Rood – verhaal door Amie Teeuwen

Het laatste verhaal dat een plekje heeft behaald in de top 3 van de Thriller-schrijfwedstrijd is ‘Rood’ door Amie Teeuwen! 

Alle verhalen zijn beoordeeld op stijl (woordkeus, dialogen, etc.), intrige (o.a. originaliteit, verrassing) en uiteraard op spanning.

Het verhaal van Amie Teeuwen viel op door een hele eigen schrijfstijl. Het is bovendien het verhaal waar het meest over gediscussieerd is binnen de jury. Rood is goed geschreven, heeft een prima spanningsopbouw en het einde komt als een verrassing. Een schrijver met talent, dat is zeker!

Wij feliciteren Amie, Connie en Nadia met hun prijswinnende verhalen! Maandag zullen we via Facebook onthullen op welke plek deze drie topverhalen zijn geëindigd. 


Rood

Hij gooide nog even haar schoenen in de vuilnisbak. In het rode leer van de rechterschoen, die hij met zijn laatste restantje liefde nog iets langer had vastgehouden, stond de afdruk van haar kleine teen, een bolletje waar de kleur iets afgesleten leek. Hij dacht aan die zondagmiddag in het park, weggedommeld in de namiddagzon. Wakker geschrokken, had hij, naast zich, een rode pump ontwaard, wippend. Zijn ogen waren langzaam omhoog gekropen, langs de kousen die haar benen deden glanzen, de rok die zich bevallig om haar dijen plooide, langs het korte bontjasje en het rode sjaaltje, wulps om haar blanke hals geknoopt. In een flits zag hij het korte zwarte kapsel, de blanke huid en een zweem van rode lippen. Hij wendde snel zijn blik af. Te jong, te aantrekkelijk. Maar ze begon tegen hem te praten. Het bracht hem van zijn stuk. Wat zei ze? Ze lachte om haar eigen woorden. Verward mompelde hij iets. Hij had zich herpakt en zich naar haar toe gedraaid. Hij was immers 47, niet oud, en zag er nog prima uit.

Een uur later hadden ze er nog gezeten. De zon was verdwenen. Zij bleef behaaglijk in haar bontjasje en praatte en lachte haar volle rode lippenlach. Hij gloeide van haar warmte. Haar woorden, haar gave blanke huid, haar geur, alles betoverde hem. Ze draaide zich verder naar hem toe en tussen de knopen gaapte haar jas. Hij zag een stukje van haar bloesje. Nog meer knopen. Zijn spijkerbroek verstrakte. Hij rook haar seksualiteit en het leek haar niet te deren. Maar hij luisterde ook, gretig. Dronken werd hij, van haar woorden, haar wulpsheid, haar onverdeelde aandacht.

Even dacht hij aan Els, brave Els, toegewijde Els. Die op hem zat te wachten, met groene thee. “Hoe heet je eigenlijk?”, vroeg hij. “Lolita”, zei ze. “Mijn ouders waren kennelijk geïnspireerd door Nabokov. Of de naam bij me past is voor jou een vraag, voor mij een weet”, voegde ze er olijk aan toe. Hij voelde de opwinding die de naam opwekte. Weer werd zijn blik getrokken naar de opening tussen de tweede en derde knoop van het bontjasje. Dat bont, luxueus, zacht, aaibaar, gevaarlijk. Ze stond op. “Ga je mee voor een kop koffie?”, vroeg ze. “De zon is weg. Ik heb het wat koud.” Hij keek naar het koffiehuis aan de overkant en dacht even aan Els en de groene thee. “Prima”, zei hij. “Ik kan wel een opwarmertje gebruiken.”

Zo was het begonnen, een jaar geleden. Ze waren naar het koffiehuis gelopen, maar ze pakte haar sleutel en opende de deur ernaast. Ze bleek boven het koffiehuis te wonen, in een klein appartement. De koffie dronken ze aan haar tafel, maar nog voor hij zijn laatste slok kon nemen, hadden ze al in bed gelegen en laafde hij zich gulzig aan haar lichaamsvocht. Hij ontdekte haar. Alles was mooier aan haar, veel mooier dan de voorstelling die hij in het park had gemaakt, veel mooier dan Els, mooier dan Els ooit. Hij had geen schaamte gekend, geen schuld. Hij was de man van zijn eigen dromen geworden.

Naderhand was hij naar huis gegaan, dronken van lust, wetend dat hij dit niet meer kon loslaten. Els had hem groene thee voorgezet en ze had hem vragend met haar wereldvreemde bruine ogen aangestaard. “Heb je een leuke middag gehad?” Hij had haar weg willen duwen, slaan zelfs, de hete thee in haar goedmoedige gezicht willen gooien. Zijn agressie bracht hem van zijn stuk. “Ik ben moe. Ik ga vroeg naar bed.” “Als je wilt douchen, pak ik een schone handdoek voor je. Ze liggen nog in de wasmand.” Hij voelde hoe zijn longen zich vulden met woede, hij kreeg een prikkelend gevoel achter zijn ogen en zijn oren begonnen te suizen. Wie was zij om te bepalen dat de geur, het zweet, de sporen van Lolita’s handen en haar natte mond van zijn lichaam gespoeld moesten worden? “Ik ben niet gehandicapt”, had hij haar toegebeten en hij hoorde hoe ze scherp inademde.

In de maanden die volgden verdween hij geheel in zijn Lolita. Hij vernederde Els als hij haar zag en ze kwijnde weg. Hij haatte haar afhankelijkheid. Bij iedere toenadering vluchtte hij, van de ene hunkerende vrouw naar de andere. Van een trouwe hond naar een speelse poes, had hij zichzelf voorgehouden. Lolita was verrukkelijk, hij verdiende haar, zijn goddelijk meisje, zijn seksspeeltje, zij die zijn naakte lichaam zag en het bewonderde. Haar adoratie deed hem opzwellen. Maar Lolita was meer, zijn gelijkwaardige, slimmer zelfs. Gevaarlijk ook. Ze kneedde zijn gedachten, ze stuurde hem, en hij, liefdesgeile gek, liet haar begaan. “Verlaat je vrouw, je hebt niets aan haar, ze is een blok aan je been, ze ziet je niet zoals ik je zie.” Ze werd aanhoudend, dwingend zelfs. “Laat haar gewoon in de vaart lopen”. Het was haar menens. Als hij, geschrokken, niet antwoordde, duwde zij hem ruw van zich af, ging uitdagend voor hem staan, zodat zijn lusten onbedwingbaar werden en hij hijgend inging op haar suggesties.

En nu, wederom vlak voor zijn hoogtepunt, nu hij als was in haar lichaam wegsmolt, bespeelde ze hem. Hardvochtig rukte ze hem uit haar lichaam en spoot haar gif. “Ontdoe je van je vrouw. Hoe moeilijk kan dat zijn? Waarom zou je je leven vergooien aan een nutteloos blind oud wijf?!?” Hij ademde scherp in, trok zich naar de rand van het bed. Op de grond lagen haar schoenen, hitsig uitgeschopt, en het leek alsof hij verzoop in het rood, het spoot als bloed door zijn ogen, vulde zijn mond, suisde in zijn oren en hij zag niets meer, voelde alleen de blanke hals in zijn sterke, klemmende vingers.

Duizelig graaide hij zijn spullen bijeen, opende de voordeur en wankelde in trance naar de verlaten parkeerplaats bij de supermarkt. Hij wilde net de zak in de container gooien, toen hij de rode schoenen zag. “Shit!” siste hij.

Hij belde Els. “Ik kom eraan. Nog even iets opruimen.”

 

Wie ik dacht dat je was – door Nadia Menkveld

Het tweede verhaal dat verzekerd is van een plekje in de top 3 van de Thriller-schrijfwedstrijd is ‘Wie ik dacht dat je was’ door Nadia Menkveld! Op welke plaats Nadia precies is geëindigd blijft nog even geheim, maar het verhaal is alvast te lezen.

Alle verhalen zijn beoordeeld op stijl (woordkeus, dialogen, etc.), intrige (o.a. originaliteit, verrassing) en uiteraard op spanning.

Het verhaal van Nadia Menkveld werd door de jury bestempeld als spannend en strak geschreven, zonder zich schuldig te maken aan overbodige details of onnodige compilaties. In een mooie, vloeiende stijl neemt de schrijver je mee in een origineel verhaal mét een verrassend einde. 


Wie ik dacht dat je was

Je stapt binnen op de bedrijfsborrel. Je haar zit in een knot, maar niet een zakelijke strakke, hoog opgestoken knot. Nee, plukken blond haar golfen over je schouder en het speldje dat je hebt gebruikt om een paar plukken weg te steken hangt werkeloos in je haar. Het is duidelijk dat je hier niet hoort. Geen mantelpak, maar een roze fluwelen ribbroek en wijde pijpen. Je bloesje is wit, van zijde en doorzichtig. Wil je me daarmee iets vertellen? Wat doe je hier op de Zuidas tussen alle saaie krijtstreeppakken? Je bent als een toverbal die per ongeluk in de bak met suikervrije drop terecht is gekomen. Kleurrijk, spannend en zoet. Ik kan je bijna proeven. Ik wil je likken, laagje voor laagje zien wat er onder zit. Verrast worden. Genieten. Tot ik bij de zachte kern kom. Datgene waar het echt om gaat. Dat wat jij niet laat zien aan anderen. Dat je zo angstvallig verborgen houdt ook al heb je je doorzichtige bloesje aan.

‘Anna’ zeg je, als de jongen met een zonnebril in zijn haar vraagt hoe je heet. Anna. Een naam voor koninginnen. Klassiek. Stijlvol. ‘Een witte wijn. Pinot Grigio.’ Antwoord je als hij vraagt wat je wilt drinken.  Met je rug naar de bar en je ellebogen erop leun je naar achter. Je borsten tekenen zich af onder je zijden bloesje. Is dat wel verstandig? Hij lijkt onschuldig. Maar de zonnebril zou een wolf in schaapskleren kunnen zijn. Heb je American Psycho niet gezien?  Je bent waarschijnlijk opgegroeid in een wooncommune. Zo één met een bos, een boomhut en een zelfgebouwd theater in de achtertuin. Vrienden en familie om je heen. Iedereen aardig. Vriendelijk. En milieubewust. Een veilige omgeving. Je bent niet toegerust voor deze wereld. Dit is de Zuidas. Het centrum van kapitalisme. Hier is het eten of gegeten worden. En jij lieve Anna. Jij staat onder aan de voedselpiramide. Je bent een insect in deze kantoorjungle.

De zonnebril geeft je aandacht en je gooit je haar naar achter. Het speldje hangt nu los aan de zijkant. Je drinkt je derde glas Pinot Grigio leeg. Betaald door de zonnebril. Je weet toch wat hij van je wilt? Zijn hand ligt inmiddels op je onderrug en glijdt nog verder naar beneden. Waarom sla je zijn hand niet weg? Ben je zo makkelijk? Hij staat dicht tegen je aan. Je moet zijn lichaamswarmte door je zijden bloesje heen voelen. Dit gaat niet goed aflopen Anna.

Een andere krijtstreeppak komt erbij staan. De zonnebril stelt je niet voor, maar gaat met zijn rug naar je toe staan. Zo laat je je toch niet behandelen? Maar je blijft aan de bar en drinkt je wijn. Niemand die met je praat.

Ineens loopt de zonnebril weg en je blijft alleen over. Een lege barkruk naast je. Je kijkt op je telefoon en probeert druk te lijken, maar het is duidelijk dat je in de steek bent gelaten. Het is gênant. Je glas is leeg en je kijkt besluiteloos om je heen. De zonnebril staat met de krijtstreeppak aan een tafel. Hij heeft liever suikervrije drop, dan een mooie toverbal. En je staat op. Je pakt je rode tas van de vloer en loopt de deur uit. Eindelijk, Anna. Good for you. 

Het is donker buiten. De Zuidas is verlaten. Je loopt onder de tunnel door richting de Minervastraat. Je slaat af en loopt langs de stille kade. Je hakken klikken op straat. Net iets te hard. Je bent boos. Teleurgesteld. Maar dit is niet hoe de avond hoeft te eindigen. Misschien kunnen we de avond juist goed, beter, fantastisch laten eindigen. Het geluid van je hakken kaatst via de dure woningen weer terug naar de enige mensen die hier lopen. Jij en ik.

Je hoeft niet sneller te lopen. Ik wil alleen even met je praten. Je vertellen dat niet alle mannen zo zijn. Dat er ook goede zijn. Als je je maar openstelt. Dat Tinder, Happn en InnerCircle de verkeerde signalen afgeven. Op basis van een foto bepalen met wie je wilt daten is oppervlakkig. Een te grote neus? Swipe  links. Inhammen? Swipe links. Scheve tanden? Swipe links. Er zijn belangrijkere dingen dan een neus of haarlijn. Je moet iemand afpellen. Uiterlijk is slechts het eerste laagje. Eronder kan een diamant schuilen.

Je begint steeds sneller te lopen. Je wil niet toegeven aan je instinct. Je paranoia. Je waanbeelden. Had je dat maar wel gedaan, Anna. Dan had je die Uber nog kunnen nemen. Nu is het te laat. Nu zijn we alleen.

Je draait je om en ik kijk je recht aan. Je ogen zijn prachtig. Groen. Met een amber randje. Je pupillen worden kleiner. Je hoeft niet bang te zijn, echt niet. ‘Wie ben je?’ vraag je. Je zoekt toenadering. Jij wilt mij ook beter leren kennen. Ik wist wel dat je niet zo oppervlakkig zou zijn. Dat je door mijn imperfecties heen kon kijken. Je hebt naar rechts geswiped. We zijn een match. Mijn hart maakt een sprongetje. ‘Ik ben John’ antwoord ik vriendelijk. ‘Waarom volg je me?’ We hebben contact. Je bent anders dan alle andere vrouwen. ‘Ik wilde je waarschuwen Anna’  Bij het horen van je naam, schrik je. Shit. Ik had je naam niet moeten noemen. Te laat. ‘Niet bang zijn. Ik. Ik wil je alleen beter leren kennen’ Je antwoordt niet. Waarom antwoordt je niet? Heeft de angst het nu overgenomen? Je reptielenbrein treedt in werking. Vluchten, vechten of bevriezen. Wat wordt het? Niet rennen. Ik heb je nummer niet. Maar je rent toch. Ik ren achter je aan, maar je bent snel. Je zit duidelijk op een sport. Beetje bij beetje haal ik je in. Je draagt hakken. Een nadeel. Ik strek mijn arm uit en leg mijn hand op je schouder. Ik wil je geruststellen, maar je draait je fel om en schudt mijn hand van je schouders. In je rechterhand schittert plotseling een mes. En zonder waarschuwing. Zonder greintje mededogen. Zonder aarzeling zet je het mes in mijn ribben. De punt glijdt precies tussen twee ribben door zo mijn milt in. Met een bloedende milt houd je het niet lang vol. Het is zo afgelopen met me. Ik steek mijn hand uit om je zachte huid te voelen, maar je deinst terug. Mijn arm valt op het harde asfalt. Een zachte plof. Ik kijk je aan. Met koude ogen kijk je terug. Je laat me liggen als een oude lappenpop. Waar is onze liefde gebleven? We waren een match. Jij was toch mijn toverbal? Of had ik het mis? Misschien ben je toch niet wie ik dacht dat je was.

In de kast – verhaal door Connie Mitchell

Het eerste verhaal dat verzekerd is van een plekje in de top 3 van de Thriller-schrijfwedstrijd is ‘In de kast’ door Connie Mitchell! Op welke plek Connie precies is geëindigd blijft nog even geheim, maar het verhaal is alvast te lezen.

Alle verhalen zijn beoordeeld op stijl (woordkeus, dialogen, etc.), intrige (o.a. originaliteit, verrassing) en uiteraard op spanning.

Het verhaal van Connie Mitchell sprong eruit door een interessante perspectiefkeuze en een prettige stijl waardoor je door wilt blijven lezen. De spanning wordt subtiel opgebouwd en werkt toe naar een einde dat je als lezer verslagen achterlaat.


In de kast

Hij gooide haar schoenen nog even in de vuilnisbak. De rode pumps waren de aanleiding geweest voor ruzie. Te hoerig, te uitdagend. Vanuit de donkere voorraadkast keek ik de zonnige keuken in waar ik haar blote voeten met rode teennagels bewegingsloos achter het kookeiland zag uitsteken. In het schuin binnenvallende zonlicht danste stof op en neer. Ik wilde dat stof zijn, dicht bij haar, maar onzichtbaar voor hem. Mijn ogen kon ik niet van haar afhouden en ik probeerde haar stille benen te laten bewegen met mijn gedachten, (sta op, doe iets). Het enige dat bewoog was de grote man aan het aanrecht die neuriënd, eieren met spek stond te bakken. Hij was weer rustig geworden.
In plaats van naar haar keek hij naar een telefoon in zijn hand. Haar telefoon. Meermalen drukte hij op het scherm maar het toestel bleef op slot. Alleen de achtergrondfoto van hun tweeën op het strand, proostend met een cocktail was zichtbaar. Ook die dag was geëindigd in ruzie. Hij bleef het proberen maar de telefoon gaf zijn geheimen niet prijs. De code was mijn verjaardag. Dat wist hij natuurlijk niet. Hij wist helemaal niets over mij, wilde niets weten over mij. De speklucht die de keuken vulde maakte me een beetje misselijk.
‘Verdomme.’ Toen zijn blik verplaatste van het telefoonscherm naar de deur van mijn schuilplaats draaide ik me weg van de spleet en staarde naar de binnenkant van de deur, alsof ik hem op die manier kon tegenhouden. Mijn hart bonsde in mijn keel. Achter de deur hoorde ik lopen en schuiven. Mijn adem inhoudend keek ik weer om het hoekje van de deur en zag dat hij haar lichaam had versleept zodat er ruimte ontstond om naast haar te knielen. Haar arm naar zich toetrekkend duwde hij haar wijsvinger op de telefoon.
‘Godverdomme. Ik wist het wel. Vuile hoer.’ Hij schopte tegen de stille benen en weer gleden zijn ogen langs de deur waarachter ik zat. ‘Godverdegodver. Nee, nee, echt niet, ik heb alleen over Brian contact met mijn ex.’ Hij deed haar stem zeurend na. ‘Je hebt gewoon zitten liegen tegen me,’ brieste hij met zijn gezicht nu vlak bij dat van haar. ‘Vuile leugenaar’. Met een wilde armbeweging gooide hij de telefoon tegen een keukenkastje waarna het terug stuiterde op de vloer en doorgleed tot op een halve meter van de kastdeur. Van schrik deed ik een stap naar achter en raakte het voorraadrek. De blikjes kattenvoer wankelden. Ik sloeg mijn hand voor mijn mond. Had hij iets gehoord? Stokstijf bleef ik staan en wachtte, luisterde.
‘En nu zijn de eieren ook nog aangebrand. Allemaal jouw schuld.’
Het wende nooit. Hoe vaak ik het allemaal al eens gehoord had. Zelfs nu ze niet meer kon antwoorden bleef hij tegen haar schelden. Door het kiertje kijkend naar het gebarsten scherm van de telefoon op de grond vroeg ik me af of je er nog mee kon bellen. Zou ik erbij kunnen?
Ik rekte mijn arm uit, schoof met mijn vingertoppen de telefoon over de grond dichterbij, pakte hem op en verplaatste me daarna zover mogelijk naar achter. Zittend tegen de muur keek ik naar de smalle streep licht die naast me op het voorraadrek viel en luisterde opnieuw. Het enige dat ik hoorde was mijn eigen hart. Op het zwaar beschadigde telefoonscherm toetste ik met trillende vingers mijn verjaardag in. Het scherm van haar telefoon kwam tot leven.
‘1-1-2. Onthou het maar als volgt: Ik ben één, jij bent één en samen zijn we twee.’ Haar stem klonk helder in mijn hoofd.
‘Alarmcentrale 1-1-2, wilt u politie, brandweer of ambulance?’
De stem klonk hard in mijn oor. Zou hij het ook kunnen horen door de deur heen?
‘Hallo.’ De stem klonk nu nog harder en ik vouwde mijn hand rond mijn mond en de telefoon.
‘Mijn moeder ligt op de keukenvloer,’ fluisterde ik.
‘Je moeder ligt op de keukenvloer.’
Ik hoorde de vrouw aan de andere kant typen op een toetsenbord. ‘En er is bloed.’
‘Hoe heet je, lieverd?
‘Brian.’
‘En hoe oud ben je?’
‘Zeven.’
‘Kan je moeder nog praten?’
‘Weet ik niet.’
‘Heeft ze haar ogen open?’
‘Weet ik niet.’
‘Waar ben je Brian?’
‘Thuis.’
‘Is dat in de Boterbloemstraat? Nummer 48?’
De streep licht die naast me op de vloer viel werd iets groter. De deur kraakte. Ik drukte mezelf nog harder tegen de muur en wilde erachter verdwijnen. Minoes liep met haar lijfje langs mijn opgetrokken benen en miauwde.
‘Sstt. Stil Minoes.’
‘Brian?’
‘Ja.’
‘Ik ga je helpen, Brian, maar dan moet jij mij helpen. Waar in het huis ben je?’
‘In het voorraadhok.’
‘Is dat bij de keuken waar je moeder ligt?’
‘Ja.’
‘Is er nog iemand in huis, Brian?’
‘Ja. Henk.’
‘Is Henk de reden dat je in de kast zit?’
Ik knikte. Opnieuw kraakte de deur en dit keer werd de streep zonlicht snel veel groter. Toen hij mijn gezicht raakte kneep ik mijn ogen dicht tegen het plotselinge felle licht.
‘Brian? Ben je er nog?’
Henk griste de telefoon uit mijn handen.
‘Het spijt me mevrouw. Brian belt wel vaker 112. Er is niets aan de hand.’
Ik hoorde de vrouw aan de andere kant van de lijn niet meer.
‘Nee. Ja. Hij heeft nu eenmaal een levendige fantasie. Nee, nee, niets aan de hand.’
Ik keek naar de grote gestalte voor me. Zijn gezicht was door het zonlicht erachter, een grote zwarte vlek. Ik zou onder zijn arm door kunnen rennen.
‘Ja, dank u. Ik zal even streng met hem praten.’ Zijn hand met daarin de telefoon bewoog naar beneden. Hij pakte rustig mijn hand en trok me omhoog. ‘Kom maar mee.’ Zijn stem was kalm, zoals zo vaak van tevoren. We liepen langs het lichaam van mama en ik voelde het bloed aan mijn witte sokken plakken.
‘Sorry, mama,’ fluisterde ik.
‘Mond dicht.’ Hij gaf een harde ruk aan mijn arm terwijl hij in het voorbijgaan haar telefoon nog even in de vuilnisbak gooide.

Je veux de l’amour – met dit verhaal behaalde Tineke van Woudenberg een plek in de top 3

De top 3 is gekozen!

Deze week maken we de top 3 van onze zomerse schrijfwedstrijd bekend! Op maandag, woensdag en vrijdag publiceren we steeds 1 verhaal op onze site.

Let wel op… dit doen we in willekeurige volgorde.

Iedereen uit de top 3 wint een mooie prijs. Nadat alle verhalen gepubliceerd zijn, zullen we onthullen wie is geëindigd op nummer 1 en een plekje wint in de gloednieuwe klas Autobiografisch schrijven!

Vandaag het verhaal van Tineke van Woudenberg. Gefeliciteerd!


Je veux de l’amour

Ik babbel met de gast die mij een glas aanbiedt
tot ik genoeg heb voor een volgende stap
ik babbel met het meisje dat er tof uitziet
ik sloof me uit, een compliment, een grap
maar ik wil geen grap meneer
ik wil geen grap
je veux de l’amour
(Raymond van het Groenewoud)

Wat nou vakantieliefde. Ik wil gewoon liefde, Altijd en overal!

Er zijn mensen die er het hele jaar naar uitkijken. Vakantie. Ze zetten er geld voor opzij, ze zijn eindeloos bezig met het uitzoeken van de accommodatie, de reis, de geschikte periode. Die paar weken van het jaar moet alles gebeuren. Dan moet het mooi weer zijn. Dan moet er lekker eten zijn. Dan moet die potentiële vakantieliefde ook op die plek aanwezig zijn. En beschikbaar ook, natuurlijk. Zoveel eisen. Alles moet perfect zijn.
Maar er gaat altijd wel iets mis. Het beloofde uitzicht uit het appartement is er niet. Het vliegtuig is vertraagd. De bagage is kwijt. Het is te koud, te heet, te nat, te droog. En die mogelijke lover is toch minder mogelijk. Of minder lover.

Een klasgenootje van vroeger, laten we haar Monique noemen, kwam elk jaar in september naar school met verhalen over de vakantieliefde van dat jaar, van die zomer. Wekenlang bleef ze dan mijmeren over die mooie jongen. Ze speurde de school af naar jongens die op hem leken, maar niemand van onze school kwam in de buurt van haar vakantiegod.

Ik wou dat ook wel, een vakantieliefde. Elke zomer hoopte ik dat het zou gebeuren. Maar ik kwam hem nooit tegen.

Misschien was onze manier van vakantie vieren er niet echt geschikt voor. Monique stond vier weken op dezelfde camping in Frankrijk aan een meer met een surfstrandje. Wij verbleven in een eenzaam huisje of trokken rond van hotel naar hotel.

Misschien zag ik er niet goed genoeg uit. Monique was van zichzelf al lichtbruin en stond dan glimmend van de zonnebrandolie fier en topless op haar surfplank. Ik was bleek of anders roodverbrand. Ik kon niet fier staan, al helemaal niet op een surfplank.

Misschien wist ik ook gewoon niet hoe dat moest, contact leggen, iemand aanspreken. Monique was er kampioen in. En als ze het even niet wist kon ze ook nog wel haar broertje of zusje inzetten om een boodschap over te brengen. Ik vond het al moeilijk genoeg om met mensen te praten die ik al wel kende. En mijn broer zei al helemaal niets, tegen niemand.

Dus het werd nooit wat, die vakantieliefde.

Ik droom er niet meer van.

Tegenwoordig gaat alles vanzelf. Overal waar ik kom word ik aanbeden. Elke dag. In elk gezelschap. Niet alleen thuis. Ook op kantoor. Zelfs de kaasboer ontvangt me met heel veel liefde en aandacht. Elke week!

Dat is wat ik nodig heb. En dat is wat ik krijg. Ik hoef niet een heel jaar lang te wachten op vier weken vakantieliefde. Ik krijg het nu. Altijd. Overal.

Hete bliksem – met dit verhaal behaalde Elisabeth Weers een plek in de top 3

De top 3 is gekozen!

Deze week maken we de top 3 van onze zomerse schrijfwedstrijd bekend! Op maandag, woensdag en vrijdag publiceren we steeds 1 verhaal op onze site.

Let wel op… dit doen we in willekeurige volgorde.

Iedereen uit de top 3 wint een mooie prijs. Nadat alle verhalen gepubliceerd zijn, zullen we onthullen wie is geëindigd op nummer 1 en een plekje wint in de gloednieuwe klas Autobiografisch schrijven!

Vandaag het verhaal van Elisabeth Weers. Gefeliciteerd!


Hete bliksem

Haar mond is een stukje geopend, ze snurkt zachtjes. Haar adem ruikt naar zoete appeltjes, ondanks de pizza met extra knoflook die we vandaag gegeten hebben. Ik leun op een elleboog en kan mijn ogen niet van haar afhouden. De drukkende warmte heeft een laagje zweet dat glanst als parelmoer over haar lichaam gelegd. Ik luister naar het gerommel van onweer in de verte; het lijkt dichterbij te komen. Het kan behoorlijk spoken hier tussen de bergen aan het Lago Maggiore. Bliksemflitsen volgen elkaar steeds sneller op en zetten ons tentje in een flikkerend groen licht. De geur van ozon prikt in mijn neusgaten. Iris mompelt iets, maar slaapt door. Ze ligt op haar rug op het luchtbed, de witblonde haren als een aureool om haar hoofd. Bij iedere ademhaling zie ik de welving van haar borsten rijzen en dalen. De tepels prikken door de soepele stof van het zijden hemdje dat ze draagt. Ik weet dat ze baalt van het bescheiden formaat van haar borsten, maar ik vind ze prachtig. Precies goed eigenlijk: ze passen bij de rest van haar elfachtige uiterlijk. Sexy Tinkerbell in menselijk formaat. Mijn hand glijdt als vanzelf naar beneden mijn slipje in. Ritmisch draaien mijn vingers rondjes over het thermostaatknopje tussen mijn benen. Ik voer het tempo en de druk op en haal steeds sneller adem. Vlak voordat ik klaarkom verlicht een bliksemschicht ons tentje alsof er een schijnwerper op wordt gericht. Ik ben verliefd op haar. Het besef slaat in, gevolgd door de rollende donder die mijn gekreun overstemt.
Iris schiet overeind. ‘Wat was dat?’
‘Rustig maar, het onweert.’
Ze gaat weer liggen, maar ik zie dat ze trilt.
‘Ben jij bang?’ Ze kijkt me met grote ogen aan.
‘Nee.’ Niet voor het onweer.
Ze schuift wat dichter naar me toe en pakt mijn hand, waarvan de middelste vingers nog vochtig zijn. Ze krimpt in elkaar bij iedere donderslag. Hand in hand liggen we te wachten tot het natuurgeweld voorbij is. Ik voel me gelukkig en verdrietig tegelijk en denk aan alles wat niet zo mag zijn.

‘Hé schat, jij lijkt ver weg.’
Ik schrik op uit mijn herinneringen wanneer mijn man de keuken binnenkomt.
‘Ik stond na te denken over het avondeten’, lieg ik.
‘En, wat wordt het?’ vraagt hij gretig.
‘Stamppot met zoete appeltjes’, improviseer ik vlug.
Hij komt achter me staan, duwt me met zijn heupen tegen het aanrecht en zoent me in mijn nek.
‘Mmm lekker, hete bliksem’ fluistert hij.

Kou en regenbui – met dit verhaal behaalde Eefje Vugts een plek in de top 3

De top 3 is gekozen!

Deze week maken we de top 3 van onze zomerse schrijfwedstrijd bekend! Op maandag, woensdag en vrijdag zullen we steeds 1 verhaal publiceren op onze site.

Let wel op… dit doen we in willekeurige volgorde.

Iedereen uit de top 3 wint een mooie prijs. Nadat alle verhalen gepubliceerd zijn, zullen we onthullen wie is geëindigd op nummer 1 en een plekje wint in de gloednieuwe klas Autobiografisch schrijven!

Vandaag het verhaal van Eefje Vugts. Gefeliciteerd!


Kou en regenbui

Mijn norm van liefde en verlangen is door hem gesteld. Ik was pas veertien, ik hoorde met heel andere dingen bezig te zijn.

Ik ontmoette hem in de wasmachineruimte van de camping, de enige plek die warm en droog was. Hij was ouder, een stuk ouder, een man met een huis, een baan en een behoorlijk inkomen. Hij was volkomen misplaatst op een camping in de Ardennen. Hij was lang, hij had donker haar en hij was knap. Dat zagen al die andere vrouwen ook wel. Hij zag het niet, hij zag mij. We vonden elkaar, iedere keer in het hokje met de wasmachines.
De eerste keer overviel hij me met woorden van verlangen. Hij wist dat het niet kon, dat hij deze gevoelens niet voor me mocht voelen, maar hij kon zich niet langer bedwingen. Het was overweldigend. Ik voelde de grote gevoelens in mijn ontluikende lijf. Hij moest en hij zou toegeven aan zijn verlangen. Mijn meisjeslijf was nog niet helemaal af. Hij liet me weten hoe hij hunkerde en ik wilde het ook. Dacht ik. Hij heeft me fysiek geen pijn gedaan maar ik heb gehuild toen het voorbij was. Hij was weg en ik bleef, met een hart aan diggelen.
Ik kon er met niemand over praten, ze zouden me laten opsluiten. Ik wist dat het niet mogelijk was, natuurlijk wist ik dat. Deze man had een vuur in me ontstoken waar mijn lichaam nog niet aan toe was geweest. Ik huilde tot ik weer naar school moest.
Ik ging nog vijf jaar met mijn ouders naar dezelfde camping. En ieder jaar was hij er. Lang, knap en nog altijd misplaats. Het laatste jaar had ik hem één keer meegenomen naar mijn tent. De angst om betrapt te worden, verpestte het plezier. In het hokje konden we ongegeneerd samenzijn.
Zes zomers heeft hij me betoverd. Zijn woorden werden mijn verwachtingen van anderen. Ik zocht zijn hartstocht in alle mannen die ik later kuste. Ik nam mannen mee in mijn bed, hopend op dezelfde vastberadenheid.

Ik vond hem. Hij was niet zo lang, ook niet zo donker maar wel net zo misplaatst. Hij lijmde mijn hart, polijstte het en liet het fonkelen. Ik schonk hem drie kinderen en toen hij vroeg waar we die zomer op vakantie zouden gaan, wist ik maar één plek te bedenken. Zodra de tent stond, ging ik naar het wasmachinehokje met klamme handpalmen. Hij stond er nog, tussen de thrillers. De kaft was vergeeld, maar ik herkende hem direct. Hij was er. Ik trok de stoel naar ons hoekje. Het voelde als vreemdgaan. De spanning bouwde zich op in mijn kruis. Ik hijgde. Op bladzijde vijf kwam hij ten tonele. Ik sloot mijn ogen en zuchtte diep. Met zijn lange gestalte, knappe gezicht en nobele voorkomen; mijn Mr Darcy.

Loden soldaatjes – met dit verhaal won Eelco Leemans de 2e prijs!

De uitslag van de Moederdag schrijfwedstrijd is bekend. Afgelopen maandag publiceerden we het verhaal Worden van Connie Mitchel, dat je hier kan teruglezen. Ze won hiermee de 3e prijs.

Vandaag kunnen jullie het verhaal Loden Soldaatjes van Eelco Leemans lezen, waarmee hij 2e werd. Een nostalgisch verhaal over een bijzonder handige moeder.

We willen iedereen die een verhaal heeft ingestuurd hartelijk bedanken voor hun deelname.

Tot de volgende schrijfwedstrijd!


Loden soldaatjes

Eelco Leemans

‘Morgen ruimen we de achterkamer leeg, wie helpt er mee?’
‘Wat gaat er gebeuren dan?’
‘We leggen de Topsy Turvey in de kamer om op te knappen’
Voor het schuren en schilderen van het houten zeilbootje haalde mijn moeder met onze hulp alle meubels uit de achterkamer. De boot werd naar binnen gedragen door de tuindeuren en vervolgens kaal gekrabd, geschuurd en geschilderd om een paar weken later weer als nieuw naar buiten te gaan. In de tussentijd leefden we in de voorkamer. Schoolvriendjes kenden ons huis als ‘het huis met de boot in de kamer’.

Learning by doing, dat had haar motto kunnen zijn. Mijn moeder met haar Friese wortels leerde ons al doende schilderen, slootjespringen, schaatsen, bomenklimmen, timmeren en zeilen. Met alle soorten gereedschappen en materialen kon ze overweg. Van oude deuren bouwden we onder haar leiding een schuurtje in de tuin, compleet met een venster erin. We mochten dan de spijkers in de planken slaan. Soms sloeg je de spijker krom, maar met de klauwhamer kreeg je die er wel weer uit en dan probeerde je het opnieuw met een andere spijker. Op het dak plakte ze zwart teerpapier, wat in de zomer bloedheet kon worden. Vanaf het schuurtje had je een mooi uitzicht.

Het fornuis toverde ze om in een gasbrander door het deksel van een gaspit te halen.
‘Je moet het gas eerst helemaal zacht draaien en dan voorzichtig een lucifer erbij houden. Pas als hij brandt kun je het gas hoger draaien’.
In de blauwe, twintig centimeter hoge steekvlam konden we dan verschillende soorten metalen verhitten om te bewerken. Een gloeiend plaatje koper klopte je zo met een bolle hamer tot een koperen schaaltje. Voor elke klus had ze gereedschap en anders improviseerde ze wel.  Ze wist bijvoorbeeld precies met wat voor zaag je het beste een stuk Eternit kon afzagen. Zo’n plaatje kon uitstekend tegen warmte en kwam dus goed van pas als we iets aan het verhitten waren. Pas later begrepen we dat Eternit een merknaam van asbest was en dat je het stof daarvan niet moest inademen.

Op een dag haalde ze een paar antieke gietijzeren mallen tevoorschijn, bedoeld om tinnen soldaatjes te gieten. Ze kwamen uit het huis van een overleden oudtante en bestonden ieder uit twee helften die precies op elkaar pasten. Eén stel mallen vertoonde een soldaat, een ander een ruiter. Het waren figuren uit een negentiende-eeuws leger die mij sterk deden denken aan de soldaten en generaals van Stratego.

Tin was niet makkelijk te krijgen, maar lood des te meer. Altijd waren er wel verbouwingen in de buurt, dus stukken loden afvoerpijp lagen vaak op de stoep. Met een ijzerzaag was het zachte lood goed in stukken te zagen. Ook glas-in-lood ruiten kon je vaak vinden bij verbouwingen. Mijn moeder – voor haar familie en volwassen vrienden Wif en voor mijn vriendjes dus Tante Wif – aasde juist op glas in lood, want de gekleurde stukjes glas konden we weer gebruiken om glasmozaïeken te maken. Om de grootste stukken glas kleiner te maken deed ze die in een dichtgevouwen krant, waarna we daar met een hamer op mochten slaan. De stukjes gekleurd glas plakten we dan met Velpon op een stuk vensterglas.

Voor het maken van de soldaatjes liet Wif ons zien hoe je met een nijptank het glas uit de stroken lood kon halen. Het glas bewaarden we in een doos, waarna we het lood in stukjes van een paar centimeter knipten. De brokjes lood deden we vervolgens in een steelpan met een tuitje, die apart werd gehouden voor de loden soldaatjes. Op een hoog vuur wachtten we tot het lood ging smelten.
‘Jullie moeten veel melk drinken, want lood is een beetje giftig. Als je melk drinkt heb je er geen last van.’
Dus dronken we grote bekers volle melk terwijl het lood smolt in het pannetje. Het was heel mooi om te zien hoe de doffe brokjes een prachtige glans kregen terwijl het lood vloeibaar werd.

Het gieten zelf deden we op de tegelvloer in de keuken. Wanneer het lood helemaal gesmolten was, moest het in de mal worden gegoten. De twee gietijzeren delen hadden beiden een houten handvat. Terwijl de één de mallen met handschoenen aan tegen elkaar drukte, goot de andere voorzichtig het lood in de vorm. Vooraf kregen we duidelijke instructies:
‘Altijd zorgen dat degene die de mallen vasthoudt, klaar is voordat je gaat gieten. En het is heel belangrijk om de vormen eerst voor te verwarmen op het gasfornuis, anders kan het mis gaan’.
Na het gieten moest je de mal even laten afkoelen om het lood te laten stollen. Vervolgens hield je de mallen met de soldaatjes erin onder de kraan, waarbij een hoop gesis klonk en stoom opsteeg. Daarna haalde je de mallen los van elkaar en kwam de soldaat tevoorschijn.

Hoe het kwam weet ik niet, maar opeens werd het populair om bij ons thuis soldaatjes te gieten. Niet om er daarna mee te spelen, het maken zelf was spectaculair genoeg. Soms stopten we een soldaat die een klein beetje mislukt was gewoon weer terug in de pan, om hem te zien opgaan in de kokende plas lood. De soldaatjes die wel gelukt waren, beschilderden we met verschillende kleuren verf. Daarbij gebruikten we geen camouflagekleuren maar, net als op de voorkant van de Stratego doos, rood voor de broeken en zwart of wit voor de jassen.

De kinderen in mijn klas stonden nog net niet in de rij om bij ons thuis soldaatjes te mogen gieten. Eén van mijn klasgenoten had een oom die bij de stickerfabriek werkte en daardoor had hij elke maand wel nieuwe stickers die iedereen wilde hebben. Om een sticker van hem te krijgen had je een serieus ruilobject nodig, zoals een zeldzame sleutelhanger of een aansteker of rotjes in de zomer. Toen hij hoorde van de soldaatjes wilde hij graag een keer komen spelen. Blijkbaar had ik het ultieme ruilobject: het gieten van loden soldaatjes. Zo kon ik mijn schooltas al gauw volplakken met stickers.

Bij de eerste keren dat we de soldaatjes goten, was mijn moeder er altijd bij om aanwijzingen te geven of om zelf de steelpan van het vuur te halen en in de mallen te gieten. Na een tijd had ze voldoende vertrouwen om het proces aan mij over te laten. Op een mooie middag kwam één van mijn vriendjes mee vanuit school en besloten we soldaatjes te gieten. Er was nog wat lood over van een glas-in-lood raam dus we knipten de stroken in stukken, zetten de pan op het vuur en gooiden de stukken lood daarin. Wif kwam nog wel even kijken om te zorgen dat we melk dronken, maar daarna liet ze ons verder aan de slag gaan.

We goten een ruiter en een soldaat, waarna we de mallen onder de kraan hielden en soldaat en ruiter op het aanrecht legden. Ze waren goed gelukt en we wilden er nog twee maken, maar eerst dronken we allebei nog een groot glas melk terwijl het pannetje op het vuur stond. Toen het lood gesmolten was, pakte ik de steel van de pan met de ovenwanten en goot het lood in de mal, die mijn vriendje stevig vasthield op de keukenvloer. Op dat moment klonk er gespetter uit de mal en plotseling spatte het lood alle kanten op. Mijn vriendje liet de mal los en rende door de openstaande keukendeur naar buiten terwijl hij zijn bril afdeed en over zijn gezicht wreef. Ik zette het pannetje neer en liep achter hem aan. Op zijn bril waren duidelijk gestolde spatjes lood te zien. Mijn moeder kwam op het geluid af en begreep direct wat er was gebeurd.
‘Jullie zijn vergeten om de mal droog te maken en voor te verwarmen, daardoor is het lood alle kanten opgespat!’
Ze spoelde koud water over zijn gezicht en uiteindelijk viel het mee: op een paar kleine lichte brandwondjes na kwamen we er goed vanaf. Maar soldaatjes hebben we niet meer gegoten.

Twee jaar geleden is mijn moeder overleden. De dag na haar overlijden maakten we samen een kist voor haar. In de woonkamer hebben de kleinkinderen die vervolgens beschilderd, waarna we Wif met een boot naar haar laatste rustplaats brachten.


De schrijfwedstrijd

Hierboven lees je het verhaal van Connie Mitchell, waarmee ze de 3e plek behaalde. Volgende keer kunnen jullie het verhaal van Eelco Leemans verwachten. Voor de nummer 1 moeten we wat langer wachten, want Anna Paulz wint een publicatie in de nieuwe verhalenbundel van Ambo Anthos, tussen gevestigde auteurs als Roos Schlikker, Susan Smit, Murat Isik, Meester Bart,  Jowi Schmitz, Carla de Jong en Tania Heimans!

De bundel ligt binnenkort in de winkels.

Dit zijn de winnaars van de moederdag-schrijfwedstrijd!

In februari daagden wij onze studenten en alumni uit om een verhaal te schrijven. Het thema: Wat ik van mijn moeder leerde.

Zo’n vijftig inzendigen kregen we binnen, en wat voor inzendingen! Het thema leverde een hoop ontroerende, maar zeker ook grappige verhalen op. Mooie en minder mooie herinneringen werden door de driekoppige jury beoordeeld en vandaag maken we de top 3 bekend.

De top 3

  1. Denkend Riet – door Anna Paulz
  2. Loden Soldaatjes – door Eelco Leemans
  3. Worden – door Connie Mitchell

 

Worden

Connie Mitchell

‘Jij mag worden wat je wilt.’
Als ik mijn ogen sluit zie ik nog steeds haar lippen synchroon bewegen met de woorden die weerkaatsen in mijn hoofd als echo’s tussen de bergen. Woorden van mijn moeder, gericht aan haar enige dochter. Woorden zoals alleen een moeder ze kan uitspreken, ze kan laten opstijgen, zoals de vleugels het vliegtuig optillen, tot grote hoogte doen stijgen. Zoals alleen een moeder woorden kan laten landen in je hoofd.

De tulpenbollen schillen, doormidden snijden en van het gele kiempje en de spruit ontdoen. De bollen worden op dezelfde wijze gekookt als aardappelen met dit verschil, dat ze in zeven minuten gaar zijn. Het klinkt als een gewoon recept uit een gewoon kookboek maar mijn moeder zal de bittere, droge smaak nooit vergeten. Ze was achttien toen de oorlog eindigde. Een pakketje botten met een strak vel eromheen gespannen dat naar de kinderkolonie moest om aan te sterken. De hongerwinter had zijn littekens achtergelaten. Ze sprak met ons nooit over de oorlog. De enige aanwijzing dat ze de oorlog bewust had meegemaakt was het woord Moffen dat het woord Duitsers vervangen had in haar woordenboek. Pas aan het einde van haar leven, toen ik allang was geworden wat ik wilde, begon ze erover te praten. Haar pubertijd was getekend door het zien wegvoeren van buren, door honger en door een vader die zijn handen niet thuis kon houden. Naast de ellende waren er ook mooie verhalen. Zoals toen een van haar broers een meerkoet ving. Haar moeder, ze was kokkin voor de oorlog, maakte er iets lekkers van. Het was maar een klein hapje, zeker als je het moet delen met zijn zevenen, maar wat genoot ze van die smaak na die bloembollen.

‘Jij mag worden wat je wilt.’ Deze zin, vermomd als aansporing was tegelijkertijd een uiting van verdriet, van gemiste kansen en verloren tijd. Mijn moeder groeide op in een tijd dat meisjes naar de huishoudschool gingen. Haar vier broers mochten verder leren. Zij niet. In welke tijd je wordt geboren heb je niet voor het zeggen. Hoe je daar mee omgaat wel. Mijn moeder was geen verbitterde vrouw maar ze wilde het wel anders voor haar dochter. Toen in de zeventiger jaren van de vorige eeuw de moedermavo, tweedekansonderwijs, werd opgericht zat mijn moeder vooraan in de schoolbanken en haalde haar diploma.

Ik mocht worden wat ik wilde. Kapster, automonteur, journalist, soldaat, het maakte niet uit. Ik werd een schoolverlater. Op mijn zestiende, eind vierde klas atheneum, deelde ik het mede: ‘Ik ga van school af en ga werken.’ Er moeten toen duizenden haren van mijn ouders grijs zijn geworden, al zag ik dat niet op dat moment. Maar mijn moeder hield woord. Ze duwde me niet een richting op die zij graag wilde, ze liet me vrij. Ik mocht worden wat ik wilde en ik werd fotograaf bij de rondvaartboten in Amsterdam.

Worden. Een woord dat bol staat van beloftes voor de toekomst, een woord met potentie, een woord dat nog alles kan worden wat het wil. Een woord dat net als de vijf W’s vragen oproept. Wie word je, wat word je, waar word je, waarom word je, wanneer word je. Ik werd fotograaf in Amsterdam, en daarna leerling-persfotograaf omdat het me leuk leek. En daarna koerier op mijn negentiende, pakjes rondbrengen met een Volkswagen Golf van de baas. Ik had net een maand mijn rijbewijs en reed 100.000 kilometer per jaar. Ik genoot.
‘Jij mag worden wat je wilt.’ Het probleem was dat ik niet wist wat ik wilde. Ik vond alles leuk.

Van mijn, met hard werken verdiende, geld ging ik op vakantie. Voor het eerst van mijn leven in een vliegtuig. Samen met een vriendin naar Los Angeles, met de Finnair via Helsinki, uiteindelijke bestemming Mexico. Hoog in de lucht leek het alsof je stilstond, niet vooruitkwam, terwijl we eigenlijk met grote snelheid voorwaarts gingen. We vlogen over Groenland, wat niet groen maar wit was. Vele tinten wit, sneeuw en ijs, schoven tergend langzaam onder ons door. Aan de andere kant van de Atlantische Oceaan, Canada, we dachten dat we er bijna waren maar we waren nog niet eens halverwege. We vroegen ons af waarom we zo noordelijk en niet gewoon in een rechte lijn naar Amerika vlogen. Langzaam veranderde het koude landschap van Canada in een groener Amerika. Eenmaal lager vliegend zagen we Los Angeles liggen, in de verte de hoge gebouwen in het centrum, onder ons zwembaden in de achtertuinen, palmbomen op een rij langs een boulevard. You haven’t seen a tree until you’ve seen it’s shadow from the sky. Een citaat van Amelia Earhart dat ik pas jaren later zou lezen omschrijft mijn gevoel van toen. Ik zat met mijn voorhoofd tegen het kleine ovale raampje gedrukt en keek naar beneden. Na deze reis heb ik nooit meer op dezelfde manier naar de wereld, dichtbij of ver weg, gekeken.

Eenmaal in Mexico reisden we met trein en bus en toen het geld op was staken we onze duim omhoog. Twee meiden van achttien in een ver, ver land in een tijd zonder mobieltjes, zonder internet, maar met ansichtkaarten die er drie weken over deden om de andere kant van de oceaan te bereiken en met travellers checks die sneller opraakten dan verwacht. We gingen liften omdat ons geld bijna op was. Gelukkig waren er geen mobieltjes en whatsapp en hoorden mijn ouders dit pas later toen we allang weer veilig thuis waren. Deze reis, zou later blijken, plantte een zaadje in mijn hoofd dat niet meer wegging. Een zaadje dat uiteindelijk tot hoog in de hemel groeide.

Bij de vierde keer dat de kanker in haar mond terugkomt besluit mijn moeder zich niet meer te laten behandelen. Een euthanasie traject wordt op haar verzoek in gang gezet. Een SCEN arts komt en keurt haar verzoek goed. Het gaat snel slechter met haar. Ze kan niet meer eten en moeilijk drinken. Haar ontlasting droogt op en ook plassen hoeft ze bijna niet meer. Ze ligt de hele dag, en al snel ook de hele nacht, op de bank. Een pakketje botten met een mager en niet meer zo strak vel eromheen. De huisarts komt langs om te vragen hoe het ervoor staat. Ze bespreekt met mijn moeder het feit dat het weekend eraan komt en dat de eerstvolgende mogelijkheid om euthanasie in gang te zetten pas weer maandag is. Ze zegt dat er ook een dag of twee nodig zijn om dan nog alles te regelen. Mijn moeder zegt dat ze nog ok is.

Als de huisarts weg is komt er een onrustig gevoel in me op. Ik realiseer me dat ik wil dat ze doodgaat. Denk ik dit uit mededogen? Wil ik haar niet langer laten lijden of wil ik haar niet langer zien lijden. Is dit mijn wens voor haar of is het mijn wens. Ik voel me een slecht mens als ik haar, net als de huisarts, erop wijs dat het weekend eraan komt. Ik zeg, ‘Natuurlijk is het gewoon jouw beslissing, ik wil je niet een richting op duwen die je niet wilt, maar… Diep van binnen weet ik dat alles vóór het woordje ‘maar’, niets zegt en dat alles na het woordje ‘maar’, veelzeggend is. Ik duw haar in een richting. Is dit wat ik geworden ben?

Toen ik twee jaar voor de KLM werkte gingen mijn ouders mee op een vlucht naar Barcelona. Hun eerste keer in een vliegtuig. Ze vonden het fantastisch om mij aan het werk te zien en glommen van trots. Het was toch nog goed gekomen met die schoolverlater. Op de terugweg naar Schiphol zat mijn moeder tijdens de daling en landing, bij ons in de cockpit. De kassen van het Westland schenen in ons gezicht als een zaklamp in het donker. De snelweg van Den Haag naar Amsterdam, een sliert witte lichten de ene kant op en steeds oplichtende remlichten de andere kant op. Wolken met aan de onderkant een rode waas van de zon die net onder was. Fantastisch vond ze het, die andere kijk op de wereld. Ze zag wat ik zag.

Op de dag van de euthanasie komt een verpleegkundige een infuus aanleggen. Mijn moeder begint te huilen. Ze heeft een hekel aan naalden en de laatste keer dat er een infuus aangebracht moest worden was het een drama. Haar aderen zijn heel broos geworden en ze is bang. Ik kijk naar haar magere hand in die van mij en voor de zoveelste keer realiseer ik me dat de rollen zijn omgedraaid. Kleine bruine vlekjes sieren haar rimpelige, uitgedroogde huid. Handen die tulpenbollen hebben geschild, handen die mijn luiers hebben verschoond, handen die mijn kleine handje hebben vastgehouden op weg naar de eerste schooldag, handen die nu zouden trillen als ik ze niet stevig vasthield. Ik kijk naar haar grijze haren. Ik ben voor zeker de helft verantwoordelijk.
Als de verpleegkundige weg is zegt ze tegen me dat ze bang is. Ik zeg dat ik het begrijp maar weet dat dit niet de waarheid is. Ik zeg dat ik van haar hou en ik weet dat dit de waarheid is.

Terwijl de huisarts de vloeistof langzaam inspuit begint mijn moeder te praten. Ze zegt, ‘Ik heb altijd kinderen willen krijgen.’
Mijn man slaat zijn arm om me heen en nu ben ik degene die bang is.
‘Dat is dan goed gelukt,’ zegt de arts. ‘Twee prachtige kinderen.’
‘Ja, ik ben trots op wie ze zijn geworden.’
Terwijl mijn broer en ik vechten tegen onze tranen glijdt ze weg in een diepe slaap, haar ademhaling wordt oppervlakkiger tot haar borstkas stopt met bewegen. Ze valt in een eindeloze slaap en ik fluister, ‘Ik ben geworden wie ik ben. Ik ben geworden wat ik wilde. Jij bent geworden wie je wilde, een trotse moeder.’


De schrijfwedstrijd

Hierboven lees je het verhaal van Connie Mitchell, waarmee ze de 3e plek behaalde. Volgende keer kunnen jullie het verhaal van Eelco Leemans verwachten. Voor de nummer 1 moeten we wat langer wachten, want Anna Paulz wint een publicatie in de nieuwe verhalenbundel van Ambo Anthos, tussen gevestigde auteurs als Roos Schlikker, Susan Smit, Murat Isik, Meester Bart,  Jowi Schmitz, Carla de Jong en Tania Heimans!

De bundel ligt binnenkort in de winkels.

Het meisje met de zwavelstokjes – met dit verhaal won Janine Geerling de 1e prijs!

Eindelijk kunnen we het verhaal laten lezen van Janine Geerling. Ze won voor de tweede keer onze jaarlijkse schrijfwedstrijd die we in samenwerking met Schrijven Online organiseren en bewijst daarmee nog eens hoe talentvol ze is!

De jury was het unaniem eens over haar inzending:

Een meisje staart naar de kaars die ze op tafel heeft gezet voor het kerstdiner en, terwijl iedereen erop los kakelt en de Kerstklassiekers deel I op repeat op hoog volume ook nog door alles heen schallen, verbeeldt zij zich hoe de vlam ervandoor gaat en alles om zich heen verbrandt. Maar uiteindelijk dooft de kaars in een keer uit en oma vraagt of ze nog erwtjes wil.
Een kort verhaal dat letterlijk als een nachtkaars uitgaat en toch een grote indruk maakt: met weinig woorden wordt de nachtmerrie van het familiekerstdiner beschreven, met de aanstellerige tante, de zorgzame oude oma, de obsceniteiten spuiende oom, de opgedirkte tante, de knorrige vader, de moeder die het kind nog even tafelmanieren wil bijbrengen…

Het is een bijzonder sfeervol en beeldend geschreven verhaal over een klein meisje dat zich vereenzelvigt met het reinigende vuur, maar geconfronteerd wordt met de machteloosheid van die ene kaars, die net als zijzelf niet tegen de banaliteit van dat hele gezelschap op kan.


Het meisje met de zwavelstokjes

Vuur liegt niet. Het reageert, het kan niet anders.
Ze staart naar de vlam voor haar. Een lichaampje van licht dat flakkert en kronkelt, ontsnappen wil.
Geen wonder.
Gespetter, gelach, gesmak, geslurp, lippen die zich om glazen en lepels vouwen, schalen die worden doorgegeven, woorden die gemorst, angsten die weggespoeld, verlangens die worden fijngesneden. Waarheden die kleven.
   ‘Deck the halls with boughs of holly, fa la la la la, la la la la’
   En dat. Kerstklassiekers Volume 1. Op repeat.
  ‘‘Tis the season to be jolly, fa la la la la, la –‘
   De ingedroogde, met levervlekken bedekte handen van oma Dorith zetten een schaal stomende stoofpeertjes op tafel. De doperwten in de schaal ernaast lijken  op ontplofte groene puistjes.
   ‘See the blazing yule before us -‘
   De vlam kromt ver naar achteren in een poging iets fataals te ontduiken.
Ze had de kaars een uur geleden zelf nog op tafel gezet. ‘Doe ook eens wat,’ had haar vader gezegd. Traag had ze de bordeauxrode dinerkaarsen uit de verpakking gehaald, een voor een met lucifers aangestoken, ondersteboven gehouden, enkele druppels laten bloeden, en in de zilveren kandelaars geplaatst.
Haar moeder schuift iets op haar bord.
Kalkoen.
‘FOUT! EEN NAVEL!’ De tafel schudt onder de dreunende vuistslag en  onmiskenbare (kapotgerookte, hijgende, in gepiep eindigende) lach van oom Gerard. Zijn moppen gaan negen van de tien keer over borsten. Tieten. Meloenen. Prammen. Memmen. Toeters. Harries. Joekels. Ze is blij dat hij niet naast haar zit, met zijn kraterhuid, uienoksels en naar ontbinding ruikende adem.
De vlam buigt zich iets naar haar toe, alsof hij luistert, haar gedachten horen kan. Ze blaast zijn kant op, net hard genoeg om hem knetterend ineen te doen krimpen. Als hij niet had vastgezeten aan de lont zou hij er vandoor gaan. Dan zou hij met twee hete beentjes over de eettafel sprinten – schroeiplekken achterlatend in het witte tafelkleed – en rakelings langs het getoupeerde haar van tante Belinda springen – nee, wacht, niet rakelings erlangs, erín, IN het haar van tante Belinda, de hele platinablonde mikmak in de fik stekend, en daarna, met een gillende tante Belinda op de achtergrond, zou hij zwarte sporen schaatsen over het laminaat om vervolgens de kerstboom, de gordijnen, de boekenkast in te duiken. Hij zou zichzelf klonen totdat er niks over was van de hele godvergeten deck the halls en falala. Alles roet. Alles smeulend. Alles niks.
‘Luus, lieverd,’ de vlindermouw van haar moeders jurk aait over haar kruin en wappert kippenvel over haar armen, ‘ellebogen van tafel.’ Haar moeder giet cranberrysaus over de kalkoen, en loopt naar het volgende bord. Saus op kalkoen, kalkoen, kalkoen.
Iemand zet de muziek harder. ‘HEEDLESS OF THE WIND AND WEATHER, FA LA LA LA LA, LA LA LA LAAAAAAH.’
   Ze laat haar armen van tafel zakken, en zucht.
De kaars dooft.
Volledig. In één keer. Zonder tegenspartelen. Zonder enig geluid. Over. Uit. Het lontje gloeit niet eens, er kringelt alleen wat rook omhoog.
Oma Dorith schuift een schaal haar kant op. ‘Erwtjes erbij?’

Engelennacht – met dit verhaal won Stijn Claeysier de 2e prijs!

Het is winters koud buiten. Een perfect moment voor het plaatsen van het volgende kerstverhaal. Afgelopen weken publiceerden wij de verhalen van Petra Zegerius (lees het hier) en van Bianca Nederlof (lees het hier). Deze week is het tijd voor het verhaal van Stijn Claeysier! Hij won hiermee de 2e prijs.

Dit zei de jury erover:

Engelennacht is een verhaal waarin een groep kerstvierende patiënten wordt geschetst onder begeleiding van een nachtzuster. Details als plastic champagneflûtes, het papieren tafelkleed en eenzaamheid als grote gemene deler roepen een heel uitzonderlijke kerstavond op. Een nacht waarin het isolement van de personages voelbaar wordt. Maar ook een nacht waarin de patiënten een eigen manier lijken te hebben gevonden om met de situatie om te gaan. Alle patiënten, behalve ‘de nieuwe’. Engelennacht zou een fragment kunnen zijn uit een novelle of een roman die zich afspeelt tijdens één nacht. Maar het is ook een kort verhaal dat op zichzelf staat en dat zelfstandig overtuigt. Waar veel auteurs kiezen voor een einde met een schreeuw of een knal, kiest Claeysier voor een einde met hijgend uitgesproken brokstuk van een zin: ‘De nieuwe…’

Na dat zinnetje weet je dat het goed mis is met ‘de nieuwe’ zonder precies te weten wat. Waar andere verhalen glazen van kristal nodig hebben om te schitteren, gebruikt Stijn Claeysier taal om plastic flûtes te laten schitteren. Zo’n verhaal verdient een prijs.


Engelennacht

‘Onder water regent het niet,’ zei Lindsey, ‘luchtbellen
vallen altijd omhoog.’ Met ingehouden adem staarde ze naar het
bruiskolkje in haar schuimwijn.
William tikte tegen de zijkant van zijn hoofd. ‘Goed zot zulle,
gij! Straks in de dwangbuis.’ En hij schepte zich nog een lepel
aardappelsalade op.
Iedereen aan tafel lachte om de opmerking, zelfs de
nachtverpleegster deed mee – het voelde heerlijk, ongedwongen.
Dit kon misschien toch een gezellige avond worden. Of tenminste
niet de verschrikking waar alle aanwezigen (met uitzondering van
de verpleegster) zozeer tegen hadden opgezien. Kopzorgen
wriemelden hier rond als vleesvliegen op een kreng.
In totaal waren ze met zijn negenen; voor de gelegenheid mochten
de verschillende afdelingen gezellig bijeenkruipen. Eén iemand
bleef te bed, opgekruld onder de dekens. Iedereen toonde begrip:
ze was net gisteren binnengebracht. Een jong ding nog, en al
compleet gebroken. De verpleegster had haar een bord bezorgd en
ging regelmatig kijken.
‘Rosetta, ook wat schuimwijn?’ vroeg Lindsey. Ze stak de fles
in de lucht; de dwarse littekens op de binnenkant van haar arm
grijnsden gemeen. Een streepjescode van ellende. Zo liepen er
hier wel meer. Snijden om te vergeten.
In een aarzelende reflex schudde Rosetta het hoofd. Haar houten
oorbellen – denneboompjes, zelfgemaakt in “de crea” –
wiebelden onwennig.
‘Geen paniek,’ drong Lindsey aan, ‘het is alcoholvrij.’
‘Kidibul voor volwassenen’ lachte William.
Lindsey vulde Rosetta’s toegestoken flûte en tikte er
vervolgens tegenaan met haar eigen drankje, ten toost. De klank
van plastic tegen plastic. Glazen waren hier verboden. Dat kon
mensen op verkeerde gedachten brengen. Wat de “juiste”
gedachten waren, wist niemand.
Lindsey knipoogde naar Rosetta. ‘Jij bent mijn maatje,’
fluisterde ze.
Rosetta kreeg even een mini-fonkeling in die eindeloos trieste
ogen van haar, en liet toen met een snik haar flûte vallen. Ze
sloeg beide handen voor haar gezicht. Haar lichaam schokte
ingehouden.
Enkele toesnellende armen landden om haar schouders. Sussende
klanken, strelende handen.
‘Mijn dochters…’ snikte Rosetta. ‘Ze willen me niet zien.
Zelfs vanavond niet.’ De andere tafelgenoten keken zwijgzaam
naar de rand van het papieren tafellaken; elk had zijn eigen
demonen. Eenzaamheid was een grote gemene deler, vooral in deze
periode van het jaar.
De kerstverlichting aan de muur schakelde over op een
onaangenaam, druk knipperpatroon. Zo ging het ook met de meeste
van deze patiënten: aan-uit, ups-downs. Was er maar een off-knop
aan de menselijke geest. Dat zou pas een cadeau zijn!
‘Waarom nog voortdoen?’ hikte Rosetta in horten en stoten.
‘Voor wie eigenlijk?’
William gooide zijn bestek in zijn bord. ‘Gadver!’ en hij
stoof weg uit de kantine.
‘Zie je wel: ik verpest zelfs de avond voor anderen.’ Een
nieuwe huilbui.
Lindsey omarmde het hoopje ellende. ‘Jezelf geen schuldgevoel
geven, hoor je me? Zet dat uit je hoofd.’ De verpleegster nam
het woord: ‘vanavond is zwaar. Voor iedereen. Laten we proberen
rustig te blijven. Nu vooral niet te veel piekeren. Morgen een
nieuwe dag. En volgende week gaan we terug van start met de
therapieën.’
Plots sloeg de deur open. Het was William. ‘De nieuwe…,’
hijgde hij bleekjes.

Verborgen (over)leven – met dit verhaal won Petra Zegerius de gedeelde 3e prijs!

In aanloop naar de feestdagen zijn honderden schrijvers uit Nederland en België achter hun laptop gekropen om een kerstverhaal te schijven. Samen met Schrijven Online organiseerden we onze jaarlijkse schrijfwedstrijd, dit keer met het thema: ‘Het kerstdiner’. Wat zijn we trots op de enorme hoeveelheid verhalen die ingestuurd zijn!

Vanaf deze week publiceren wij iedere week één verhaal uit de top 3. Te beginnen met het verhaal van Petra Zegerius, waarmee zij een gedeelde derde plaats behaalde.

Dit zei de jury erover: Verborgen (over)leven speelt zich af in snackbar Hayat, waar twee eenzame ouderen, Esther en Chaim, elkaar op Eerste Kerstdag ontmoeten en zij bij het afrekenen haar verborgen verleden in de zes zwarte cijfers op zijn onderarm herkent. Een verleden dat hen, net als de friet met shoarma, samenbrengt. Waarna ze met de vriendelijke snackbarhouder op het leven proosten. Een ontroerend, mooi afgerond verhaal dat – als een van de weinige op de longlist – de kerstgedachte uitdraagt. Maar volgens enkele juryleden ook wel een beetje sentimenteel neergezet.


Verborgen (over)leven

Met haar winterjas en laarzen aan staat Esther een moment roerloos voor de spiegel. Behoedzaam haalt ze een borstel door haar grijze krullen en stapt naar buiten, de kou en de donkere avond tegemoet.
In gedachten verzonken schuifelt ze door de sneeuw naar de toko. Daar is alles donker en op de deur hangt het bordje “gesloten”. Esther zucht en staart een moment naar de opgestapelde stoelen binnen. Het wordt nog moeilijk om met Kerst iets te eten te vinden!
Even later staat ze voor de beslagen ruit van snackbar Hayat. Neonletters geven aan dat er shoarma wordt verkocht. Vanavond dus shoarma, besluit ze.
Ze stampt even op de grond om de sneeuw van haar schoenen te krijgen en duwt vervolgens de deur open. Gelijk beslaat haar bril van de warmte binnen. Verheerlijkt snuift ze de geur van frites en kruidige shoarma op.
“Goedenavond, wat zal het voor u zijn, mevrouw?”
“Goedenavond mijnheer, ik weet het nog niet”, verontschuldigt Esther zich.
Met haar intussen schoongeveegde bril kijkt ze naar de imposante menulijst aan de muur achter de toonbank.
“Rustig aan mevrouw, ik reken dan even met meneer hier af.”
Esther richt nu haar blik op de kleine man naast haar, die gebogen staat en er wat broos uitziet. Hij moet € 8,95 betalen. Met bevende hand reikt hij een biljet van €10,00 aan.
“Alstublieft,  €1,05 voor u terug!”, roept de besnorde medewerker.
“Gaat u lekker zitten, ik kom het zo brengen.”
De man reikt zijn hand uit om het kleingeld in ontvangst te nemen. De mouw van zijn versleten winterjas gaat daarbij iets omhoog, net genoeg om een deel van zijn onderarm te ontbloten. Op de oude, bleke arm van de man wordt duidelijk een nummer zichtbaar. Er gaat een schok door het magere lijf van Esther heen.
Dan richt ze zich tot de man:
“Meneer, mag ik vragen wat u had besteld?”
De man draait zijn gezicht naar haar toe, in verbazing.
“Een broodje shoarma en een kleine friet, mevrouw”, antwoordt hij zacht.
“Dat zou ik ook graag hebben”, zegt Esther aan de medewerker achter de toonbank.
Ze kijkt de man naast zich weer aan, trekt langzaam haar linker handschoen uit, draait haar handpalm omhoog en trekt de mouw van haar jas iets omhoog. De man verplaatst zijn blik nu van haar gezicht naar haar onderarm en dan weer naar haar gezicht. Zijn onderlip en slecht geschoren kin beginnen te trillen.
Dan pakt Esther de linkerarm van de man, legt zijn verborgen leven bloot en streelt liefdevol de zes zwarte cijfers.
“Chaim, ik ben Chaim”, fluistert hij, terwijl hij in de krullen van Esther staart.
“Ik heet Esther…”
Stilte.
“Zal ik het eten maar naar dezelfde tafel brengen?”, klinkt het vriendelijk.
Esther en Chaim knikken met betraande ogen naar elkaar.
“Alstublieft, met een drankje van het huis! Lechaim! Op het leven!
Esther betekent ‘verborgen’ in het Hebreeuws.
Chaim betekent ‘leven’ in het Hebreeuws.

 

Heprep in de Klok – Marjolein Kranenburg

Vier studenten maken nog kans om de winnaar te worden van onze schrijfwedstrijd. Deze week publiceren we elke dag een van de verhalen, en vrijdag maken we de winnaar bekend.

De opdracht was: schrijf een verhaal dat je ooit als kind bedacht maar nooit opschreef. Trek het naar de volwassen wereld, zonder kinderhandschrift en typefouten, maar zoek hetzelfde gevoel. Voeg er zoveel inzichten, spanning en fantasy aan toe als je wilt. Vandaag het verhaal van Marjolein Kranenburg.

Heprep in de Klok

De streep licht op Ella’s dekbed wordt breder. Ze ziet het silhouet van een klein meisje aftekenen tegen het licht op de overloop.

‘Hallo zusje,’ zegt Ella, en ze slaat haar dekbed uitnodigend terug. Patty kruipt samen met Pluizenbeer tegen haar aan. Beneden woedt een gedempte ruzie, die dankzij de houten vloer veel te goed te horen is.

‘Mama zal zo wel naar boven komen,’ zegt Patty, ‘en dan wil ze toch in mijn bed slapen, dus…’

‘Het is goed, zusje, ik vind het fijn dat je bij me bent.’ Ella slaat haar arm om haar zusje heen, en zwijgend proberen ze de ruzie niet te horen.

Ella hoort een pets van huid op huid van beneden komen. Niets zeggen, mama, smeekt Ella in haar gedachten. Maar mama zegt een lelijk woord en meer petsen klinken, gevolgd door een doffe bons op de vloer. Ella perst haar lippen strak op elkaar. Hopelijk kan haar kinderfeestje morgenmiddag wel doorgaan. Haar verjaardag is inmiddels al twee maanden geleden, en haar feestje is al een keer verzet omdat mama ziek was dankzij papa.

Patty pakt Ella’s hand vast.
‘Vertel nog eens over Heprep die in papa’s klok woont,’ zegt ze fluisterend. ‘Wat doet hij als zíjn papa en mama ruzie maken?’

Ella haalt diep adem en denkt na. Toen Patty haar vroeg waarom de Friese staartklok raampjes had, verzon Ella het verhaal over het mannetje in de klok. Patty had met grote ogen geluisterd en toen Ella had gezegd dat niemand wist hoe hij heette, had Patty haar glunderend aangekeken. ‘Ik weet het wel,’ had ze op samenzweerderige toon gezegd, ‘hij heet Heprep.’
‘De ouders van Heprep maken nooit ruzie. Dat hebben ze een keer geprobeerd, maar toen werd Heprep zo boos, dat ze het nooit meer deden.’

‘Oh? Wat deed Heprep dan?’

‘Hij bond zijn vader vast met de ketting waar de gewichten aan hangen.’

 

 

‘Deed hij dat? En werd zijn vader toen niet boos?’

‘Jawel, woedend werd hij. Begon te schelden en te schreeuwen. Nog erger dan onze papa. Maar dat moet je niet doen bij Heprep. Oh nee. Dat is echt niet slim. Want Heprep haat schelden en schreeuwen.’

‘En toen?’ Patty’s handje knijpt hard in die van Ella.

‘En toen pakte hij één van de koperen gewichten en sloeg zijn vader daarmee zo, boem, op zijn hoofd.’

‘Echt?’

‘Echt. En toen zijn vader nog harder begon te schelden, sloeg Heprep hem steeds weer op zijn hoofd, harder en harder, tot zijn vader ophield.’

‘Was hij dood?’

‘Nee joh, dat zou Heprep nooit doen. Nee, Heprep sloeg de vieze woorden uit zijn papa’s hoofd, en daarna zei zijn vader alleen nog maar aardige dingen.’

Dan wordt het donkerder in de kamer, en de meisjes draaien gelijktijdig hun hoofden naar de slaapkamerdeur.

‘Mam,’ zegt Patty, ‘ik lig al bij Ella hoor. Dan kun jij in mijn bedje slapen. Wil je Pluizenbeer vasthouden? Hij kan heel goed troosten.’

‘Dat is lief van je, Patty. Maar dat hoeft niet. Hij wil vast liever bij jou slapen vannacht. Doen jullie je oogjes nou maar dicht en ga slapen. Het is al erg laat.’

‘Mam,’ zegt Ella, ‘gaat mijn feestje morgen wel door?’

Als haar moeder blijft zwijgen laat Ella zich in haar kussen zinken, en trekt haar dekbed verder omhoog.

‘Ga maar slapen,’ zegt haar moeder.

Ella zegt niets.

Ella wordt wakker van het gegil van Patty. Het komt van beneden. Haar kamer is in een groen licht gehuld door de zon die op haar gordijnen schijnt. Ze springt uit bed en rent de trap af. In de huiskamer ziet ze Patty naast haar vader staan, die onderuitgezakt in zijn stoel zit. Zijn hoofd is achterover gebogen, en zijn ogen lijken naar de Friese staartklok te staren die stil boven hem aan de wand hangt.

Patty gilt opnieuw, klapt in haar handen en springt op en neer. ‘Hij heeft het gedaan. Hij heeft het gedaan! Heprep heeft de vieze woorden uit papa’s hoofd geslagen. Nu is er nooit meer ruzie!’

Op de grond naast papa’s stoel ligt een koperen gewicht.

De oversteek – Liet Waller

Vier studenten maken nog kans om de winnaar te worden van onze schrijfwedstrijd. Deze week publiceren we elke dag een van de verhalen, en vrijdag maken we de winnaar bekend.

De opdracht was: schrijf een verhaal dat je ooit als kind bedacht maar nooit opschreef. Trek het naar de volwassen wereld, zonder kinderhandschrift en typefouten, maar zoek hetzelfde gevoel. Voeg er zoveel inzichten, spanning en fantasy aan toe als je wilt. Vandaag het verhaal van Liet Waller!

De Oversteek

De dreiging die muis Akkerman voelde bij het opkomen van de zon sloop langzaam dichtbij als een naderende schaduw. Hij wist dat het de laatste nacht was geweest dat hij aan de akkerrand had geslapen. Hij nam zijn vertrouwde wereld nog eens goed in zich op. Hij dacht aan zijn muizenfamilie en de vrienden: de vriendelijke Danko de haas, de ijdele Staartekip de fazant, de bunzings, wezels en Tar de boerderijkat. Alhoewel die laatste drie geen muizenvrienden waren. De dieren op de akker konden elkaar allemaal verstaan. Vriend en vijand, ze wisten wat ze aan elkaar hadden. Dat er soms een muis of haas verdween hoorde nu eenmaal bij het leven.

Maar wat mensen, machines en lawaai nu op de akker deden kon geen dier begrijpen en ze waren allemaal bang.

Bosjes en planten vormden een scheiding met een weg. Akkerman wist van zijn vader, die alles wist, dat het een snelweg was, die harde, kale grond met stinkende lawaaidingen. Zijn vader had er altijd streng voor gewaarschuwd en de dieren bleven er ver vandaan. Akkerman ging daar toch stiekem weleens bramen zoeken en vertelde zijn familie niet waar hij het lekkers vandaan had. Maar wel had hij gezien wat er aan de andere kant van die snelweg was. Daar trokken op deze ochtend zijn gedachten naartoe.

Akkerman klom in de stevige tak van een bosje. Vanuit zijn uitkijkpost zag hij dat verschillende dieren schuilplaatsen zochten of zelfs vluchtten. Hij zag Tar de kat op de loer liggen om te pakken wat hij pakken kon. Er prikten rood-witte stokken in de aarde, eentje vlakbij het hol van Akkerman.

De akkerranden waren gevaarlijk, daar waren de mensen met die stokken en machines bezig en in het hoge gras konden zich ook vijanden verstoppen. ‘s Avonds laat de akker oversteken dan? Nee. Gepakt worden door de vliegende muizenmoordenaars? Akkerman viel bijna radeloos naar beneden. Hij herpakte zich al snel en riep de muizenfamilie bij elkaar.

‘Wij moeten vertrekken, vanavond nog!’

Iedereen was opgewonden, niemand had een goed idee en iedereen wist het beter.

Als leider van de familie vertelde hij eindelijk zijn plan. De muizen keken elkaar verdwaasd aan. Een snelweg? Grasland aan de overkant? Waar? Hoe? Akkerman legde het begin van de reis uit. Dat was naar de bramenstruiken, vlakbij de snelweg. Het woord ‘bramen’ veroorzaakte nieuwe opwinding. O heerlijke zoetigheid! Akkerman nam weer streng het woord. Tot de bramen zou het niet zo moeilijk zijn, tenzij er vijanden in de buurt waren. Daar, onder de bramen zouden ze zich schuilhouden. In de nacht, als er maar weinig stinkdingen voorbij raasden, zouden ze zo snel ze konden oversteken naar het grasland, waar ze veilig zouden zijn. Dat zou de gevaarlijkste onderneming zijn.

Hoe dom was een stout neefje van Akkerman! Tijdens de oversteek rende hij plotseling terug om de braam te pakken die hij had laten vallen. Zowel de braam als hij waren nu plat. De rest van de familie stond dicht tegen elkaar aan, hijgend en geschrokken, op het grasland. Akkerman intussen viel van de ene schrik in de andere. Hij kon zijn kraalogen niet geloven. Het nieuwe grasland was maar een smalle strook! Met aan de andere kant nog zo’n snelweg. Ook daar raasden auto’s voorbij, nu allemaal de andere kant op. Ze zaten gevangen tussen twee hekken op een smalle strook gras en planten.

Alweer kreeg Akkerman een schok, want de muizen hoorden nu iets groots hun kant op ritselen. Een enorme bruine rat doemde op.

‘Goedenavond muizengezelschap,’ zei hij, ‘wie is hier de baas?’ Akkerman stapte voorzichtig naar voren.

‘Ik ben Joerick,’ zei hij. ‘Ik woonde hier prima. Maar nu ga ik vertrekken, op zoek naar een vrouw. Die kan ik hier niet niet vinden, deze nacht al, het is niet anders. Jullie zijn welkom, gebruik gerust mijn hol!’

Doodmoe tuimelden de muizen het grote hol in. Ze vielen als een blok in slaap. Akkerman niet. Deze sprak ’s morgens vermoeid de groep toe.

‘We zijn Joerick veel dank verschuldigd, alles heeft hij uitgelegd vannacht. Er is eten genoeg. Blijf altijd ver van de weg. Wij kunnen prima overleven hier’.

Wie denkt dat er tussen de vangrails geen dieren kunnen wonen, weet nu wel beter.

 

 

 

 

 

 

 

 

Verdwijnen – Charlotte straat

Vier studenten maken nog kans om de winnaar te worden van onze schrijfwedstrijd. Deze week publiceren we elke dag een van de verhalen, en vrijdag maken we de winnaar bekend.

De opdracht was: schrijf een verhaal dat je ooit als kind bedacht maar nooit opschreef. Trek het naar de volwassen wereld, zonder kinderhandschrift en typefouten, maar zoek hetzelfde gevoel. Voeg er zoveel inzichten, spanning en fantasy aan toe als je wilt.

De shortlist:

  • Het Meisje en de Oude Jan – A. Molenaar
  • Verdwijnen – C. Straat
  • De Oversteek – L. Waller
  • Heprep in de klok – M. Kranenburg

Verdwijnen – Charlotte Straat

‘Hier is ‘t.’ Roel’ s vader schoot zijn sigaret weg. Wat voor mij lag overweldigde me dusdanig dat ik even mijn adem inhield. ‘We hebben maar anderhalf uur.’ vervolgde hij. Roel zat naast me op de achterbank en keek mij doordringend aan.

‘ Timo, weet je zeker dat je dit doen wilt?’

Ik slikte een brok in mijn keel weg en knikte. Roel had mijn hulp ingeroepen en we beseften allebei dat ik mijn zorgvuldig bewaarde geheim straks aan zijn vader prijs moest geven.

‘Als jij maar klaar staat met een deken en kleding.’

Roel klopte op de sporttas op zijn schoot. Ik ontmoette de priemende blik van zijn vader in de achteruitkijkspiegel en knikte nogmaals.

‘Ik ben er klaar voor.’

‘Het oortje zit niet te los?’ vroeg hij. Ik schudde mijn hoofd. Het was nog maar de vraag of het zou lukken. Het oortje was lichaamsvreemd, meestal verloor ik alles wat geen onderdeel was van mijn lijf.

Het was begonnen toen ik een maand of zeven was, mijn moeder had mij boven in de wieg gelegd om mij een paar uur later naakt en krijsend op de keldervloer terug te vinden. Op de een of andere manier kon ik door materie heen zakken of er zelfs in oplossen.
De enige logische verklaring die voor mijn toestand te vinden was dat mijn moeder, net als mijn vader een wetenschapper,  toen  ze hoogzwanger was, waarschijnlijk in aanraking was gekomen met straling tijdens een van hun experimenten. Om hun onderzoek niet het gevaar te brengen hadden ze besloten niets over mijn gave naar buiten te brengen. En ik hield mijn mond, bang om voor weirdo uitgemaakt te worden.

Het werd pas echt lastig toen ik zelf ontdekte waartoe ik in staat was. Ik greep elke gelegenheid aan om te experimenteren. Maar al gauw hield het gluren bij de buren op omdat de verveling toe sloeg, zo in je eentje was er geen lol aan.

Totdat ik in de brugklas bevriend raakte met Roel. Ik moest het gewoon aan hem vertellen en na mijn eerste demonstratie ging Roel helemaal uit zijn dak. Hij zag duizend en een mogelijkheden die voor mij inmiddels al gewoon waren.
Daarom kwam zijn vraag niet uit de lucht vallen. De kranten stonden er bol van en Roel zijn vader, rechercheur, zat boven op de zaak. Vier jonge meisjes, uit dezelfde klas waren van de een op andere dag verdwenen. Het onderzoek verliep traag, de druk was groot en er waren te weinig aanknopingspunten. Tot een paar dagen geleden, er waren aanwijzingen en tips binnengekomen die nagetrokken moesten worden.

Een informant van Roel’ s vader had een briefje gegeven waarop stond:
Reefer containers, City Terminal Eemhaven Rotterdam, dinsdag 12 september
16:00 uur.

En daar stonden we dan de bewuste dinsdagmiddag om half drie oog in oog met wel twee duizend Reefer containers die op het punt stonden verplaatst te worden naar de Terminals. Zonder een containernummer kon de vader van Roel niets, hier begon mijn rol.
We haastten ons naar de dichtstbijzijnde rij. Zonder iets aan zijn vader uit te leggen duwde Roel mij tegen de wand van een stalen kolos en vrijwel direct verdween ik.

Zoals ik al dacht verloor ik  het oortje en dus ook mijn contact, als een bezetene verplaatste ik mij door stalen wanden van container naar container. Rij na rij en al wat ik tegen kwam was, vis, fruit bloemen en bevroren hompen vlees. Buiten adem kwam ik terug bij Roel.

‘Een half uur.’ schreeuwde hij me toe. ‘Nog een rij te gaan!’

Ik werd boos van wanhoop, waar waren ze? Plots kwam ik in een lege ruimte achter een koeling met bevroren kippen. Daar lagen ze verdoofd of dood op smerige matrassen die naar urine roken. In mijn blootje holde ik naar buiten op zoek naar Roel, mijn hart in mijn keel en in mijn hoofd het containernummer herhalend.

Van alle kanten kwam er blauw licht terwijl ik mij haastig aankleedde. Roel’s vader duwde mij abrupt in een politie auto.

‘Naar huis met jullie!’ en terwijl hij mij aankeek, ‘Vraag je ouders iets van kleding voor je uit te vinden.’

Op weg – Cornelie Moolhuizen

Als ik iets moet noemen wat ik van Daan leerde toen ik de specialisatie Romans en Korte Verhalen schrijven bij hem volgde, dan is dat: meters maken. Een schrijver schrijft altijd, punt. Hij gaf ons ook nog mee dat de wereld altijd probeert je van het schrijven te houden. Opbeurend, niet? Tegen de tijd dat ik mijn certificaat in ontvangst mocht nemen, had ik mezelf aangewend om de meeste dagen van de week mijn laptop op schoot te sleuren en te typen. Volslagen gehersenspoeld dus (en dat bedoel ik uiteraard positief). Druk, moe, inspiratieloos: het was allemaal geen excuus. Deze weg was ik ingeslagen en ik ging er komen. Zo kwam ik aan een manuscript dat met de week in omvang toenam. Ik liet me niet meer afleiden en als mijn oude mentor me zo kon zien, zou hij vast trots zijn.

Alleen: ik liet me wel afleiden. In augustus zag ik de Harland Awards lonken. Hoe leuk zou het zijn om in de zomermaanden wat afwisseling te hebben in de vorm van een kort verhaal? Voor wie nu denkt: De Harwattes?, dit een wedstrijd voor verhalen tot 10.000 woorden in de genres fantasy, science fiction en horror. De feedback die je in het juryrapport krijgt, helpt je om weer beter te worden. Ook als fantasy niet je gebruikelijke genre is.

In de maand augustus puzzelde ik met mijn tijd om aan mijn boek te blijven werken en ondertussen met een leuk kort verhaal op de proppen te komen. Ik wisselde tussen de hoofdweg en het zijpad tot ik op 31 augustus vermoeid maar tevreden op ‘Verzenden’  drukte. Tijd om mijn grote project weer alle aandacht te geven. Niemand hoefde te weten dat ik een tussendoortje had gehad, toch?

Nog een ding over de Harland Awards: naast schrijflust heb je er ook geduld voor nodig. Na het insturen duurde het ruim 7 maanden voor de Dag van het Fantastische Boek aanbrak, de dag waarop ’s avonds de uitslag van de wedstrijd bekend zou worden gemaakt. Tijd genoeg om weer helemaal op het juiste pad te geraken. Het was april voor ik me in mijn feestjurk hees en me meldde in het Compagnietheater. Kennelijk was ik niet de enige die uitstapjes naar het fantastisch genre maakte, want in de foyer trof ik een bekend gezicht: ook mentor Daan was aanwezig.‘Heb je meegedaan?’ Betrapt. ‘Wat goed!’

Oh. Dat kon natuurlijk ook. ‘Maar met mijn boek gaat het heel goed,’ verzekerde ik hem nog.

Ik moet het de organisatie van de Harland Awards nageven: ze maken er altijd een spektakel van. Voor de winnaars stonden er glimmende trofeeën klaar op het podium. De 25 finalisten zagen hun naam verschijnen op het grote scherm en bekende namen uit het genre praatten de bekendmakingen aan elkaar. Hoe minder plekken van de shortlist nog onbekend bleven, hoe spannender het werd. Was dit goed of juist niet? Was het mogelijk dat ik de finale had gehaald? Zou mijn naam nog voorbij komen? In vredesnaam, mensen van de organisatie, praat door!

Ik houd je niet langer in spanning, want ik weet hoe dát voelt. Volgens het scherm was ik derde. Ik mocht zo’n glimmerd van een trofee komen halen. Wat een prachtige, overdonderende verrassing. Ik zwabberde van de trap af (een combinatie van pumps en zenuwen) en in de felle toneellampen ontving ik een handdruk en een prijs. Ik hoorde de felicitaties en zag op de eerste rij een vuist schudden: Yes!, deed Daan. Daar zat geen mentor die mijn uitstapje een slecht plan vond. Mij speet het ook niet.

Als ik iets moet noemen wat ik zelf leerde, is dat ik niet meer zal denken in hoofdwegen en zijpaden. Ze kunnen best dezelfde kant oplopen. Maar je begrijpt dat het schrijven er voortaan bij inschiet, want ik moet elke dag mijn trofee poetsen. Sorry, Daan.

Over de Auteur:

Cornelie Moolhuizen is alumna van de Schrijversacademie. In 2016 rondde ze de specialisatie Romans en Korte Verhalen af. Onlangs won zij de derde prijs bij de Harland Awards met haar korte verhaal Plankenkoorts. In het dagelijks leven is ze archeoloog, wat haar inspireert bij het schrijven van historische fictie. De vorderingen van haar manuscript en andere schrijfperikelen zijn hier te volgen.

Deze foto is afkomstig van Connies Boekenblog (Connie Flipse) met fotograaf Jeroen Mies.

Schrijftips die je op weg helpen voor Write Now! 2017

Schrijf, herschrijf, herhaal

Schrijftips die je op weg helpen voor Write Now! 2017

Het is avond en het wordt later en later. Het witte licht van het onbeschreven Word-document reflecteert confronterend op je gezicht. De cursor knippert ongeduldig en je vingers hangen boven het toetsenbord. Gefrustreerd loop je nog maar een keer weg van het beeldscherm in de hoop terug te keren met een lumineus idee; die tekst voor Write Now! moet er komen.

Herkenbaar? Het is niet makkelijk om een verhaal te beginnen, laat staan om het af te maken. Gelukkig heeft Write Now! een aantal gouden schrijftips verzameld om je te helpen een begin te maken, om door te zetten en om te herschrijven.

Het bedenken van een openingszin is misschien wel de moeilijkste stap in het schrijfproces. Uitstelgedrag ligt op de loer, weet ook An De Gruyter: ‘Whatever, ik doe het straks wel.’ Haar stappenplan biedt uitkomst: klaag tegen vrienden, gooi met verfrommelde proppen papier. Zucht vaak, diep en luid. Even bij de pakken neerzitten mag, maar pak daarna het tikken weer op.

Het is niet erg om rotzooi te schrijven, aldus Hanneke Hendrix. Je moet je niet van de wijs laten brengen. Sla Gekrenkt en hongerig er maar op na, Das Magazin bracht voor hun twintigste editie de verhalen bijeen die schrijvers als Connie Palmen, Adriaan van Dis en Astrid Roemer in hun jonge jaren schreven, en die hun nu het schaamrood op de kaken bezorgen. Schrijven gaat om kilometers maken, alleen zo ontwikkel je je talent.

Voel je je al wat zekerder?

Terecht! Want na uren, dagen of weken ploeteren bereik je het moment dat je een verhaal, gedicht, scenario of songtekst op papier hebt staan waar je trots op bent, en kriebelen je vingers om in te sturen. Tóch is het belangrijk om de tekst even te laten rusten en hem daarna weer met een frisse blik te bekijken. Je haalt er altijd nog wat spelfouten uit, waarschuwt Ellen Deckwitz. Lize Spit adviseert om je verhaal hardop voor te lezen. Als je tenen een beetje krommen bij die ene passage is het verstandig om dat gedeelte alsnog door te strepen. Dat is niet altijd makkelijk, maar soms is schrijven schrappen en moet je een stuk opofferen voor het grotere geheel.

Dus schrijf. Herschijf. Herhaal.

Net zo lang tot je tevreden bent, en stuur dan in. Heb zelfvertrouwen. Ontmoet mensen die het net zo spannend vinden als jij, leer van de kenners tijdens de schrijfworkshops en weet: ook jij maakt kans op een plekje op dat podium. Want zoals ook Maartje Wortel schrijft over Write Now!: ‘Het is de beste aanmoediging voor schrijvers die je je kunt bedenken.’

Write Now! is dé schrijfwedstrijd voor jongeren van 15 t/m 24 jaar in het Nederlands taalgebied. De vorm van inzending is vrij: verhaal, gedicht, column, toneeltekst, filmscenario, songtekst – alle soorten tekst zijn toegestaan! Stuur een tekst in vóór 1 april via het inschrijfformulier.

De rappe desintegratie van de familie Sunshine  – winnaar van de schrijfwedstrijd Barbiepop

Gisteren was de uitreiking van de schrijfwedstrijd die de Schrijversacademie in samenwerking met schrijvenonline​ heeft georganiseerd. Iris Groenhout heeft de eerste prijs gewonnen! De tweede prijs ging naar Jakim Kravanja en de derde prijs naar Gino Dekeyser.
Nét niet op de shortlist maar wel een eervolle vermelding op de vierde plek: Marie Visser met haar gedicht: Instagirl.

Gefeliciteerd Iris!

De rappe desintegratie van de familie Sunshine

Op elke trede telde ik tot vijf, des te langer duurde het voor ik bij de slaapkamer van Marloes was. We gingen, samen met ons andere buurmeisje Désiree, met de barbies spelen. Mijn poppen hield ik achter mijn rug.  

Het was de dag na pakjesavond en ik had zeker geweten dat ik eindelijk een Barbie zou krijgen. Jarenlang had ze op mijn lijstje gestaan en jarenlang had mijn moeder dat genegeerd. Barbie was verwerpelijk speelgoed, vond ze. Het was zoiets als The A-team kijken of The Loveboat, of chips eten en frisdrank drinken. Allemaal verwerpelijke dingen. Dingen die wij niet deden. Maar kortgeleden had ze me opgewonden toegefluisterd: ‘Jij wordt heel blij als de sint komt.’   

‘Hoi.’  

Marloes en Desiree keken niet op toen ik binnenkwam. Ze hadden al hun barbies en kleertjes al in het midden van de kamer gelegd en stonden op het punt om te gaan verdelen. Behalve de oude verzameling zag ik ook een paar nieuwe. Blijkbaar had een van hen een Ken gekregen. Aan Ken hadden we, vanwege zijn korte haar, allemaal een hekel. Maar hij was een noodzakelijk kwaad omdat we wisten dat Barbie soms wilde zoenen. ‘Ik vraag wel een Ken voor Sinterklaas’, had Désiree zichzelf opgeofferd. En daar lag hij nu in zijn beige corduroybroek. Verder zag ik nog twee nieuwe Skippers, een Midge en een nepbarbie, maar wel met extra lang haar.  

‘Heb jij er nou ook één?’ vroeg Marloes.  

Ik knikte.  

‘Laat zien dan.’ 

Om tijd te rekken bewoog ik zo langzaam mogelijk mijn armen achter mijn rug vandaan. Ik kneep mijn ogen dicht en strekte mijn handen met de poppen voor me uit. Toen ik mijn ogen opende zag ik hun gezicht vol verbazing en afgrijzen.  

Ik herkende dat gevoel van de avond ervoor. Na een voortslepend gedicht vol rijmende moraal, mocht ik eindelijk het pakje openmaken. Het gewicht en de afmeting waren onmiskenbaar. Mijn moeder gaf me een bemoedigende knipoog. Met trillende vingers begon ik het papier los te peuteren om het vervolgens ongeduldig weg te scheuren. Gretig trok ik de doos tevoorschijn. Maar toen ik hem omdraaide slaakte ik een kreet. Het was geen Barbie, geen Skipper, zelfs geen Ken. Het was een moeder, een vader en een kindje. Ze waren donkerbruin, met zwart kroeshaar. De familie Sunshine. 

‘Waar komen díe vandaan?’ Marloes bekeek ze alsof ze twijfelde of ze wel legaal waren.    

‘Wat moeten we hier nou mee?’ Desiree, zelf gezegend met lang blond barbiehaar, plukte aan de kroeskoppen. 

Marloes zuchtte diep. 

‘Geef mij die bruine Ken dan maar.’  

‘Hij heet geen Ken, hij heet meneer Sunshine.’ Instinctief wilde ik ze beschermen. 

‘Nu heet ie bruine Ken. Hij gaat uit met Barbie.’ 

‘Maar mevrouw Sunshine dan?’  

‘Hier!’, Marloes wierp een paar zilveren lieslaarzen in mijn richting. ‘Ze gaat zingen in een club. Ze moet geld verdienen nu ze gaan scheiden.’ 

Vertwijfeld keek ik naar baby Sunshine.  

‘Geef maar’, zei Désiree ruimhartig. ‘Die is zo schattig, ik adopteer hem wel.’ 

De smaak van een ander leven – Yvette Strookappe

We hebben onlangs een schrijfwedstrijd gehad exclusief voor onze studenten met als hoofdprijs een specialisatie naar keuze. 3 verhalen zijn gekozen en de winnaar maken we binnenkort bekend! We publiceren de komende weken de 3 verhalen op onze website.

De jury, bestaande uit Manon Duintjer, Kathy Mathys en Tijmen de Kok, hebben hun keuze gemaakt! De 3 namen die in aanmerking komen voor de hoofdprijs zijn:

Ernestine Kossmann
Simone Carree
Yvette Strookappe

De smaak van een ander leven

Ze leefde haar leven aan de rand van dat van hen. Er was geen glimlach van herkenning, geen hand die groetend omhoog ging en haar naam weerklonk alleen in haar eigen hoofd. Wel was er een mengeling van afkeer, medelijden en complete verstandsverbijstering.

Ze had geleerd om hen gade te slaan zonder geconfronteerd te worden met hun opvattingen. Daarvoor hoefde ze zich niet te verstoppen achter een van de bomen of af te wachten in het steegje verderop. Zolang ze op gepaste afstand bleef verdroegen ze haar aanwezigheid alsof ze daadwerkelijk niet bestond. Ze lachten, roddelden en keuvelden, of lazen een boek op een van de afgelegen bankjes terwijl de kinderen zich vermaakten op de speeltoestellen.

Iedere week, op dezelfde dag en hetzelfde tijdstip, was er een man van middelbare leeftijd met zijn zoon. De jongen was alleen nog maar bekend met de illusie van puur geluk die hij achter elkaar beleefde op de glijbaan. De vader verdeelde zijn aandacht tussen hem en zijn horloge. Zijn rechtervoet wipte op en neer. Ongeduld, stress, een combinatie van de twee of misschien was het wel gewoon een nietszeggende tic. Maar wat als er wel wat speelde in zijn leven en die terugkerende beweging een noodzaak was geworden? Een baas die ongeduldig op hem wachtte, een ex-vrouw die iedere minuut van de voogdijregeling op papier noteerde. Of werd hij nerveus van het wegtikken van de tijd en realiseerde hij zich dat het grootste deel van zijn leven er al op zat. Waarschijnlijk geen van allen, dacht ze even later. Maar fantaseren over hun leven was alles wat ze had. Bij hen waren er zo ontzettend veel scenario’s mogelijk en dit was een van de weinige manieren om er zelf deel van uit te maken. In gedachten liep ze met de man mee naar zijn baas of ex-vrouw en hield ze de hand van zijn zoontje vast.

Maar in werkelijkheid wachtte ze nu met smart tot het uur erop zat. Toen de vader zijn zoon riep voelde ze haar maag verlangend samentrekken. De jongen kwam aangerend, greep de eerste boterham vast en at hem al babbelend op. Maar ze wist dat de vader er altijd twee bij zich had. Twee boterhammen en een pakje appelsap. De appelsap ging op. De tweede boterham werd geweigerd. En weggegooid.

Nog geen minuut nadat ze vertrokken waren viste ze de boterham uit de prullenbak en het zakje dat eromheen zat. Dit was het moment waarop ze haar gretigheid afremde. Het was zoveel meer dan alleen een boterham. De boter keurig gesmeerd langs de broodkorst. Een plak kaas met een lachend gezichtje erbovenop.

Vanaf de eerste tot en met de laatste hap hield ze haar ogen gesloten en zag ze een vrouw in een verwarmde keuken staan. Een moeder die met precisie de boter verdeelde en de kaas in het midden erop legde. Een moeder die het eten met zorgzame handen inpakte en met een gulle glimlach aan haar overhandigde.

 

 

 

Umami – Simone Carree

De jury, bestaande uit Manon Duintjer, Kathy Mathys en Tijmen de Kok, hebben hun keuze gemaakt! 3 verhalen zijn gekozen en de uiteindelijke winnaar maken we 19 januari bekend. De 3 namen die in aanmerking komen voor de hoofdprijs zijn:

Ernestine Kossmann
Simone Carree
Yvette Strookappe

Deze namen staan nu nog op alfabetische volgorde en dit is verhaal 2! We houden het nog even spannend!

Umami

Vanuit het felle zonlicht stapte hij het huisje binnen. Zijn ogen moesten wennen aan het schemerduister. Langzaam ontwaarde hij de contouren van een deur en een grote open schouw in de hoek van de kamer. Een paar kooltjes gloeiden oranje op vanaf het rooster door de tochtvlaag van zijn binnenkomst. Dunne repen vlees hingen hoog in de schoorsteenmantel te drogen. Hmmm… biltong! Zijn mond waterde bij de gedachte aan het pittige smaakopwekkende zoetzilt. Hij plukte een reep uit de haard en stopte hem in zijn mond. Onmiddellijk mengde het taaie droge vlees zich met zijn speeksel tot een smaak waarvan hij zich ter plekke herinnerde dat het umami heette, de vijfde smaak. Traag bewoog hij zich naar de deur.

Al kauwend stootte hij z’n hoofd toen hij door het oude eikenhouten kozijn het eenvoudige boerenkeukentje binnenstapte.  Hij greep naar de pijnlijke plek en bekeek daarna zijn handpalm. Die was schoon. Op het stenen aanrecht lag een berg rouw vlees. De ijzerachtige geur van bloed vulde zijn neus en versterkte de bijna zoete smaak van het vlees in zijn mond. Een blikken teil lag vol nog ongespoelde darmen, de uiteinden keurig dichtgeknoopt om te voorkomen dat de stront het vlees zou besmetten. Buiten aan de waslijn had hij aan houten knijpers een schapenvacht en enkele konijnenvellen zien wapperen in de harde wind van de Tramontana. Sommige al opgedroogd tot stijve windvanen. Hier werd gestroopt, dacht hij.

Hij deed een stap verder de keuken in om het jagersmes dat op het betegelde aanrecht lag beter te kunnen bekijken. Uit zijn zak haalde hij een loep, een zip-lock zakje en een pincet. Hij boog zich voorover, hoorbaar sneller ademend. ‘Godallemachtig!’, fluisterde hij schor.
Met z’n pincet plukte hij voorzichtig twee haren van het mes en borg ze op in het plastic zakje. Hij keek de kleine ruimte rond. De wanden hingen vol met pannen, bevestigd aan een houtje-touwtje. Uit het leemstucwerk staken enkele takken waaraan worsten en hammen te drogen hingen.  Zijn aandacht werd getrokken door iets roods. Hij liep er naar toe. Een blonde vlecht. Met een rode strik vastgeknoopt  aan een roestige spijker. Ze had niet de moeite genomen de haren los te snijden van de scalp.

Zijn maag kromp ineen en krampte haar inhoud omhoog. In een golf van bittere gal leegde inspecteur Gomez de Avellaneda zijn maag op de keukenvloer. Kokhalzend en met tranen in zijn ogen realiseerde hij zich dat mensenvlees inderdaad zoeter smaakt dan rund.

Nog één glas – Ernestine Kossmann

De jury, bestaande uit Manon Duintjer, Kathy Mathys en Tijmen de Kok, hebben hun keuze gemaakt! 3 verhalen zijn gekozen en de uiteindelijke winnaar maken we 19 januari bekend. De 3 namen die in aanmerking komen voor de hoofdprijs zijn:

Ernestine Kossmann
Simone Carree
Yvette Strookappe

Deze namen staan nu nog op alfabetische volgorde en elke week publiceer ik 1 van de verhalen. We houden het nog even spannend!

Nog één glas

Je hebt mensen die in alles altijd beter zijn dan jij. MIjn broer is zo iemand. Kent meer gedichten uit zijn hoofd, spreekt meer vreemde talen, fietst harder, speelt beter piano, weet overal de weg, kookt lekkerder.

Ik had hem gevraagd mee te gaan naar de workshop ‘Wijn proeven’ die ik ergens gewonnen had. Daar zat een competitie-elementje in. Ik had zo graag eens iets gevonden waar ik beter in was.

Daar zaten we, met halve glaasjes wijn voor ons en een notitieblok. Dat gezwabber, dat was het probleem nog niet. Ik kon zien of de wijn helder was of niet, en lichtgeel en groenig kon ik ook nog wel onderscheiden. Zelfs ‘hangt wat meer aan het glas’ kreeg ik zonder al te veel gene uit m’n mond, ik had het idee dat ik het wel begreep. En hij knikte. We vonden hetzelfde, hij zag niet iets anders dan ik en dat was al heel wat. Hij zag altijd meer dan ik, gelijkspel was voor mij pure winst.

Bij het ruiken ging het mis. Ik rook wijn. Omdat ik ook wel begreep dat dat niet helemaal de bedoeling was, beweerde ik dat ik ‘fruit’ geroken had. Hij rook ‘pasgemaaid gras in combinatie met verse abrikozen’. En toen moest het echte proeven nog beginnen. Ik proefde wijn. Lekkere wijn. En ik suggereerde ‘een regenbuitje in de lente’. Hij knikte nadenkend. Ja, dat begreep hij wel, dat zat er wel in. Maar toch ook doperwtjesgroen. En een randje peer met karamel.

Bij het derde glas probeerde ik het nog maar half, terwijl hij met zijn ogen half gesloten en zijn hoofd scheef poezie schreef. Kampvuur aan zee. Opstuivende kalkgronden. Geraniums langs een bergbeek. Toen hij ook nog wist te vertellen uit welk gebied welke wijn kwam, en welke druif er gebruikt werd, toen gaf ik het helemaal op. Gewoon, hopla, naar binnen met die wijnen. Ze smaakten prima. Naar lekkere wijn.

Hij had de smaak te pakken, en ik kon met hem geen wijn meer drinken zonder dat hij in lyrische bewoordingen beschreef wat hij proefde.

Wat hij ook beter blijkt te kunnen dan ik, is ziek zijn. Ik doe aan halve griepjes, nu en dan eens een paar dagen misselijk of zo, een pijnlijke nierbekkenontsteking als absoluut hoogtepunt. Hij heeft dat allemaal zo’n beetje overgeslagen, hij gaat meteen voor het echte werk, met operaties en chemo’s en bestralingen. Ik zit regelmatig aan zijn bed, afwisselend in het ziekenhuis en thuis, vooral thuis nu, nu de medische wereld geen nieuw register meer open kan trekken.

Zijn vrouw en ik drinken wijn.

“Mag ik een slok?” vraagt hij en hij reikt naar mijn glas. “Het kan met mijn medicatie.”
Ik geef hem mijn glas, hij drinkt, ik krijg mijn glas terug.

“Zo jammer,” zegt hij, “nu ik rustig wijn mag drinken, nu smaakt het nergens meer naar. Vertel jij me wat je proeft?”

Lentebloesem, lieg ik, zeekraal, grapefruitbittertjes met amandelen. Vooral zilte tranen. Maar dat zeg ik niet.

Win een specialisatie! – Schrijfwedstrijd exclusief voor onze studenten – Deze wedstrijd is reeds geweest

breaking-news-schrijversacademie

Win een specialisatie! – Schrijfwedstrijd exclusief voor onze studenten

Weet je nog, je allereerste inleveropdracht? Over zintuiglijk schrijven, toen je woorden niet meer las, maar je ze ging proeven, horen, voelen, ruiken? Exclusief voor onze studenten organiseren we een schrijfwedstrijd terugwijzend naar die oefening. Het thema: Proeven.

Schrijf een verhaal, gedicht of reportage van maximaal 500 woorden waarin proeven een bepalende rol speelt. In de verdere invulling ben je helemaal vrij. Deadline is 1 december 2016, de winnaar wordt eind december bekend gemaakt. Mail je verhaal naar schrijfwedstrijd@schrijversacademie.nl en vergeet niet de voorwaarden hieronder even door te nemen.

De hoofdprijs: een extra specialisatie naar keuze!

De shortlist van 6 schrijvers zal gepubliceerd worden op de blogpagina van www.schrijversacademie.nl

Voorwaarden

Ingezonden verhalen dienen te voldoen aan onderstaande wedstrijdreglementen. Is dit niet het geval dan wordt het desbetreffende verhaal uitgesloten van deelname.

-Het verhaal mag niet eerder zijn gepubliceerd bij een uitgeverij en moet contractueel vrij zijn voor uitgave. Alle rechten moeten de auteur toebehoren.

-Het verhaal moet onder je eigen naam ingezonden worden. Bij het winnen van de wedstrijd kan er wel gesproken worden over het publiceren van het verhaal onder een pseudoniem.

-Elke deelnemer mag slechts één verhaal insturen.

-Het verhaal moet gestuurd worden naar schrijfwedstrijd@schrijversacademie.nl.

-Elke deelnemer moet zich aan de opgegeven deadline houden. Verhalen die later dan de uiterste inzenddatum zijn ontvangen, zijn uitgesloten van deelname.

-Verhalen dienen aan het genoemde aantal woorden te voldoen.

-Over de uitslag kan niet worden gecorrespondeerd.

Criteria verhalen

  • Bij elke schrijfwedstrijd staat vermeld wat het thema is. Dit thema dient een bepalende rol te spelen in het verhaal.
  • Lever je verhaal in een .doc- of .docx-bestand in.
  • Het document dient de titel van het verhaal te dragen.
  • In het document mogen geen naam- en adresgegevens staan en in de eigenschappen van het bestand mag ook geen naam staan. (Dit zodat het verhaal wel anoniem wordt gelezen tijdens de beoordelingsfase)
  • Er mag geen gebruik gemaakt worden van illustraties en/of gekleurde tekst.