkingen is natuurlijk volstrekt subjectief. Er zullen zeker mensen zijn die – in tegenstelling tot ik – het bovenstaande fragment prachtig vinden. Wat zie ik nu als een mooie vergelijking? Bijvoorbeeld de volgende uit Kind van de verzorgingsstaat van Rob van Essen: ‘Zoals een vis geen idee heeft van wat water is, had ik geen idee van de verzorgingsstaat.’ Waarom mooi? De ‘ik’ leeft in de verzorgingsstaat zonder het zich werkelijk te realiseren, net als een vis niet beseft dat hij in water zwemt. Tegelijk voelt de ‘ik’ zich in de verzorgingsstaat als een vis in het water.

Natuurlijk moet ik dit blog in stijl afsluiten: Beeldspraak gebruiken is als het aaien van een kat: hij kan tevreden gaan spinnen, maar net zo goed kan hij blazend uithalen met zijn nagels. Een treffende vergelijking? Ik twijfel.

 Over de auteur:

René Appel is lid van de Raad van Advies van de Schrijversacademie. René Appels eerste misdaadroman werd gepubliceerd in 1987, Handicap. Daarna verschenen nog veel andere romans en korte verhalen. Vele malen werd een boek van hem genomineerd voor de Gouden strop, de prijs voor het beste Nederlandstalige spannende boek, en twee keer werd een boek bekroond: De derde persoon in 1991 en Zinloos geweld in 2001. Schone handen werd in 2015 succesvol verfilmd met in de hoofdrollen Thekla Reuten en Jeroen van Koningsbrugge. René Appel is ook de auteur van Spannende verhalen schrijven, over de wijze waarop schrijvers spanning kunnen aanbrengen in hun verhaal. Onlangs verscheen van hem Joyride en andere spannende verhalen 

 

Boekenliefde – Bibi de Kraa

Boekenliefde

Tijdens mijn dertigerscrisis wist ik niet goed wat ik wilde. Kinderyogajuf,  juf basisonderwijs of voedingsconsulent, verschillende opleidingen passeerden de revue.
Eén ding wist ik wél zeker, ooit zou ik mijn eigen kinderboek schrijven.

Op een dag zag ik een advertentie van de Schrijversacademie. Mijn stoffige schrijfgeest moest nodig uit de fles komen. Vol enthousiasme voegde ik de daad bij het woord en startte begin dit jaar met de opleiding.

Dagelijks lees ik een boek op mijn e-reader. De liefde van het lezen heb ik van mijn moeder meegekregen. Ik lees verschillende boeken van romans tot thrillers, ook een kinderboek op zijn tijd blijft leuk.

Toen ik klein was ging ik al met mijn moeder mee naar de bibliotheek. Later mocht ik ook zelf. Ik verslond boeken en had de meeste boeken uit de collectie al gelezen. Hierdoor kon ik best al goed lezen, dus moest ik op school op de gang zitten tijdens de leesles. Ik mocht mijn eigen boeken van mijn eigen niveau lezen zodat ik mij niet verveelde tijdens de les.

Ik las onder andere boeken van Annie M.G. Schmidt, Anke de Vries, Paul van Loon, Cok Grashoff (Floortje Bellefleur), Ann M. Martin (de Babysittersclub) en alle boeken waarvan de achterkant mij beviel.

Op mijn verjaardag kreeg ik van iedereen boeken. Vooral mijn oma was daar erg fanatiek in. Meestal waren dit spannende boeken van R.L. Stine (Kippenvel), Enid Blyton (De Vijf) en Carolyn Keene (Nancy Drew). Genoeg om te lezen.

In mijn pubertijd kreeg ik de behoefte om boeken te kópen. De bibliotheek vond ik ineens maar vies. Vaak kwam ik thuis met boeken met daarin vreemde vlekken, scheuren, ezelsoren en soms zelfs haren. Voortaan wilde ik mijn eigen boeken. Die roken lekker wanneer ik er doorheen bladerde. Mijn moeder deed nog wel eens een poging en nam boeken voor mij mee uit de bibliotheek, maar ik raakte ze niet meer aan tenzij er niets anders meer te lezen was.

Op een dag wilde mijn moeder, het stereotype digibeet en vaste bibliotheek bezoeker, een e-reader. Ik zette mijn weerzin opzij en gaf haar op Moederdag een e-reader cadeau.

Er zat zelfs een lampje op. Ze was zo blij als een kind.

Op vakantie nam zij de e-reader mee terwijl ik met twaalf boeken in mijn handbagage sjouwde. Ze werd zelfs lid van Facebook en meldde zich aan voor onder andere de pagina Thrillerlovers.

Ook al probeerde ze mij te overtuigen, ik kocht nog steeds mijn boeken en wilde in geen geval een e-reader. Totdat mijn moeder mij een e-reader cadeau gaf.

Eerst was ik beledigd en vond het zonde van haar geld. Het eerste half jaar deed ik er niets mee en kocht nog steeds mijn boeken in de winkel.

Langzaam raakte ik overtuigd van de gemakken van een e-reader. Minder sjouwen en er konden meer boeken mee op vakantie.

Nu, tijdens mijn dagelijkse treinreizen, zijn mijn e-reader en ik onafscheidelijk.

Samen met het Schrijven magazine en mijn gloednieuwe boeken van de Schrijversacademie is mijn e-reader ook nog eens een ideale dekmantel. Medereizigers denken dat ik lees, terwijl ik ondertussen inspiratie opdoe voor mijn huiswerk van de Schrijversacademie. Want personages en verhalen zijn er genoeg in de trein.

Ondanks de hechte band met mijn e-reader blijft mijn liefde voor een nieuw boek groter en puilt mijn boekenkast uit. Mijn bibliotheekboekenfobie heeft mij er niet van kunnen weerhouden te starten met de opleiding. Want door mijn enthousiaste en gemotiveerde docent , maakt het mij niet uit dat de plenaire bijeenkomsten plaatsvinden in de bibliotheek.

Boekentip:

B.A. Paris – Achter gesloten deuren (Literaire Thriller)
Het verhaal is van het begin tot het einde spannend en houdt de lezer geboeid. Dit is de eerste thriller van deze auteur, verschenen in oktober 2016.

Op 20 juni 2017 verscheen de tweede thriller van B.A. Paris – Gebroken.

 

 

 

 

 

 

De eerste zin – René Appel

‘De portier is een invalide.’ Zo luidt de eerste zin van Nooit meer slapen van W.F. Hermans. Deze zin wordt nogal eens geciteerd als mensen het hebben over ‘mooie eerste zinnen van een roman’. Dan gaat het meestal tegelijk over het belang van een mooie, treffende eerste zin van een roman (of verhaal). Ja, met die eerste zin moet een schrijver als het ware de lezer meteen bij zijn kraag grijpen. De zin moet mooi en suggestief zijn, een sfeer van dreiging oproepen, enz. En de beginnende schrijver maar denken en ploeteren. Wanneer fluistert de Muze hem of haar nu eindelijk die prachtige eerste zin in, want zonder die eerste zin kan hij/zij immers niet verder?

Jarenlang heb ik op de universiteit studenten begeleid bij het schrijven van scripties en werkstukken. Die worstelden ook vaak met de fameuze Eerste Zin. Dan zei ik wel eens tegen hen (ik weet het, het is flauw, maar daarom niet minder waar): ‘Als je de eerste zin niet weet, begin je gewoon met de tweede.’ Je kunt immers altijd een nieuwe eerste zin bedenken of toevoegen, de voorlopige eerste zin kun je veranderen enz. De angst voor de Eerste Zin (weer met twee hoofdletters) is volgens mij vooral de angst om te beginnen met een roman of verhaal.

Hieronder staan enkele eerste zinnen van succesvolle Nederlandse romans:

  • ‘De boerenmeid (of –vrouw) had tenslotte niet geprotesteerd toen hij zijn kin op haar schouder liet rusten.’ (W.F. Hermans, De tranen der acacia’s).
  • ‘Iedere wereldstad heeft zo z’n eigen soort peepshows.’ (Joost Zwagerman, Gimmick).
  • ‘Jörgen Hofmeester staat in de keuken en snijdt tonijn voor het feest.’ (Arnon Grunberg, Tirza).
  • ‘We gingen eten in het restaurant.’ (Herman Koch, Het diner).
  • ‘De foto heeft jarenlang in een envelop gezeten, onder in een witte verhuisdoos.’ (Bert Wagendorp, Ventoux).

Over deze eerste zinnen is veel te zeggen (doe ik misschien een andere keer), maar nu wil ik wijzen op het belang van de eerste zin als introductie op een eerste scène. Het gaat vooral om die eerste scène. Die moet lezers het verhaal binnen trekken, zodat ze door willen lezen. Als er na ‘De portier is een invalide’ een flauwe beschrijving van een kantoorinterieur was gevolgd, was het nooit een beroemde Eerste Zin geworden.

Over de auteur:

René Appel is lid van de Raad van Advies van de Schrijversacademie. René Appels eerste misdaadroman werd gepubliceerd in 1987, Handicap. Daarna verschenen nog veel andere romans en korte verhalen. Vele malen werd een boek van hem genomineerd voor de Gouden strop, de prijs voor het beste Nederlandstalige spannende boek, en twee keer werd een boek bekroond: De derde persoon in 1991 en Zinloos geweld in 2001. Schone handen werd in 2015 succesvol verfilmd met in de hoofdrollen Thekla Reuten en Jeroen van Koningsbrugge. René Appel is ook de auteur van Spannende verhalen schrijven, over de wijze waarop schrijvers spanning kunnen aanbrengen in hun verhaal. Onlangs verscheen van hem Joyride en andere spannende verhalen 

 

Docenten op een boot – Jowi Schmitz

Waar docenten van de Schrijversacademie het over hebben als je ze in een boot stopt

Zoals dat hoort op een boot werd mijn tas nat en hadden we inkijk in iemands kledij, maar daar ging het niet over. Steeds bogen we om beurten naar voren voor een wijn of een sapje, of een hapje, want daar had Caroline, oftewel mevrouw Schrijversacademie, toch maar mooi voor gezorgd.

Een dag uit het leven van een docent aan de Schrijversacademie.

We gingen vergaderen en toen varen. Het was vol in dat docentenbootje, al die ZZP-ers met allerlei wortels en achtergronden, we hadden bij elkaar een behoorlijke boekenkast vol geschreven. De gesprekken gingen over nieuwe workshops, humor leek ons wel wat, net als dialogen schrijven, en over hoe het zo gekomen was, dat schrijverschap.

Ik vertelde over het verleggen van verlangens, en dat ik dat iedereen aan kan raden, net zo lang, wellicht, tot het past. Omdat je altijd al sporter wilde zijn, maar allebei je knieën knapten. Omdat je zo heel graag wilde kunnen zingen, maar alle kraaien steeds in lachen uitbarstten. Omdat ik toen bij schrijven uitkwam en de grenzeloosheid ontmoette. Steeds verder leren, steeds nieuwe werelden die je met je eigen handen mag bouwen en vormgeven.

Waar was ik anders uitgekomen?

Bij botenbouwen misschien. Of werktuigbouwkunde. Of toch met een bochtje weer bij schrijven. Want voor schrijven heb je geen knieën nodig en je kunt doen alsof je het beste zong van allemaal, vroeger al, altijd al, alsof de kracht van je keel de kraaien wegblies en je samen met hoeheetdie operazanger ook alweer, vooraan op het podium van ‘Nederland heeft toptalent’ deed belanden.

Ik nam nog wat wijn, mijn tas dreef kalmpjes voorbij en de inkijk kwam en ging als de golven.

En zo extreem als het destijds voelde om alles te laten vallen en me op die pen te werpen, zo rustig leek die verandering nu, van hieruit gezien, het water overgezwommen.  ‘Misschien dat ik daar een workshop over kan geven,’ mompelde ik tegen Tijmen aka meneer Schrijversacademie. ‘Over het verleggen van verlangens.’ Dat moest ik uitleggen van hem en opeens was het geen uitleg meer maar een opdracht, schrijf er maar een verhaal over, zei ik juffig.

Zo dreven we met ons bootje door de grachten van Leiden, allemaal deel van een verhaal dat nog volop bezig is.

 Over de auteur:

Jowi Schmitz is schrijfster en docent aan de Schrijversacademie. Haar boek Weg is genomineerd voor de Dioraphte Literatour Prijs. http://literatour.nu/prijs

Verder heeft ze aangeboren discipline, twee kinderen (wat dus enorm handig is) en heel veel toekomstdromen, die allemaal iets met schrijven te maken hebben. Ze woont op een boot bovenop de Piet Heintunnel en de lente maakt dat ieder jaar weer de moeite waard.

Boekentips van Kathy Mathys

Laatst interviewde ik Michael Chabon voor De Standaard in het Ambassade Hotel (op de Herengracht te Amsterdam). Het schrijvershotel, zo staat de plek bekend onder journalisten en auteurs. In het hoogseizoen kan je er zomaar tegen Jonathan Safran Foer en Bill Bryson aanlopen in de lobby, zoveel interviews worden er georganiseerd.

Tijdens ons gesprek (waaruit dit artikel ontstond) ging het over autobiografieën en memoirs. Michael Chabon (de schrijver van ‘Maangloed’, onlangs nog lovend besproken in DWDD) vond het ergerlijk dat de bestsellerlijsten vol staan met autobiografische titels, ten nadele van de fictie. Ik kan me helemaal vinden in zijn observatie dat wat verzonnen is niet minder waar hoeft te zijn dan het waargebeurde.

Chabon irriteerde zich ook aan de structuur van het gros van de memoires. Ze presenteren het leven, zo vond hij, als een verhaal met een al te duidelijke plot, met overzichtelijke hoofdstukken. In het echt, zo stelde de schrijver terecht, is het leven veel chaotischer.

Nochtans zijn er tegenwoordig tal van memoires die de chaos toelaten, die de klassieke spanningsboog van de roman niet kopiëren. Ik denk dan aan ‘De uitweer‘ (Ambo/Anthos), van Amy Liptrott waarin de schrijfster opgroeit op de Orkney-eilanden, ten noorden van Schotland. Ze trekt weg naar Londen, geraakt verslaafd aan drank en keert terug naar de eilanden. Dat klinkt overzichtelijk en toch is dit een wild boek. Lipton verrast door ook van het eiland een personage te maken. En aan het slot zijn er nog heel wat losse eindjes.

Nog gedurfder qua vorm is het boek ‘Hourglass. Time, Memory, Marriage‘ (Alfred A. Knopf) van Dani Shapiro. De structuur van deze autobiografie ontglipt me nog steeds enigszins. Het boek gaat over een lang huwelijk en over het schrijversleven. De echtgenoot van de schrijfster is journalist en scenarioschrijver. De twee werken zich te pletter, grote investeringen zijn uitgesloten. Er is altijd net genoeg voor de dag van vandaag en morgen, niet voor overmorgen. Wat een grillige, meanderende memoir is dit! Verplichte kost voor wie wil schrijven over het eigen leven. Shapiro laat zien dat er zoveel mogelijkheden zijn qua vorm en opzet.

Overigens kwam ik bij Shapiro terecht omdat ze in de Verenigde Staten een stevige reputatie heeft als docent creatief schrijven en omdat ze een boek uitbracht over schrijven. Ook dat laatste wil ik hier van harte aanraden. ‘Still Writing. The Perils and Pleasures of a Creative Life‘ (Grove Press)  kan je enigszins vergelijken met de boeken van Natalie Goldberg of Julia Cameron. Het biedt een mengvorm van autobiografie en tips voor het schrijversleven. Er staan prachtige essays in over je ritme vinden – ze heeft een hekel aan het woord discipline –, over het oncontroleerbare van het schrijfproces, over het geluid van de typemachine van haar moeder (die verwoed schreef en nooit een uitgever vond), over haar geliefde docent, schrijfster Grace Paley.

Verfrissend zijn ook de essays over zogenaamde schrijversdogma’s als ‘Schrijf over wat je al kent.’ Shapiro nuanceert, voegt een en ander toe. Haar toon is bemoedigend, nooit betuttelend.

En laten we eindigen met het onderwerp waarmee we begonnen, het waarheidsgehalte in romans en een autobiografieën. Dit citaat vond ik bij Shapiro:

Fiction can be even more exposing than memoir – a map to the inner world, the subconscious internal workings, the obsessions and fears and secret joys of the writer.’

Over de auteur:

Kathy Mathys is schrijfster en literair journalist voor De Standaard, en docent aan de Schrijversacademie. In 2015 verscheen haar boek ‘Smaak. Een bitterzoete verkenning‘. Volgend jaar verschijnt haar tweede boek, een roman.

 

 

 

 

Personages – René Appel

Als het gaat om de personages in een boek dat je wilt gaan schrijven, kun je het best eerst een biografie van die mensen schrijven. Hoe oud zijn ze, waar zijn ze geboren, hebben ze broers en/of zussen, welke school hebben ze gevolgd, enz.

Dit advies krijgen mensen vaak als ze eens schrijfcursus volgen. Leuk, weer een nieuwe opdracht in de cursus, waar in een volgende bijeenkomst over kan worden gepraat. Misschien dat het voor sommige mensen goed werkt, maar voor mij niet. Ik heb nog nooit een biografie van een van mijn personages, hoe kort ook, geschreven voor ik begon aan een van mijn inmiddels vierentwintig misdaadromans, twee kinderboeken, twee novelles en zo’n twintig gepubliceerde korte verhalen.

Hoe ga ik dan wel te werk?

Bij een roman is simpel gesteld een conflict (of een probleem) mijn uitgangspunt, vervolgens zoek ik daar de personages bij, dus de mensen die geconfronteerd worden met dat conflict oftewel de ‘spelers’ in het verhaal dat ik wil vertellen. Ik heb dan een globale notie van wat voor soort mensen dat zijn, met name wat hun karakter is. Het is veel belangrijker daar een idee over te hebben dan een antwoord op bijvoorbeeld de vraag welke opleiding ze hebben gevolgd. (Niet voor niets dat vaak ‘karakters’ een ander woord is voor ‘personages’ in een boek of een film.) Vervolgens bedenk ik waar mensen wonen (stad of platteland, wat voor soort buurt) en welk beroep ze uitoefenen. Dat zijn zaken die ik niet hoef op te schrijven in een fictieve biografie; ze zitten in mijn hoofd.

In de volgende stap ga ik enige research doen.

Zo had ik voor het boek waar ik nu mee bezig ben, bedacht dat een van de personages in het voortgezet onderwijs werkt. Omdat mijn eigen schoolcarrière (als leerling en als leerkracht) ver achter mij ligt, moest ik informatie inwinnen over het huidige onderwijs, onder meer over de boeken die gebruikt worden, over de rol van digitale media, over de toetsweken (in mijn tijd onbekend). Ik heb uitgebreid met een leerkracht gesproken, met leerlingen, ik heb lessen bijgewoond, lesmateriaal bekeken enz. Al die dingen dienen voor de stoffering van het verhaal, maar tegelijk – en dat is het belangrijkste in het kader van dit stukje – krijg ik meer greep op het karakter van mijn personage.

Wanneer ik dan echt begin met schrijven, zie ik mijn (belangrijkste) personages min of meer voor me, terwijl ik nog altijd geen letter van een biografie heb geschreven. Tijdens het werken aan een boek komen er allerlei biografische details naar boven die passend lijken in het zich ontwikkelende verhaal. Zo ontstaat de biografie van mijn karakters in de loop van het verhaal, Als ik tijdens het schrijven van pakweg hoofdstuk 8 bedenk dat een personage een zus had die ooit naar Brazilië is vertrokken, kost het weinig moeite om – als dat nodig is – daar in een eerder hoofdstuk naar te refereren.

Voor mij is dit de ideale methode, maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat voor een ander hetzelfde geldt. Als je een boek wilt schrijven en je hebt behoefte aan een van tevoren opgestelde biografie van je personages, moet je vooral niet nalaten die biografie ook te schrijven. Het geeft je waarschijnlijk houvast, maar als je dat niet nodig hebt, doe het dan niet. Misschien dat ‘de methode-Appel’ je beter ligt.

Over de auteur:

René Appel is lid van de Raad van Advies van de Schrijversacademie. René Appels eerste misdaadroman werd gepubliceerd in 1987, Handicap. Daarna verschenen nog veel andere romans en korte verhalen. Vele malen werd een boek van hem genomineerd voor de Gouden strop, de prijs voor het beste Nederlandstalige spannende boek, en twee keer werd een boek bekroond: De derde persoon in 1991 en Zinloos geweld in 2001. Schone handen werd in 2015 succesvol verfilmd met in de hoofdrollen Thekla Reuten en Jeroen van Koningsbrugge. René Appel is ook de auteur van Spannende verhalen schrijven, over de wijze waarop schrijvers spanning kunnen aanbrengen in hun verhaal. Onlangs verscheen van hem Joyride en andere spannende verhalen

 

Hoe word je schrijver? – Daan Remmerts de Vries

Ik wilde geen schrijver worden, maar ontdekkingsreiziger.

Dat leek me een mooi leven. Ik wilde door oerwouden lopen en trekken over bergen. En intussen dieren vinden die nog door niemand waren beschreven. Dit kon (en kan) nog steeds. Ieder jaar werden (en worden) er nog een paar nieuwe vogels, reptielen of zelfs apen ontdekt. Toch ben ik er niet aan begonnen. Wat bleek? Die oerwouden waren lastig om doorheen te trekken! Ik heb het een aantal malen geprobeerd, in India. Ik heb daar tijgers in het wild gezien, en ben zelfs een keer lopend achtervolgd door vijf leeuwen (de Indische leeuw, jazeker, zoek het maar op). Die gebeurtenissen schrokken me niet af, integendeel. Maar intussen kreeg ik ook malaria, typhus en hersenvliesontsteking. Daar had ik niet op gerekend. Je moest dus uit een bepaald hout zijn gesneden. Ik was gemaakt van ander materiaal.

Vervolgens wilde ik muzikant worden.

Ik kon intussen alles spelen, gitaar, basgitaar, toetsen. Ik kon muziek schrijven, en zingen. Dat laatste vond ik tenminste zelf. De leden van mijn band vonden dat ook wel, geloof ik. Maar ik deed toch iets verkeerd. Na ieder optreden was ik schor, was het alsof mijn stem ‘aanliep’. Geen prettig geluid. Moest ik daarmee iedere avond gaan optreden? Moest ik van Maastricht naar Franeker gaan reizen, om telkens weer in ‘De bollenschuur’ of in ‘De Roskam’ ‘mijn ding te doen’?

Nee dus. Het was, toen ik dit koppig probeerde, bovendien de tijd van Luv en van Doemaar. Nederpop! Wat had ik dáár een hekel aan!

Daarom ben ik naar Londen gegaan.

Daar heb ik geprobeerd mijzelf te verkopen, als muzikant. Ik logeerde daar in het huis van iemand die in het buitenland was. En elke dag ging ik, met mijn demo’s, langs meerdere platenmaatschappijen. Elke dag kwam ik dan nogal teneergeslagen weer terug in dat stille huis, in die buitenwijk. Ik had mijn zelf opgenomen cassettes dan kunnen afgeven, maar wist niet of ik er ooit nog iets van zou horen.

Om mezelf te troosten ging ik ‘s avonds zitten tekenen. Ik maakte tekeningen bij een verhaal dat ik, al eerder, had geschreven. Dat deed ik namelijk ook, puur als liefhebberij. Niet zolang voor mijn reis had ik nog een serie verhalen over mijn katten geschreven. Ik had er linoleumsneden bij gemaakt. Ik had de boel opgestuurd en er niet meer over nagedacht.

Na enkele maanden in Londen ging ik terug naar Amsterdam. Verslagen, want ik had niets bereikt. De platenmaatschappijen die me hadden teruggebeld hadden allemaal iets tegen mijn muziek. De één vond het te vooruitstrevend, de ander te ‘mainstream’, een derde niet ruig genoeg, een vierde niet dansbaar genoeg, en ga zo maar door.

Toen ik weer thuiskwam, waren er planken over mijn deur getimmerd.

Mijn huurkamer, ergens in Amsterdam West, was afgesloten, door de politie. Tijdens mijn afwezigheid was er ingebroken. Ik moest de sleutel van een hangslot gaan halen bij een politiebureau in de buurt.

Eenmaal binnen, in mijn kamer, bleek alles overhoop te zijn gegooid. Laden leeggesmeten. Veel dingen kapot. Mijn fotospullen verdwenen.

Ik heb daarna twee dagen op mijn bed gezeten, temidden van de rommel. Ik had geen idee wat ik nog kon doen, want alles was mislukt. Ik, dacht ik, was een mislukkeling. Ik wilde alleen maar dingen die de maatschappij niet zag zitten. Misschien moest ik nu maar oppasser worden in Artis, of magazijnbediende bij de Praxis.

Na die twee dagen werd ik opgebeld, een mannenstem. Hij was heel vriendelijk, die stem, ook al zei ik in beginsel alleen maar telkens: ‘Wát…?’ Het drong langzaam tot me door dat het een uitgever was, die mijn verhalen, over mijn katten, wilde uitgeven. Ja, een echt boek.

Zo ben ik schrijver geworden.

Toen ik mijn boek in een winkel zag staan, in de etalage, drong het tot me door: dít wilde de maatschappij dus wél van me.

En zo word je, denk ik, schrijver: als er intussen het nodige is mislukt. Als je de nodige ervaringen hebt opgedaan. Schrijvers zijn, van buiten, meestal nogal grauwe mensen. Maar ze willen gehoord worden. Ik was niet iemand om in de kroeg mensen lastig te vallen met mijn avonturen. Ik was wel iemand om in stilte te zitten kneden aan mijn verhalen. Schrijven doe je alleen. Niet om de optredens. Niet om het geld (en laten we wel zijn: je verdient er in beginsel geen klap mee). Niet om de roem. Maar om gehoord te worden. Omdat je dingen dwarszitten of omdat je er gelukkig van wordt als je iets wat voor die tijd vaag was, heel mooi hebt kunnen formuleren.

De maatschappij had uiteindelijk gelijk: ik bleek wel te houden van dat eenzame leven. Ik was (en ben) geen ‘teamspeler’.

Nu, meer dan twintig jaar later, ben ik dat nog steeds niet. Maar schrijven doe je niet voor jezelf. Alles wat je schrijft is eigenlijk een brief, naar de wereld. Een soort omweg.

Het is via die omweg dat ik alsnog mijn ontdekkingsreizen ben gaan maken; mijn muziek bleek te bestaan uit letters.

Over de Auteur:

In 1990 kwam zijn eerste boek uit, Zippy en Slos, de avonturen van twee katten, geïllustreerd met Linoleumsneden. Sindsdien heeft Daan Remmerts de Vries meegewerkt aan ruim 40 jeugdboeken (geschreven, geïllustreerd of beiden) en heeft hij drie romans geschreven voor een volwassen publiek. Sinds 2013 is Daan docent aan de Schrijversacademie.

 

Vier boekentips: Peter van Beek

Meestal lees ik oorspronkelijk Nederlandstalige fictie, omdat ik als docent Nederlands in ieder geval een poging wil doen de literatuur van de Lage Landen bij te houden. Soms lees ik ook non-fictie, vooral als ik een interview met de auteur (s) moet voorbereiden.

Daarom las ik Lobbyland van Ariejan Korteweg en Eline Huisman. Zij schreven een uitstekend boek over de dagelijkse lobby-praktijken in politiek Den Haag. Hun kernvragen zijn: is lobby smeerolie voor de democratie of het ultieme middel om het Binnenhof als gesloten circuit in stand te houden? De vragen zijn beide waar en belangenverstrengeling ligt daardoor altijd de loer, een raadselachtig gegeven:

‘Suggesties om de risico’s van belangenverstrengeling die dat met zich meebrengt te verminderen worden smalend onthaald (…)’

Nu de fictie. Eén van mijn leerlingen uit 6VWO zei tijdens het mondeling literatuur: ‘De beginzin van een boek is als een eerste date: de eerste indruk is vaak doorslaggevend. Daarom is voor mij de eerste zin in een roman essentieel.’ De leerling heeft gelijk: de openingszin is als de eerste maten van een symfonie. De zin zet de toon. Beroemd voorbeeld is de opening van Hermans roman Nooit meer slapen:  ‘De portier is een invalide.’ De argeloze lezer denkt misschien: wat jammer voor die man, maar de ervaren lezer weet dat het met Alfred, het hoofdpersonage nooit meer goed zal komen. Over de toon zetten gesproken.

Ook uitgevers zijn zich bewust van het belang van de openingszin. Op het achterplat van Schuld, de laatste roman van Walter van den Berg, staat hij zelfs groot afgedrukt op het achterplat: ‘Mijn broer had nog gezongen op de avond dat hij iemand doodsloeg.’  Deze zin roept een aantal mysteries op: is de hij een artiest of een gelegenheidszanger? Wat is het motief van zijn daad? Heeft hij een slagwapen gebruikt?  Spannend dus, en stilistisch gaaf.

Ook de eerste zin van Saskia Noorts Huidpijn roept een raadsel op: ‘Soms zie je jezelf van een afstand zitten.’ Het boek gaat over de duistere kant die ieder mens heeft. Ik ben geen fan van Saskia Noort, maar Huidpijn is haar beste boek tot nu toe: rauw en schurend.

‘Ik beweeg me zo onzichtbaar mogelijk over het drukke terras. De pet en de sjaal doen weinig voor me. Om me heen hoor ik de mensen fluisteren.’

Nu ik deze zinnen citeer denk ik: hoe kan de ik zich zo onzichtbaar mogelijk over het terras bewegen? Dat kan helemaal niet. Je kunt je niet onzichtbaar bewegen en al helemaal niet over een druk terras. Saskia Noort bedoelt natuurlijk dat de ik-persoon een mislukte poging tot vermomming heeft gedaan, maar dat blijkt pas in de zin erna. Zo moeilijk is effectief schrijven. Gelukkig is de beginzin beter, hoewel..

Over de auteur:

Peter van Beek studeerde historische letterkunde in Nijmegen, is docent Nederlands op Het Baarnsch Lyceum, schrijver en schrijfdocent aan de Schrijversacademie. Daarnaast schreef hij interviews met schrijvers en politici in onder HN-Magazine en Trouw. Regelmatig publiceert hij in het Magazine van de Landelijke Vereniging van Vrijgevestigde Psychologen en Psychotherapeuten (LVVP) Eind mei verschijnt Zondvloed, de derde thriller in de reeks over de Texelse rechercheur Lone Telander.

 

Die ene schrijftip die alle andere overbodig maakt

‘Hoe doe je dat nou, zo’n boek schrijven?’

Het was druk in de Utrechtse boekhandel. Het overgrote deel van de gasten was niet voor mij gekomen, maar voor de veel grotere schrijver die naast me op het podium zat en over zijn bestseller had verteld. De vraag werd gesteld door iemand die geen zin had om in de rij hongerige wolven te staan die zich voor de grotere schrijver had gevormd.

‘Je zult dan wel heel gedisciplineerd zijn,’ stelde ze, nog voor ik antwoord kon geven.

Nou, dat is het niet. Ook ik verschans me liever voor een slechte televisieserie. Ook ik spreek liever af met vrienden, dan dat ik me afzonder en gedwongen het blauwe licht van mijn laptop opzuig. Ook ik dwaal tijdens het schrijven aan een cruciale scene af en beland na vijf minuten op een duistere internetpagina vol foto’s van volwassen geworden kindsterretjes.
Toch lukt het me, dat schrijven van die boeken. En dat heb ik grotendeels te danken aan één zin. Een mantra dat me telkens weer terugbrengt naar wat ik eigenlijk wil doen.

Ik lees graag schrijversinterviews. Het interview dat John Wray in 2004 voor The Paris Review voerde met Haruki Murakami staat voor mij op eenzame hoogte. Het spel dat schrijversinterviews zo spannend maakt wordt hier op hoog niveau gespeeld: Wray probeert tevergeefs het mysterie dat Murakami heet te ontrafelen en de schrijver antwoordt op de prachtige, droogkomische en ongrijpbare toon die zijn romans karakteriseren.

Uit dat interview der interviews destilleerde ik de schrijftip die alle andere overbodig maakt. Het zijn maar vier worden. Het zijn niet eens echt bijzondere woorden, tot ze zich in je hoofd nestelen en zolang op dat ene plekje tollen dat ze niet meer uit te wissen zijn. Een spreuk die op het eerste gezicht bedrieglijk simpel is, maar hoe vaker je ‘m door je hoofd laat rollen aan waarheid wint. Een advies dat zo summier lijkt dat ik het bijna niet durf te delen.

Schrijf wat je weet.

Haruki Murakami zegt het zo: ‘als je iets uitlegt, moet je gul zijn. Als je denkt het is zo wel goed, want ik weet het, dan ben je arrogant. Kies voor simpele woorden, voor goede metaforen en treffende allegorieën. Dat is wat ik doe. Ik leg alles heel voorzichtig en helder uit.’
Kortom, schrijf wat je weet.

En zoals het een echt mantra betaamd, zijn deze vier woorden op eindeloos veel manieren uit leggen dan wel toe te passen. Daar gaat ie.

-Schrijf wat je weet gaat over thematiek. Durf dicht bij jezelf te beginnen. Kies voor de verhalen die je hebt meegemaakt, of kies in ieder geval voor die verhalen die je zo sterk raken dat het voelt alsof je ze zelf hebt meegemaakt.
Dat betekent niet dat je niet verder kunt komen dan je bezoek aan de kapper. Want, als je onderweg naar de kapper dagdroomde over radioactieve honden die de wereld dreigen over te nemen, dan behoort ook dat tot je materiaal.

-Schrijf wat je weet is een goede test. Als je, in een poging je verhaal spanning te geven iets onuitgelegd moet laten, dan is er iets mis. De magie van een verhaal is wat overblijft als alles is uitgelegd. Schrijf dus vooral alles op dat je weet en bekijk vervolgens of je tekst nog overeind staat.

-Schrijf wat je weet op het moment dat je vastzit. Worstel niet langer met die ene scene die maar niet wil lukken, maar werk even aan dat stuk waarvan je wel voldoende weet.

-Schrijf wat je weet is niet alleen een opdracht, het is ook een ontnuchterende constatering. Je bént je materiaal. Alles dat je nodig hebt om te kunnen schrijven heb je al.
Maar dat betekent ook dat als je je wilt laten meenemen door de wereld van fictie en je wenst je verhaal in de toekomst te plaatsen of in India of als je wilt schrijven vanuit het perspectief van een cavia, je zult het nog altijd met jezelf moeten doen. Een glamoureuze setting of bijzonder intrigerend hoofdpersonage maken nog geen verhaal. Het gaat om wat jij ermee doet.

-Schrijf wat je weet is ook: weet wat je schrijft. Houd een post-it naast je tekst en schrijf daarop de kern van je verhaal. Bij het herlezen van je tekst verwittig je jezelf nog eens van die kern en bekijk je of je bent geslaagd. Zo voorkom je dat je teksten gaan meanderen, met je weglopen.

Er is nog iets te leren uit het voor mij legendarische interview met Murakami. Bij iedere vraag die Wray inzet om het geheim van de Japanse auteur te ontrafelen wordt keer op keer duidelijk dat zijn missie gedoemd is te mislukken. Er is geen recept of choreografie voor het perfecte Murakami-boek, zijn proza is nauw verweven met wie hij is. Met zijn levensloop, maar ook met zijn diepste angsten en verlangens, met alles dat de meeste mensen onuitgesproken laten. Omdat, inderdaad, Murakami schrijft wat hij weet.

Over de auteur:

Maurits de Bruijn is schrijver en publicist. Zijn essays en korte verhalen werden gepubliceerd in De Volkskrant en Das Magazin. In 2012 verscheen zijn debuutroman Broer, die door pers en publiek lovend werd ontvangen. In 2016 verscheen De achterkant van de zon en op dit moment werkt Maurits aan zijn derde roman.

Op 15 april start een opleiding met Maurits in Amsterdam! Meer weten? Mail info@schrijversacademie.nl

foto credits: Quintalle Nix

Het hoe van een schrijfgroep – Dé Hogeweg

Over het reilen en zeilen van schrijfgroepen

Hoe gaat het er nu aan toe in zo’n schrijfgroep? Die vraag krijg ik als schrijfdocent vaak. Het gaat net als in elke andere groep waar je wat leert. De groep groept, de docent doceert en er is koffie en thee voor bij het – in ons geval – schrijven, voorlezen en feedback geven op elkaars teksten.
Vanuit het perspectief van de cursist of student is het hoe al vaak beantwoord. Krassende pennen, toetsenborddansende vingers, diepe zuchten, naar de hemel om hulp of uit het raam om inspiratie starende blikken. De geur van oude koffie en een aangeknaagde appel.

Vanuit het docenten-vertelperspectief lees je wel eens een stukje van een docent die zich verheugt over het wonder dat schrijven heet als het zich voltrekt in een beginnersgroep.
In de bijeenkomsten behandel ik de do’s en don’ts in de schrijverij, geef schrijfoefeningen, inspireer, stimuleer – vooral tot lezen en waarschuw – vooral voor opsommingen. Daar valt zeker meer over te vertellen, maar de meeste schrijfdocenten klappen liever niet verder uit de school. En zeker niet op de persoon. Cursisten moeten het gevoel hebben en houden dat alles wat zij in de les produceren en doen tussen vier muren blijft.

Toch schreven schrijfdocenten Nicolien Mizee en Pauline Slot allebei een boek over het hoe van een schrijfgroep/schrijfretraite, respectievelijk Schrijfles en Dood van een thrillerschrijfster. De in hun boeken beschreven cursisten zullen zichzelf of een groepslid misschien wel herkend hebben, maar voor de lezers zijn de personages genoeg gefictionaliseerd om geen boze gezichten of een claim wegens smaad aan de broek te krijgen. Personageprobleem opgelost.

Wie schrijft is kwetsbaar.

Vraag maar aan successchrijvers die nog altijd bang zijn voor neersabelende recensies na het uitkomen van hun nieuwe boek.
Wie beschreven wordt is misschien nog wel kwetsbaarder. Vraag maar aan de familie van Boudewijn Büch, de burgemeester van Zandvoort, de collega’s van J.J. Voskuil. Voor mij valt een grappige column over bijvoorbeeld wanna be schrijvers die met een af manuscript en een attitude naar de eerste les komen dan ook in de categorie don’ts.

Hoe gaat het er nu aan toe in het hoofd van de docent? Dat kwetsbaarmakende inkijkje heb ik er wel voor over om tenminste één van de hoe-vragen te beantwoorden: heel veel lezen, met mijn pen krassen, 3x in de week 20 kilometer fietsen, 2x in de week steppen en spinnen, 2x in de week hardlopen, interproxen, detoxen, observeren, ideetjes opdoen, naar de wolken om inspiratie staren, nieuw lesmateriaal verzinnen, vakartikelen lezen en naar films gaan om cursisten te kunnen tippen over een prachtige plotlijn. Soms pas ik op met opsommingen.

Wordt vervolgd met Het hoe van een schrijfgroep: het voorstelrondje (2)

Over de auteur:

Dé Hogeweg is docent creatief schrijven en redacteur in Den Haag en omstreken. Bij Uitgeverij U2Pi/JouwBoek is zij hoofdredacteur. Zij geeft les bij de Schrijversacademie. Naast het geven van cursussen en workshops schrijft ze columns, korte verhalen en artikelen voor internetsites en bladen. Zij schrijft over alles wat op haar pad komt. In de zomer gaat het vaak over de Tour de France, in de winter over schaatsen. Regelmatig levert zij bijdragen aan de sites Het is Koers (wielrennen) en Bluesmagazine (concertverslagen).

‘Het mooiste van schrijven is van níets íets maken’

In het jaar 2000 verscheen haar verhalenbundel Strandstoelendans.

De succesvolste oefeningen uit haar cursussen en workshops gaf zij in 2011 uit in het boek Oefeningen in creatief schrijven – voor beginners, gevorderden en schrijfdocenten.