Je veux de l’amour – met dit verhaal behaalde Tineke van Woudenberg een plek in de top 3

De top 3 is gekozen!

Deze week maken we de top 3 van onze zomerse schrijfwedstrijd bekend! Op maandag, woensdag en vrijdag publiceren we steeds 1 verhaal op onze site.

Let wel op… dit doen we in willekeurige volgorde.

Iedereen uit de top 3 wint een mooie prijs. Nadat alle verhalen gepubliceerd zijn, zullen we onthullen wie is geëindigd op nummer 1 en een plekje wint in de gloednieuwe klas Autobiografisch schrijven!

Vandaag het verhaal van Tineke van Woudenberg. Gefeliciteerd!


Je veux de l’amour

Ik babbel met de gast die mij een glas aanbiedt
tot ik genoeg heb voor een volgende stap
ik babbel met het meisje dat er tof uitziet
ik sloof me uit, een compliment, een grap
maar ik wil geen grap meneer
ik wil geen grap
je veux de l’amour
(Raymond van het Groenewoud)

Wat nou vakantieliefde. Ik wil gewoon liefde, Altijd en overal!

Er zijn mensen die er het hele jaar naar uitkijken. Vakantie. Ze zetten er geld voor opzij, ze zijn eindeloos bezig met het uitzoeken van de accommodatie, de reis, de geschikte periode. Die paar weken van het jaar moet alles gebeuren. Dan moet het mooi weer zijn. Dan moet er lekker eten zijn. Dan moet die potentiële vakantieliefde ook op die plek aanwezig zijn. En beschikbaar ook, natuurlijk. Zoveel eisen. Alles moet perfect zijn.
Maar er gaat altijd wel iets mis. Het beloofde uitzicht uit het appartement is er niet. Het vliegtuig is vertraagd. De bagage is kwijt. Het is te koud, te heet, te nat, te droog. En die mogelijke lover is toch minder mogelijk. Of minder lover.

Een klasgenootje van vroeger, laten we haar Monique noemen, kwam elk jaar in september naar school met verhalen over de vakantieliefde van dat jaar, van die zomer. Wekenlang bleef ze dan mijmeren over die mooie jongen. Ze speurde de school af naar jongens die op hem leken, maar niemand van onze school kwam in de buurt van haar vakantiegod.

Ik wou dat ook wel, een vakantieliefde. Elke zomer hoopte ik dat het zou gebeuren. Maar ik kwam hem nooit tegen.

Misschien was onze manier van vakantie vieren er niet echt geschikt voor. Monique stond vier weken op dezelfde camping in Frankrijk aan een meer met een surfstrandje. Wij verbleven in een eenzaam huisje of trokken rond van hotel naar hotel.

Misschien zag ik er niet goed genoeg uit. Monique was van zichzelf al lichtbruin en stond dan glimmend van de zonnebrandolie fier en topless op haar surfplank. Ik was bleek of anders roodverbrand. Ik kon niet fier staan, al helemaal niet op een surfplank.

Misschien wist ik ook gewoon niet hoe dat moest, contact leggen, iemand aanspreken. Monique was er kampioen in. En als ze het even niet wist kon ze ook nog wel haar broertje of zusje inzetten om een boodschap over te brengen. Ik vond het al moeilijk genoeg om met mensen te praten die ik al wel kende. En mijn broer zei al helemaal niets, tegen niemand.

Dus het werd nooit wat, die vakantieliefde.

Ik droom er niet meer van.

Tegenwoordig gaat alles vanzelf. Overal waar ik kom word ik aanbeden. Elke dag. In elk gezelschap. Niet alleen thuis. Ook op kantoor. Zelfs de kaasboer ontvangt me met heel veel liefde en aandacht. Elke week!

Dat is wat ik nodig heb. En dat is wat ik krijg. Ik hoef niet een heel jaar lang te wachten op vier weken vakantieliefde. Ik krijg het nu. Altijd. Overal.

Hete bliksem – met dit verhaal behaalde Elisabeth Weers een plek in de top 3

De top 3 is gekozen!

Deze week maken we de top 3 van onze zomerse schrijfwedstrijd bekend! Op maandag, woensdag en vrijdag publiceren we steeds 1 verhaal op onze site.

Let wel op… dit doen we in willekeurige volgorde.

Iedereen uit de top 3 wint een mooie prijs. Nadat alle verhalen gepubliceerd zijn, zullen we onthullen wie is geëindigd op nummer 1 en een plekje wint in de gloednieuwe klas Autobiografisch schrijven!

Vandaag het verhaal van Elisabeth Weers. Gefeliciteerd!


Hete bliksem

Haar mond is een stukje geopend, ze snurkt zachtjes. Haar adem ruikt naar zoete appeltjes, ondanks de pizza met extra knoflook die we vandaag gegeten hebben. Ik leun op een elleboog en kan mijn ogen niet van haar afhouden. De drukkende warmte heeft een laagje zweet dat glanst als parelmoer over haar lichaam gelegd. Ik luister naar het gerommel van onweer in de verte; het lijkt dichterbij te komen. Het kan behoorlijk spoken hier tussen de bergen aan het Lago Maggiore. Bliksemflitsen volgen elkaar steeds sneller op en zetten ons tentje in een flikkerend groen licht. De geur van ozon prikt in mijn neusgaten. Iris mompelt iets, maar slaapt door. Ze ligt op haar rug op het luchtbed, de witblonde haren als een aureool om haar hoofd. Bij iedere ademhaling zie ik de welving van haar borsten rijzen en dalen. De tepels prikken door de soepele stof van het zijden hemdje dat ze draagt. Ik weet dat ze baalt van het bescheiden formaat van haar borsten, maar ik vind ze prachtig. Precies goed eigenlijk: ze passen bij de rest van haar elfachtige uiterlijk. Sexy Tinkerbell in menselijk formaat. Mijn hand glijdt als vanzelf naar beneden mijn slipje in. Ritmisch draaien mijn vingers rondjes over het thermostaatknopje tussen mijn benen. Ik voer het tempo en de druk op en haal steeds sneller adem. Vlak voordat ik klaarkom verlicht een bliksemschicht ons tentje alsof er een schijnwerper op wordt gericht. Ik ben verliefd op haar. Het besef slaat in, gevolgd door de rollende donder die mijn gekreun overstemt.
Iris schiet overeind. ‘Wat was dat?’
‘Rustig maar, het onweert.’
Ze gaat weer liggen, maar ik zie dat ze trilt.
‘Ben jij bang?’ Ze kijkt me met grote ogen aan.
‘Nee.’ Niet voor het onweer.
Ze schuift wat dichter naar me toe en pakt mijn hand, waarvan de middelste vingers nog vochtig zijn. Ze krimpt in elkaar bij iedere donderslag. Hand in hand liggen we te wachten tot het natuurgeweld voorbij is. Ik voel me gelukkig en verdrietig tegelijk en denk aan alles wat niet zo mag zijn.

‘Hé schat, jij lijkt ver weg.’
Ik schrik op uit mijn herinneringen wanneer mijn man de keuken binnenkomt.
‘Ik stond na te denken over het avondeten’, lieg ik.
‘En, wat wordt het?’ vraagt hij gretig.
‘Stamppot met zoete appeltjes’, improviseer ik vlug.
Hij komt achter me staan, duwt me met zijn heupen tegen het aanrecht en zoent me in mijn nek.
‘Mmm lekker, hete bliksem’ fluistert hij.

Kou en regenbui – met dit verhaal behaalde Eefje Vugts een plek in de top 3

De top 3 is gekozen!

Deze week maken we de top 3 van onze zomerse schrijfwedstrijd bekend! Op maandag, woensdag en vrijdag zullen we steeds 1 verhaal publiceren op onze site.

Let wel op… dit doen we in willekeurige volgorde.

Iedereen uit de top 3 wint een mooie prijs. Nadat alle verhalen gepubliceerd zijn, zullen we onthullen wie is geëindigd op nummer 1 en een plekje wint in de gloednieuwe klas Autobiografisch schrijven!

Vandaag het verhaal van Eefje Vugts. Gefeliciteerd!


Kou en regenbui

Mijn norm van liefde en verlangen is door hem gesteld. Ik was pas veertien, ik hoorde met heel andere dingen bezig te zijn.

Ik ontmoette hem in de wasmachineruimte van de camping, de enige plek die warm en droog was. Hij was ouder, een stuk ouder, een man met een huis, een baan en een behoorlijk inkomen. Hij was volkomen misplaatst op een camping in de Ardennen. Hij was lang, hij had donker haar en hij was knap. Dat zagen al die andere vrouwen ook wel. Hij zag het niet, hij zag mij. We vonden elkaar, iedere keer in het hokje met de wasmachines.
De eerste keer overviel hij me met woorden van verlangen. Hij wist dat het niet kon, dat hij deze gevoelens niet voor me mocht voelen, maar hij kon zich niet langer bedwingen. Het was overweldigend. Ik voelde de grote gevoelens in mijn ontluikende lijf. Hij moest en hij zou toegeven aan zijn verlangen. Mijn meisjeslijf was nog niet helemaal af. Hij liet me weten hoe hij hunkerde en ik wilde het ook. Dacht ik. Hij heeft me fysiek geen pijn gedaan maar ik heb gehuild toen het voorbij was. Hij was weg en ik bleef, met een hart aan diggelen.
Ik kon er met niemand over praten, ze zouden me laten opsluiten. Ik wist dat het niet mogelijk was, natuurlijk wist ik dat. Deze man had een vuur in me ontstoken waar mijn lichaam nog niet aan toe was geweest. Ik huilde tot ik weer naar school moest.
Ik ging nog vijf jaar met mijn ouders naar dezelfde camping. En ieder jaar was hij er. Lang, knap en nog altijd misplaats. Het laatste jaar had ik hem één keer meegenomen naar mijn tent. De angst om betrapt te worden, verpestte het plezier. In het hokje konden we ongegeneerd samenzijn.
Zes zomers heeft hij me betoverd. Zijn woorden werden mijn verwachtingen van anderen. Ik zocht zijn hartstocht in alle mannen die ik later kuste. Ik nam mannen mee in mijn bed, hopend op dezelfde vastberadenheid.

Ik vond hem. Hij was niet zo lang, ook niet zo donker maar wel net zo misplaatst. Hij lijmde mijn hart, polijstte het en liet het fonkelen. Ik schonk hem drie kinderen en toen hij vroeg waar we die zomer op vakantie zouden gaan, wist ik maar één plek te bedenken. Zodra de tent stond, ging ik naar het wasmachinehokje met klamme handpalmen. Hij stond er nog, tussen de thrillers. De kaft was vergeeld, maar ik herkende hem direct. Hij was er. Ik trok de stoel naar ons hoekje. Het voelde als vreemdgaan. De spanning bouwde zich op in mijn kruis. Ik hijgde. Op bladzijde vijf kwam hij ten tonele. Ik sloot mijn ogen en zuchtte diep. Met zijn lange gestalte, knappe gezicht en nobele voorkomen; mijn Mr Darcy.

Loden soldaatjes – met dit verhaal won Eelco Leemans de 2e prijs!

De uitslag van de Moederdag schrijfwedstrijd is bekend. Afgelopen maandag publiceerden we het verhaal Worden van Connie Mitchel, dat je hier kan teruglezen. Ze won hiermee de 3e prijs.

Vandaag kunnen jullie het verhaal Loden Soldaatjes van Eelco Leemans lezen, waarmee hij 2e werd. Een nostalgisch verhaal over een bijzonder handige moeder.

We willen iedereen die een verhaal heeft ingestuurd hartelijk bedanken voor hun deelname.

Tot de volgende schrijfwedstrijd!


Loden soldaatjes

Eelco Leemans

‘Morgen ruimen we de achterkamer leeg, wie helpt er mee?’
‘Wat gaat er gebeuren dan?’
‘We leggen de Topsy Turvey in de kamer om op te knappen’
Voor het schuren en schilderen van het houten zeilbootje haalde mijn moeder met onze hulp alle meubels uit de achterkamer. De boot werd naar binnen gedragen door de tuindeuren en vervolgens kaal gekrabd, geschuurd en geschilderd om een paar weken later weer als nieuw naar buiten te gaan. In de tussentijd leefden we in de voorkamer. Schoolvriendjes kenden ons huis als ‘het huis met de boot in de kamer’.

Learning by doing, dat had haar motto kunnen zijn. Mijn moeder met haar Friese wortels leerde ons al doende schilderen, slootjespringen, schaatsen, bomenklimmen, timmeren en zeilen. Met alle soorten gereedschappen en materialen kon ze overweg. Van oude deuren bouwden we onder haar leiding een schuurtje in de tuin, compleet met een venster erin. We mochten dan de spijkers in de planken slaan. Soms sloeg je de spijker krom, maar met de klauwhamer kreeg je die er wel weer uit en dan probeerde je het opnieuw met een andere spijker. Op het dak plakte ze zwart teerpapier, wat in de zomer bloedheet kon worden. Vanaf het schuurtje had je een mooi uitzicht.

Het fornuis toverde ze om in een gasbrander door het deksel van een gaspit te halen.
‘Je moet het gas eerst helemaal zacht draaien en dan voorzichtig een lucifer erbij houden. Pas als hij brandt kun je het gas hoger draaien’.
In de blauwe, twintig centimeter hoge steekvlam konden we dan verschillende soorten metalen verhitten om te bewerken. Een gloeiend plaatje koper klopte je zo met een bolle hamer tot een koperen schaaltje. Voor elke klus had ze gereedschap en anders improviseerde ze wel.  Ze wist bijvoorbeeld precies met wat voor zaag je het beste een stuk Eternit kon afzagen. Zo’n plaatje kon uitstekend tegen warmte en kwam dus goed van pas als we iets aan het verhitten waren. Pas later begrepen we dat Eternit een merknaam van asbest was en dat je het stof daarvan niet moest inademen.

Op een dag haalde ze een paar antieke gietijzeren mallen tevoorschijn, bedoeld om tinnen soldaatjes te gieten. Ze kwamen uit het huis van een overleden oudtante en bestonden ieder uit twee helften die precies op elkaar pasten. Eén stel mallen vertoonde een soldaat, een ander een ruiter. Het waren figuren uit een negentiende-eeuws leger die mij sterk deden denken aan de soldaten en generaals van Stratego.

Tin was niet makkelijk te krijgen, maar lood des te meer. Altijd waren er wel verbouwingen in de buurt, dus stukken loden afvoerpijp lagen vaak op de stoep. Met een ijzerzaag was het zachte lood goed in stukken te zagen. Ook glas-in-lood ruiten kon je vaak vinden bij verbouwingen. Mijn moeder – voor haar familie en volwassen vrienden Wif en voor mijn vriendjes dus Tante Wif – aasde juist op glas in lood, want de gekleurde stukjes glas konden we weer gebruiken om glasmozaïeken te maken. Om de grootste stukken glas kleiner te maken deed ze die in een dichtgevouwen krant, waarna we daar met een hamer op mochten slaan. De stukjes gekleurd glas plakten we dan met Velpon op een stuk vensterglas.

Voor het maken van de soldaatjes liet Wif ons zien hoe je met een nijptank het glas uit de stroken lood kon halen. Het glas bewaarden we in een doos, waarna we het lood in stukjes van een paar centimeter knipten. De brokjes lood deden we vervolgens in een steelpan met een tuitje, die apart werd gehouden voor de loden soldaatjes. Op een hoog vuur wachtten we tot het lood ging smelten.
‘Jullie moeten veel melk drinken, want lood is een beetje giftig. Als je melk drinkt heb je er geen last van.’
Dus dronken we grote bekers volle melk terwijl het lood smolt in het pannetje. Het was heel mooi om te zien hoe de doffe brokjes een prachtige glans kregen terwijl het lood vloeibaar werd.

Het gieten zelf deden we op de tegelvloer in de keuken. Wanneer het lood helemaal gesmolten was, moest het in de mal worden gegoten. De twee gietijzeren delen hadden beiden een houten handvat. Terwijl de één de mallen met handschoenen aan tegen elkaar drukte, goot de andere voorzichtig het lood in de vorm. Vooraf kregen we duidelijke instructies:
‘Altijd zorgen dat degene die de mallen vasthoudt, klaar is voordat je gaat gieten. En het is heel belangrijk om de vormen eerst voor te verwarmen op het gasfornuis, anders kan het mis gaan’.
Na het gieten moest je de mal even laten afkoelen om het lood te laten stollen. Vervolgens hield je de mallen met de soldaatjes erin onder de kraan, waarbij een hoop gesis klonk en stoom opsteeg. Daarna haalde je de mallen los van elkaar en kwam de soldaat tevoorschijn.

Hoe het kwam weet ik niet, maar opeens werd het populair om bij ons thuis soldaatjes te gieten. Niet om er daarna mee te spelen, het maken zelf was spectaculair genoeg. Soms stopten we een soldaat die een klein beetje mislukt was gewoon weer terug in de pan, om hem te zien opgaan in de kokende plas lood. De soldaatjes die wel gelukt waren, beschilderden we met verschillende kleuren verf. Daarbij gebruikten we geen camouflagekleuren maar, net als op de voorkant van de Stratego doos, rood voor de broeken en zwart of wit voor de jassen.

De kinderen in mijn klas stonden nog net niet in de rij om bij ons thuis soldaatjes te mogen gieten. Eén van mijn klasgenoten had een oom die bij de stickerfabriek werkte en daardoor had hij elke maand wel nieuwe stickers die iedereen wilde hebben. Om een sticker van hem te krijgen had je een serieus ruilobject nodig, zoals een zeldzame sleutelhanger of een aansteker of rotjes in de zomer. Toen hij hoorde van de soldaatjes wilde hij graag een keer komen spelen. Blijkbaar had ik het ultieme ruilobject: het gieten van loden soldaatjes. Zo kon ik mijn schooltas al gauw volplakken met stickers.

Bij de eerste keren dat we de soldaatjes goten, was mijn moeder er altijd bij om aanwijzingen te geven of om zelf de steelpan van het vuur te halen en in de mallen te gieten. Na een tijd had ze voldoende vertrouwen om het proces aan mij over te laten. Op een mooie middag kwam één van mijn vriendjes mee vanuit school en besloten we soldaatjes te gieten. Er was nog wat lood over van een glas-in-lood raam dus we knipten de stroken in stukken, zetten de pan op het vuur en gooiden de stukken lood daarin. Wif kwam nog wel even kijken om te zorgen dat we melk dronken, maar daarna liet ze ons verder aan de slag gaan.

We goten een ruiter en een soldaat, waarna we de mallen onder de kraan hielden en soldaat en ruiter op het aanrecht legden. Ze waren goed gelukt en we wilden er nog twee maken, maar eerst dronken we allebei nog een groot glas melk terwijl het pannetje op het vuur stond. Toen het lood gesmolten was, pakte ik de steel van de pan met de ovenwanten en goot het lood in de mal, die mijn vriendje stevig vasthield op de keukenvloer. Op dat moment klonk er gespetter uit de mal en plotseling spatte het lood alle kanten op. Mijn vriendje liet de mal los en rende door de openstaande keukendeur naar buiten terwijl hij zijn bril afdeed en over zijn gezicht wreef. Ik zette het pannetje neer en liep achter hem aan. Op zijn bril waren duidelijk gestolde spatjes lood te zien. Mijn moeder kwam op het geluid af en begreep direct wat er was gebeurd.
‘Jullie zijn vergeten om de mal droog te maken en voor te verwarmen, daardoor is het lood alle kanten opgespat!’
Ze spoelde koud water over zijn gezicht en uiteindelijk viel het mee: op een paar kleine lichte brandwondjes na kwamen we er goed vanaf. Maar soldaatjes hebben we niet meer gegoten.

Twee jaar geleden is mijn moeder overleden. De dag na haar overlijden maakten we samen een kist voor haar. In de woonkamer hebben de kleinkinderen die vervolgens beschilderd, waarna we Wif met een boot naar haar laatste rustplaats brachten.


De schrijfwedstrijd

Hierboven lees je het verhaal van Connie Mitchell, waarmee ze de 3e plek behaalde. Volgende keer kunnen jullie het verhaal van Eelco Leemans verwachten. Voor de nummer 1 moeten we wat langer wachten, want Anna Paulz wint een publicatie in de nieuwe verhalenbundel van Ambo Anthos, tussen gevestigde auteurs als Roos Schlikker, Susan Smit, Murat Isik, Meester Bart,  Jowi Schmitz, Carla de Jong en Tania Heimans!

De bundel ligt binnenkort in de winkels.

Dit zijn de winnaars van de moederdag-schrijfwedstrijd!

In februari daagden wij onze studenten en alumni uit om een verhaal te schrijven. Het thema: Wat ik van mijn moeder leerde.

Zo’n vijftig inzendigen kregen we binnen, en wat voor inzendingen! Het thema leverde een hoop ontroerende, maar zeker ook grappige verhalen op. Mooie en minder mooie herinneringen werden door de driekoppige jury beoordeeld en vandaag maken we de top 3 bekend.

De top 3

  1. Denkend Riet – door Anna Paulz
  2. Loden Soldaatjes – door Eelco Leemans
  3. Worden – door Connie Mitchell

 

Worden

Connie Mitchell

‘Jij mag worden wat je wilt.’
Als ik mijn ogen sluit zie ik nog steeds haar lippen synchroon bewegen met de woorden die weerkaatsen in mijn hoofd als echo’s tussen de bergen. Woorden van mijn moeder, gericht aan haar enige dochter. Woorden zoals alleen een moeder ze kan uitspreken, ze kan laten opstijgen, zoals de vleugels het vliegtuig optillen, tot grote hoogte doen stijgen. Zoals alleen een moeder woorden kan laten landen in je hoofd.

De tulpenbollen schillen, doormidden snijden en van het gele kiempje en de spruit ontdoen. De bollen worden op dezelfde wijze gekookt als aardappelen met dit verschil, dat ze in zeven minuten gaar zijn. Het klinkt als een gewoon recept uit een gewoon kookboek maar mijn moeder zal de bittere, droge smaak nooit vergeten. Ze was achttien toen de oorlog eindigde. Een pakketje botten met een strak vel eromheen gespannen dat naar de kinderkolonie moest om aan te sterken. De hongerwinter had zijn littekens achtergelaten. Ze sprak met ons nooit over de oorlog. De enige aanwijzing dat ze de oorlog bewust had meegemaakt was het woord Moffen dat het woord Duitsers vervangen had in haar woordenboek. Pas aan het einde van haar leven, toen ik allang was geworden wat ik wilde, begon ze erover te praten. Haar pubertijd was getekend door het zien wegvoeren van buren, door honger en door een vader die zijn handen niet thuis kon houden. Naast de ellende waren er ook mooie verhalen. Zoals toen een van haar broers een meerkoet ving. Haar moeder, ze was kokkin voor de oorlog, maakte er iets lekkers van. Het was maar een klein hapje, zeker als je het moet delen met zijn zevenen, maar wat genoot ze van die smaak na die bloembollen.

‘Jij mag worden wat je wilt.’ Deze zin, vermomd als aansporing was tegelijkertijd een uiting van verdriet, van gemiste kansen en verloren tijd. Mijn moeder groeide op in een tijd dat meisjes naar de huishoudschool gingen. Haar vier broers mochten verder leren. Zij niet. In welke tijd je wordt geboren heb je niet voor het zeggen. Hoe je daar mee omgaat wel. Mijn moeder was geen verbitterde vrouw maar ze wilde het wel anders voor haar dochter. Toen in de zeventiger jaren van de vorige eeuw de moedermavo, tweedekansonderwijs, werd opgericht zat mijn moeder vooraan in de schoolbanken en haalde haar diploma.

Ik mocht worden wat ik wilde. Kapster, automonteur, journalist, soldaat, het maakte niet uit. Ik werd een schoolverlater. Op mijn zestiende, eind vierde klas atheneum, deelde ik het mede: ‘Ik ga van school af en ga werken.’ Er moeten toen duizenden haren van mijn ouders grijs zijn geworden, al zag ik dat niet op dat moment. Maar mijn moeder hield woord. Ze duwde me niet een richting op die zij graag wilde, ze liet me vrij. Ik mocht worden wat ik wilde en ik werd fotograaf bij de rondvaartboten in Amsterdam.

Worden. Een woord dat bol staat van beloftes voor de toekomst, een woord met potentie, een woord dat nog alles kan worden wat het wil. Een woord dat net als de vijf W’s vragen oproept. Wie word je, wat word je, waar word je, waarom word je, wanneer word je. Ik werd fotograaf in Amsterdam, en daarna leerling-persfotograaf omdat het me leuk leek. En daarna koerier op mijn negentiende, pakjes rondbrengen met een Volkswagen Golf van de baas. Ik had net een maand mijn rijbewijs en reed 100.000 kilometer per jaar. Ik genoot.
‘Jij mag worden wat je wilt.’ Het probleem was dat ik niet wist wat ik wilde. Ik vond alles leuk.

Van mijn, met hard werken verdiende, geld ging ik op vakantie. Voor het eerst van mijn leven in een vliegtuig. Samen met een vriendin naar Los Angeles, met de Finnair via Helsinki, uiteindelijke bestemming Mexico. Hoog in de lucht leek het alsof je stilstond, niet vooruitkwam, terwijl we eigenlijk met grote snelheid voorwaarts gingen. We vlogen over Groenland, wat niet groen maar wit was. Vele tinten wit, sneeuw en ijs, schoven tergend langzaam onder ons door. Aan de andere kant van de Atlantische Oceaan, Canada, we dachten dat we er bijna waren maar we waren nog niet eens halverwege. We vroegen ons af waarom we zo noordelijk en niet gewoon in een rechte lijn naar Amerika vlogen. Langzaam veranderde het koude landschap van Canada in een groener Amerika. Eenmaal lager vliegend zagen we Los Angeles liggen, in de verte de hoge gebouwen in het centrum, onder ons zwembaden in de achtertuinen, palmbomen op een rij langs een boulevard. You haven’t seen a tree until you’ve seen it’s shadow from the sky. Een citaat van Amelia Earhart dat ik pas jaren later zou lezen omschrijft mijn gevoel van toen. Ik zat met mijn voorhoofd tegen het kleine ovale raampje gedrukt en keek naar beneden. Na deze reis heb ik nooit meer op dezelfde manier naar de wereld, dichtbij of ver weg, gekeken.

Eenmaal in Mexico reisden we met trein en bus en toen het geld op was staken we onze duim omhoog. Twee meiden van achttien in een ver, ver land in een tijd zonder mobieltjes, zonder internet, maar met ansichtkaarten die er drie weken over deden om de andere kant van de oceaan te bereiken en met travellers checks die sneller opraakten dan verwacht. We gingen liften omdat ons geld bijna op was. Gelukkig waren er geen mobieltjes en whatsapp en hoorden mijn ouders dit pas later toen we allang weer veilig thuis waren. Deze reis, zou later blijken, plantte een zaadje in mijn hoofd dat niet meer wegging. Een zaadje dat uiteindelijk tot hoog in de hemel groeide.

Bij de vierde keer dat de kanker in haar mond terugkomt besluit mijn moeder zich niet meer te laten behandelen. Een euthanasie traject wordt op haar verzoek in gang gezet. Een SCEN arts komt en keurt haar verzoek goed. Het gaat snel slechter met haar. Ze kan niet meer eten en moeilijk drinken. Haar ontlasting droogt op en ook plassen hoeft ze bijna niet meer. Ze ligt de hele dag, en al snel ook de hele nacht, op de bank. Een pakketje botten met een mager en niet meer zo strak vel eromheen. De huisarts komt langs om te vragen hoe het ervoor staat. Ze bespreekt met mijn moeder het feit dat het weekend eraan komt en dat de eerstvolgende mogelijkheid om euthanasie in gang te zetten pas weer maandag is. Ze zegt dat er ook een dag of twee nodig zijn om dan nog alles te regelen. Mijn moeder zegt dat ze nog ok is.

Als de huisarts weg is komt er een onrustig gevoel in me op. Ik realiseer me dat ik wil dat ze doodgaat. Denk ik dit uit mededogen? Wil ik haar niet langer laten lijden of wil ik haar niet langer zien lijden. Is dit mijn wens voor haar of is het mijn wens. Ik voel me een slecht mens als ik haar, net als de huisarts, erop wijs dat het weekend eraan komt. Ik zeg, ‘Natuurlijk is het gewoon jouw beslissing, ik wil je niet een richting op duwen die je niet wilt, maar… Diep van binnen weet ik dat alles vóór het woordje ‘maar’, niets zegt en dat alles na het woordje ‘maar’, veelzeggend is. Ik duw haar in een richting. Is dit wat ik geworden ben?

Toen ik twee jaar voor de KLM werkte gingen mijn ouders mee op een vlucht naar Barcelona. Hun eerste keer in een vliegtuig. Ze vonden het fantastisch om mij aan het werk te zien en glommen van trots. Het was toch nog goed gekomen met die schoolverlater. Op de terugweg naar Schiphol zat mijn moeder tijdens de daling en landing, bij ons in de cockpit. De kassen van het Westland schenen in ons gezicht als een zaklamp in het donker. De snelweg van Den Haag naar Amsterdam, een sliert witte lichten de ene kant op en steeds oplichtende remlichten de andere kant op. Wolken met aan de onderkant een rode waas van de zon die net onder was. Fantastisch vond ze het, die andere kijk op de wereld. Ze zag wat ik zag.

Op de dag van de euthanasie komt een verpleegkundige een infuus aanleggen. Mijn moeder begint te huilen. Ze heeft een hekel aan naalden en de laatste keer dat er een infuus aangebracht moest worden was het een drama. Haar aderen zijn heel broos geworden en ze is bang. Ik kijk naar haar magere hand in die van mij en voor de zoveelste keer realiseer ik me dat de rollen zijn omgedraaid. Kleine bruine vlekjes sieren haar rimpelige, uitgedroogde huid. Handen die tulpenbollen hebben geschild, handen die mijn luiers hebben verschoond, handen die mijn kleine handje hebben vastgehouden op weg naar de eerste schooldag, handen die nu zouden trillen als ik ze niet stevig vasthield. Ik kijk naar haar grijze haren. Ik ben voor zeker de helft verantwoordelijk.
Als de verpleegkundige weg is zegt ze tegen me dat ze bang is. Ik zeg dat ik het begrijp maar weet dat dit niet de waarheid is. Ik zeg dat ik van haar hou en ik weet dat dit de waarheid is.

Terwijl de huisarts de vloeistof langzaam inspuit begint mijn moeder te praten. Ze zegt, ‘Ik heb altijd kinderen willen krijgen.’
Mijn man slaat zijn arm om me heen en nu ben ik degene die bang is.
‘Dat is dan goed gelukt,’ zegt de arts. ‘Twee prachtige kinderen.’
‘Ja, ik ben trots op wie ze zijn geworden.’
Terwijl mijn broer en ik vechten tegen onze tranen glijdt ze weg in een diepe slaap, haar ademhaling wordt oppervlakkiger tot haar borstkas stopt met bewegen. Ze valt in een eindeloze slaap en ik fluister, ‘Ik ben geworden wie ik ben. Ik ben geworden wat ik wilde. Jij bent geworden wie je wilde, een trotse moeder.’


De schrijfwedstrijd

Hierboven lees je het verhaal van Connie Mitchell, waarmee ze de 3e plek behaalde. Volgende keer kunnen jullie het verhaal van Eelco Leemans verwachten. Voor de nummer 1 moeten we wat langer wachten, want Anna Paulz wint een publicatie in de nieuwe verhalenbundel van Ambo Anthos, tussen gevestigde auteurs als Roos Schlikker, Susan Smit, Murat Isik, Meester Bart,  Jowi Schmitz, Carla de Jong en Tania Heimans!

De bundel ligt binnenkort in de winkels.

Het meisje met de zwavelstokjes – met dit verhaal won Janine Geerling de 1e prijs!

Eindelijk kunnen we het verhaal laten lezen van Janine Geerling. Ze won voor de tweede keer onze jaarlijkse schrijfwedstrijd die we in samenwerking met Schrijven Online organiseren en bewijst daarmee nog eens hoe talentvol ze is!

De jury was het unaniem eens over haar inzending:

Een meisje staart naar de kaars die ze op tafel heeft gezet voor het kerstdiner en, terwijl iedereen erop los kakelt en de Kerstklassiekers deel I op repeat op hoog volume ook nog door alles heen schallen, verbeeldt zij zich hoe de vlam ervandoor gaat en alles om zich heen verbrandt. Maar uiteindelijk dooft de kaars in een keer uit en oma vraagt of ze nog erwtjes wil.
Een kort verhaal dat letterlijk als een nachtkaars uitgaat en toch een grote indruk maakt: met weinig woorden wordt de nachtmerrie van het familiekerstdiner beschreven, met de aanstellerige tante, de zorgzame oude oma, de obsceniteiten spuiende oom, de opgedirkte tante, de knorrige vader, de moeder die het kind nog even tafelmanieren wil bijbrengen…

Het is een bijzonder sfeervol en beeldend geschreven verhaal over een klein meisje dat zich vereenzelvigt met het reinigende vuur, maar geconfronteerd wordt met de machteloosheid van die ene kaars, die net als zijzelf niet tegen de banaliteit van dat hele gezelschap op kan.


Het meisje met de zwavelstokjes

Vuur liegt niet. Het reageert, het kan niet anders.
Ze staart naar de vlam voor haar. Een lichaampje van licht dat flakkert en kronkelt, ontsnappen wil.
Geen wonder.
Gespetter, gelach, gesmak, geslurp, lippen die zich om glazen en lepels vouwen, schalen die worden doorgegeven, woorden die gemorst, angsten die weggespoeld, verlangens die worden fijngesneden. Waarheden die kleven.
   ‘Deck the halls with boughs of holly, fa la la la la, la la la la’
   En dat. Kerstklassiekers Volume 1. Op repeat.
  ‘‘Tis the season to be jolly, fa la la la la, la –‘
   De ingedroogde, met levervlekken bedekte handen van oma Dorith zetten een schaal stomende stoofpeertjes op tafel. De doperwten in de schaal ernaast lijken  op ontplofte groene puistjes.
   ‘See the blazing yule before us -‘
   De vlam kromt ver naar achteren in een poging iets fataals te ontduiken.
Ze had de kaars een uur geleden zelf nog op tafel gezet. ‘Doe ook eens wat,’ had haar vader gezegd. Traag had ze de bordeauxrode dinerkaarsen uit de verpakking gehaald, een voor een met lucifers aangestoken, ondersteboven gehouden, enkele druppels laten bloeden, en in de zilveren kandelaars geplaatst.
Haar moeder schuift iets op haar bord.
Kalkoen.
‘FOUT! EEN NAVEL!’ De tafel schudt onder de dreunende vuistslag en  onmiskenbare (kapotgerookte, hijgende, in gepiep eindigende) lach van oom Gerard. Zijn moppen gaan negen van de tien keer over borsten. Tieten. Meloenen. Prammen. Memmen. Toeters. Harries. Joekels. Ze is blij dat hij niet naast haar zit, met zijn kraterhuid, uienoksels en naar ontbinding ruikende adem.
De vlam buigt zich iets naar haar toe, alsof hij luistert, haar gedachten horen kan. Ze blaast zijn kant op, net hard genoeg om hem knetterend ineen te doen krimpen. Als hij niet had vastgezeten aan de lont zou hij er vandoor gaan. Dan zou hij met twee hete beentjes over de eettafel sprinten – schroeiplekken achterlatend in het witte tafelkleed – en rakelings langs het getoupeerde haar van tante Belinda springen – nee, wacht, niet rakelings erlangs, erín, IN het haar van tante Belinda, de hele platinablonde mikmak in de fik stekend, en daarna, met een gillende tante Belinda op de achtergrond, zou hij zwarte sporen schaatsen over het laminaat om vervolgens de kerstboom, de gordijnen, de boekenkast in te duiken. Hij zou zichzelf klonen totdat er niks over was van de hele godvergeten deck the halls en falala. Alles roet. Alles smeulend. Alles niks.
‘Luus, lieverd,’ de vlindermouw van haar moeders jurk aait over haar kruin en wappert kippenvel over haar armen, ‘ellebogen van tafel.’ Haar moeder giet cranberrysaus over de kalkoen, en loopt naar het volgende bord. Saus op kalkoen, kalkoen, kalkoen.
Iemand zet de muziek harder. ‘HEEDLESS OF THE WIND AND WEATHER, FA LA LA LA LA, LA LA LA LAAAAAAH.’
   Ze laat haar armen van tafel zakken, en zucht.
De kaars dooft.
Volledig. In één keer. Zonder tegenspartelen. Zonder enig geluid. Over. Uit. Het lontje gloeit niet eens, er kringelt alleen wat rook omhoog.
Oma Dorith schuift een schaal haar kant op. ‘Erwtjes erbij?’

Engelennacht – met dit verhaal won Stijn Claeysier de 2e prijs!

Het is winters koud buiten. Een perfect moment voor het plaatsen van het volgende kerstverhaal. Afgelopen weken publiceerden wij de verhalen van Petra Zegerius (lees het hier) en van Bianca Nederlof (lees het hier). Deze week is het tijd voor het verhaal van Stijn Claeysier! Hij won hiermee de 2e prijs.

Dit zei de jury erover:

Engelennacht is een verhaal waarin een groep kerstvierende patiënten wordt geschetst onder begeleiding van een nachtzuster. Details als plastic champagneflûtes, het papieren tafelkleed en eenzaamheid als grote gemene deler roepen een heel uitzonderlijke kerstavond op. Een nacht waarin het isolement van de personages voelbaar wordt. Maar ook een nacht waarin de patiënten een eigen manier lijken te hebben gevonden om met de situatie om te gaan. Alle patiënten, behalve ‘de nieuwe’. Engelennacht zou een fragment kunnen zijn uit een novelle of een roman die zich afspeelt tijdens één nacht. Maar het is ook een kort verhaal dat op zichzelf staat en dat zelfstandig overtuigt. Waar veel auteurs kiezen voor een einde met een schreeuw of een knal, kiest Claeysier voor een einde met hijgend uitgesproken brokstuk van een zin: ‘De nieuwe…’

Na dat zinnetje weet je dat het goed mis is met ‘de nieuwe’ zonder precies te weten wat. Waar andere verhalen glazen van kristal nodig hebben om te schitteren, gebruikt Stijn Claeysier taal om plastic flûtes te laten schitteren. Zo’n verhaal verdient een prijs.


Engelennacht

‘Onder water regent het niet,’ zei Lindsey, ‘luchtbellen
vallen altijd omhoog.’ Met ingehouden adem staarde ze naar het
bruiskolkje in haar schuimwijn.
William tikte tegen de zijkant van zijn hoofd. ‘Goed zot zulle,
gij! Straks in de dwangbuis.’ En hij schepte zich nog een lepel
aardappelsalade op.
Iedereen aan tafel lachte om de opmerking, zelfs de
nachtverpleegster deed mee – het voelde heerlijk, ongedwongen.
Dit kon misschien toch een gezellige avond worden. Of tenminste
niet de verschrikking waar alle aanwezigen (met uitzondering van
de verpleegster) zozeer tegen hadden opgezien. Kopzorgen
wriemelden hier rond als vleesvliegen op een kreng.
In totaal waren ze met zijn negenen; voor de gelegenheid mochten
de verschillende afdelingen gezellig bijeenkruipen. Eén iemand
bleef te bed, opgekruld onder de dekens. Iedereen toonde begrip:
ze was net gisteren binnengebracht. Een jong ding nog, en al
compleet gebroken. De verpleegster had haar een bord bezorgd en
ging regelmatig kijken.
‘Rosetta, ook wat schuimwijn?’ vroeg Lindsey. Ze stak de fles
in de lucht; de dwarse littekens op de binnenkant van haar arm
grijnsden gemeen. Een streepjescode van ellende. Zo liepen er
hier wel meer. Snijden om te vergeten.
In een aarzelende reflex schudde Rosetta het hoofd. Haar houten
oorbellen – denneboompjes, zelfgemaakt in “de crea” –
wiebelden onwennig.
‘Geen paniek,’ drong Lindsey aan, ‘het is alcoholvrij.’
‘Kidibul voor volwassenen’ lachte William.
Lindsey vulde Rosetta’s toegestoken flûte en tikte er
vervolgens tegenaan met haar eigen drankje, ten toost. De klank
van plastic tegen plastic. Glazen waren hier verboden. Dat kon
mensen op verkeerde gedachten brengen. Wat de “juiste”
gedachten waren, wist niemand.
Lindsey knipoogde naar Rosetta. ‘Jij bent mijn maatje,’
fluisterde ze.
Rosetta kreeg even een mini-fonkeling in die eindeloos trieste
ogen van haar, en liet toen met een snik haar flûte vallen. Ze
sloeg beide handen voor haar gezicht. Haar lichaam schokte
ingehouden.
Enkele toesnellende armen landden om haar schouders. Sussende
klanken, strelende handen.
‘Mijn dochters…’ snikte Rosetta. ‘Ze willen me niet zien.
Zelfs vanavond niet.’ De andere tafelgenoten keken zwijgzaam
naar de rand van het papieren tafellaken; elk had zijn eigen
demonen. Eenzaamheid was een grote gemene deler, vooral in deze
periode van het jaar.
De kerstverlichting aan de muur schakelde over op een
onaangenaam, druk knipperpatroon. Zo ging het ook met de meeste
van deze patiënten: aan-uit, ups-downs. Was er maar een off-knop
aan de menselijke geest. Dat zou pas een cadeau zijn!
‘Waarom nog voortdoen?’ hikte Rosetta in horten en stoten.
‘Voor wie eigenlijk?’
William gooide zijn bestek in zijn bord. ‘Gadver!’ en hij
stoof weg uit de kantine.
‘Zie je wel: ik verpest zelfs de avond voor anderen.’ Een
nieuwe huilbui.
Lindsey omarmde het hoopje ellende. ‘Jezelf geen schuldgevoel
geven, hoor je me? Zet dat uit je hoofd.’ De verpleegster nam
het woord: ‘vanavond is zwaar. Voor iedereen. Laten we proberen
rustig te blijven. Nu vooral niet te veel piekeren. Morgen een
nieuwe dag. En volgende week gaan we terug van start met de
therapieën.’
Plots sloeg de deur open. Het was William. ‘De nieuwe…,’
hijgde hij bleekjes.

Verborgen (over)leven – met dit verhaal won Petra Zegerius de gedeelde 3e prijs!

In aanloop naar de feestdagen zijn honderden schrijvers uit Nederland en België achter hun laptop gekropen om een kerstverhaal te schijven. Samen met Schrijven Online organiseerden we onze jaarlijkse schrijfwedstrijd, dit keer met het thema: ‘Het kerstdiner’. Wat zijn we trots op de enorme hoeveelheid verhalen die ingestuurd zijn!

Vanaf deze week publiceren wij iedere week één verhaal uit de top 3. Te beginnen met het verhaal van Petra Zegerius, waarmee zij een gedeelde derde plaats behaalde.

Dit zei de jury erover: Verborgen (over)leven speelt zich af in snackbar Hayat, waar twee eenzame ouderen, Esther en Chaim, elkaar op Eerste Kerstdag ontmoeten en zij bij het afrekenen haar verborgen verleden in de zes zwarte cijfers op zijn onderarm herkent. Een verleden dat hen, net als de friet met shoarma, samenbrengt. Waarna ze met de vriendelijke snackbarhouder op het leven proosten. Een ontroerend, mooi afgerond verhaal dat – als een van de weinige op de longlist – de kerstgedachte uitdraagt. Maar volgens enkele juryleden ook wel een beetje sentimenteel neergezet.


Verborgen (over)leven

Met haar winterjas en laarzen aan staat Esther een moment roerloos voor de spiegel. Behoedzaam haalt ze een borstel door haar grijze krullen en stapt naar buiten, de kou en de donkere avond tegemoet.
In gedachten verzonken schuifelt ze door de sneeuw naar de toko. Daar is alles donker en op de deur hangt het bordje “gesloten”. Esther zucht en staart een moment naar de opgestapelde stoelen binnen. Het wordt nog moeilijk om met Kerst iets te eten te vinden!
Even later staat ze voor de beslagen ruit van snackbar Hayat. Neonletters geven aan dat er shoarma wordt verkocht. Vanavond dus shoarma, besluit ze.
Ze stampt even op de grond om de sneeuw van haar schoenen te krijgen en duwt vervolgens de deur open. Gelijk beslaat haar bril van de warmte binnen. Verheerlijkt snuift ze de geur van frites en kruidige shoarma op.
“Goedenavond, wat zal het voor u zijn, mevrouw?”
“Goedenavond mijnheer, ik weet het nog niet”, verontschuldigt Esther zich.
Met haar intussen schoongeveegde bril kijkt ze naar de imposante menulijst aan de muur achter de toonbank.
“Rustig aan mevrouw, ik reken dan even met meneer hier af.”
Esther richt nu haar blik op de kleine man naast haar, die gebogen staat en er wat broos uitziet. Hij moet € 8,95 betalen. Met bevende hand reikt hij een biljet van €10,00 aan.
“Alstublieft,  €1,05 voor u terug!”, roept de besnorde medewerker.
“Gaat u lekker zitten, ik kom het zo brengen.”
De man reikt zijn hand uit om het kleingeld in ontvangst te nemen. De mouw van zijn versleten winterjas gaat daarbij iets omhoog, net genoeg om een deel van zijn onderarm te ontbloten. Op de oude, bleke arm van de man wordt duidelijk een nummer zichtbaar. Er gaat een schok door het magere lijf van Esther heen.
Dan richt ze zich tot de man:
“Meneer, mag ik vragen wat u had besteld?”
De man draait zijn gezicht naar haar toe, in verbazing.
“Een broodje shoarma en een kleine friet, mevrouw”, antwoordt hij zacht.
“Dat zou ik ook graag hebben”, zegt Esther aan de medewerker achter de toonbank.
Ze kijkt de man naast zich weer aan, trekt langzaam haar linker handschoen uit, draait haar handpalm omhoog en trekt de mouw van haar jas iets omhoog. De man verplaatst zijn blik nu van haar gezicht naar haar onderarm en dan weer naar haar gezicht. Zijn onderlip en slecht geschoren kin beginnen te trillen.
Dan pakt Esther de linkerarm van de man, legt zijn verborgen leven bloot en streelt liefdevol de zes zwarte cijfers.
“Chaim, ik ben Chaim”, fluistert hij, terwijl hij in de krullen van Esther staart.
“Ik heet Esther…”
Stilte.
“Zal ik het eten maar naar dezelfde tafel brengen?”, klinkt het vriendelijk.
Esther en Chaim knikken met betraande ogen naar elkaar.
“Alstublieft, met een drankje van het huis! Lechaim! Op het leven!
Esther betekent ‘verborgen’ in het Hebreeuws.
Chaim betekent ‘leven’ in het Hebreeuws.

 

Heprep in de Klok – Marjolein Kranenburg

Vier studenten maken nog kans om de winnaar te worden van onze schrijfwedstrijd. Deze week publiceren we elke dag een van de verhalen, en vrijdag maken we de winnaar bekend.

De opdracht was: schrijf een verhaal dat je ooit als kind bedacht maar nooit opschreef. Trek het naar de volwassen wereld, zonder kinderhandschrift en typefouten, maar zoek hetzelfde gevoel. Voeg er zoveel inzichten, spanning en fantasy aan toe als je wilt. Vandaag het verhaal van Marjolein Kranenburg.

Heprep in de Klok

De streep licht op Ella’s dekbed wordt breder. Ze ziet het silhouet van een klein meisje aftekenen tegen het licht op de overloop.

‘Hallo zusje,’ zegt Ella, en ze slaat haar dekbed uitnodigend terug. Patty kruipt samen met Pluizenbeer tegen haar aan. Beneden woedt een gedempte ruzie, die dankzij de houten vloer veel te goed te horen is.

‘Mama zal zo wel naar boven komen,’ zegt Patty, ‘en dan wil ze toch in mijn bed slapen, dus…’

‘Het is goed, zusje, ik vind het fijn dat je bij me bent.’ Ella slaat haar arm om haar zusje heen, en zwijgend proberen ze de ruzie niet te horen.

Ella hoort een pets van huid op huid van beneden komen. Niets zeggen, mama, smeekt Ella in haar gedachten. Maar mama zegt een lelijk woord en meer petsen klinken, gevolgd door een doffe bons op de vloer. Ella perst haar lippen strak op elkaar. Hopelijk kan haar kinderfeestje morgenmiddag wel doorgaan. Haar verjaardag is inmiddels al twee maanden geleden, en haar feestje is al een keer verzet omdat mama ziek was dankzij papa.

Patty pakt Ella’s hand vast.
‘Vertel nog eens over Heprep die in papa’s klok woont,’ zegt ze fluisterend. ‘Wat doet hij als zíjn papa en mama ruzie maken?’

Ella haalt diep adem en denkt na. Toen Patty haar vroeg waarom de Friese staartklok raampjes had, verzon Ella het verhaal over het mannetje in de klok. Patty had met grote ogen geluisterd en toen Ella had gezegd dat niemand wist hoe hij heette, had Patty haar glunderend aangekeken. ‘Ik weet het wel,’ had ze op samenzweerderige toon gezegd, ‘hij heet Heprep.’
‘De ouders van Heprep maken nooit ruzie. Dat hebben ze een keer geprobeerd, maar toen werd Heprep zo boos, dat ze het nooit meer deden.’

‘Oh? Wat deed Heprep dan?’

‘Hij bond zijn vader vast met de ketting waar de gewichten aan hangen.’

 

 

‘Deed hij dat? En werd zijn vader toen niet boos?’

‘Jawel, woedend werd hij. Begon te schelden en te schreeuwen. Nog erger dan onze papa. Maar dat moet je niet doen bij Heprep. Oh nee. Dat is echt niet slim. Want Heprep haat schelden en schreeuwen.’

‘En toen?’ Patty’s handje knijpt hard in die van Ella.

‘En toen pakte hij één van de koperen gewichten en sloeg zijn vader daarmee zo, boem, op zijn hoofd.’

‘Echt?’

‘Echt. En toen zijn vader nog harder begon te schelden, sloeg Heprep hem steeds weer op zijn hoofd, harder en harder, tot zijn vader ophield.’

‘Was hij dood?’

‘Nee joh, dat zou Heprep nooit doen. Nee, Heprep sloeg de vieze woorden uit zijn papa’s hoofd, en daarna zei zijn vader alleen nog maar aardige dingen.’

Dan wordt het donkerder in de kamer, en de meisjes draaien gelijktijdig hun hoofden naar de slaapkamerdeur.

‘Mam,’ zegt Patty, ‘ik lig al bij Ella hoor. Dan kun jij in mijn bedje slapen. Wil je Pluizenbeer vasthouden? Hij kan heel goed troosten.’

‘Dat is lief van je, Patty. Maar dat hoeft niet. Hij wil vast liever bij jou slapen vannacht. Doen jullie je oogjes nou maar dicht en ga slapen. Het is al erg laat.’

‘Mam,’ zegt Ella, ‘gaat mijn feestje morgen wel door?’

Als haar moeder blijft zwijgen laat Ella zich in haar kussen zinken, en trekt haar dekbed verder omhoog.

‘Ga maar slapen,’ zegt haar moeder.

Ella zegt niets.

Ella wordt wakker van het gegil van Patty. Het komt van beneden. Haar kamer is in een groen licht gehuld door de zon die op haar gordijnen schijnt. Ze springt uit bed en rent de trap af. In de huiskamer ziet ze Patty naast haar vader staan, die onderuitgezakt in zijn stoel zit. Zijn hoofd is achterover gebogen, en zijn ogen lijken naar de Friese staartklok te staren die stil boven hem aan de wand hangt.

Patty gilt opnieuw, klapt in haar handen en springt op en neer. ‘Hij heeft het gedaan. Hij heeft het gedaan! Heprep heeft de vieze woorden uit papa’s hoofd geslagen. Nu is er nooit meer ruzie!’

Op de grond naast papa’s stoel ligt een koperen gewicht.

De oversteek – Liet Waller

Vier studenten maken nog kans om de winnaar te worden van onze schrijfwedstrijd. Deze week publiceren we elke dag een van de verhalen, en vrijdag maken we de winnaar bekend.

De opdracht was: schrijf een verhaal dat je ooit als kind bedacht maar nooit opschreef. Trek het naar de volwassen wereld, zonder kinderhandschrift en typefouten, maar zoek hetzelfde gevoel. Voeg er zoveel inzichten, spanning en fantasy aan toe als je wilt. Vandaag het verhaal van Liet Waller!

De Oversteek

De dreiging die muis Akkerman voelde bij het opkomen van de zon sloop langzaam dichtbij als een naderende schaduw. Hij wist dat het de laatste nacht was geweest dat hij aan de akkerrand had geslapen. Hij nam zijn vertrouwde wereld nog eens goed in zich op. Hij dacht aan zijn muizenfamilie en de vrienden: de vriendelijke Danko de haas, de ijdele Staartekip de fazant, de bunzings, wezels en Tar de boerderijkat. Alhoewel die laatste drie geen muizenvrienden waren. De dieren op de akker konden elkaar allemaal verstaan. Vriend en vijand, ze wisten wat ze aan elkaar hadden. Dat er soms een muis of haas verdween hoorde nu eenmaal bij het leven.

Maar wat mensen, machines en lawaai nu op de akker deden kon geen dier begrijpen en ze waren allemaal bang.

Bosjes en planten vormden een scheiding met een weg. Akkerman wist van zijn vader, die alles wist, dat het een snelweg was, die harde, kale grond met stinkende lawaaidingen. Zijn vader had er altijd streng voor gewaarschuwd en de dieren bleven er ver vandaan. Akkerman ging daar toch stiekem weleens bramen zoeken en vertelde zijn familie niet waar hij het lekkers vandaan had. Maar wel had hij gezien wat er aan de andere kant van die snelweg was. Daar trokken op deze ochtend zijn gedachten naartoe.

Akkerman klom in de stevige tak van een bosje. Vanuit zijn uitkijkpost zag hij dat verschillende dieren schuilplaatsen zochten of zelfs vluchtten. Hij zag Tar de kat op de loer liggen om te pakken wat hij pakken kon. Er prikten rood-witte stokken in de aarde, eentje vlakbij het hol van Akkerman.

De akkerranden waren gevaarlijk, daar waren de mensen met die stokken en machines bezig en in het hoge gras konden zich ook vijanden verstoppen. ‘s Avonds laat de akker oversteken dan? Nee. Gepakt worden door de vliegende muizenmoordenaars? Akkerman viel bijna radeloos naar beneden. Hij herpakte zich al snel en riep de muizenfamilie bij elkaar.

‘Wij moeten vertrekken, vanavond nog!’

Iedereen was opgewonden, niemand had een goed idee en iedereen wist het beter.

Als leider van de familie vertelde hij eindelijk zijn plan. De muizen keken elkaar verdwaasd aan. Een snelweg? Grasland aan de overkant? Waar? Hoe? Akkerman legde het begin van de reis uit. Dat was naar de bramenstruiken, vlakbij de snelweg. Het woord ‘bramen’ veroorzaakte nieuwe opwinding. O heerlijke zoetigheid! Akkerman nam weer streng het woord. Tot de bramen zou het niet zo moeilijk zijn, tenzij er vijanden in de buurt waren. Daar, onder de bramen zouden ze zich schuilhouden. In de nacht, als er maar weinig stinkdingen voorbij raasden, zouden ze zo snel ze konden oversteken naar het grasland, waar ze veilig zouden zijn. Dat zou de gevaarlijkste onderneming zijn.

Hoe dom was een stout neefje van Akkerman! Tijdens de oversteek rende hij plotseling terug om de braam te pakken die hij had laten vallen. Zowel de braam als hij waren nu plat. De rest van de familie stond dicht tegen elkaar aan, hijgend en geschrokken, op het grasland. Akkerman intussen viel van de ene schrik in de andere. Hij kon zijn kraalogen niet geloven. Het nieuwe grasland was maar een smalle strook! Met aan de andere kant nog zo’n snelweg. Ook daar raasden auto’s voorbij, nu allemaal de andere kant op. Ze zaten gevangen tussen twee hekken op een smalle strook gras en planten.

Alweer kreeg Akkerman een schok, want de muizen hoorden nu iets groots hun kant op ritselen. Een enorme bruine rat doemde op.

‘Goedenavond muizengezelschap,’ zei hij, ‘wie is hier de baas?’ Akkerman stapte voorzichtig naar voren.

‘Ik ben Joerick,’ zei hij. ‘Ik woonde hier prima. Maar nu ga ik vertrekken, op zoek naar een vrouw. Die kan ik hier niet niet vinden, deze nacht al, het is niet anders. Jullie zijn welkom, gebruik gerust mijn hol!’

Doodmoe tuimelden de muizen het grote hol in. Ze vielen als een blok in slaap. Akkerman niet. Deze sprak ’s morgens vermoeid de groep toe.

‘We zijn Joerick veel dank verschuldigd, alles heeft hij uitgelegd vannacht. Er is eten genoeg. Blijf altijd ver van de weg. Wij kunnen prima overleven hier’.

Wie denkt dat er tussen de vangrails geen dieren kunnen wonen, weet nu wel beter.