Het 100-woorden doorgeefverhaal van onze Eindhovenklas!

Dat het binnen de Schrijversacademie bruist van de creativiteit bewijzen de studenten van de Eindhovenklas! Met de hele groep schreven zij een doorgeefverhaal: één student begon met een tekst van honderd woorden en dit werd door iedere student met een nieuw stuk van honderd woorden aangevuld. Docente Tania Heimans heeft er vervolgens met de laatste honderd woorden een eind aan gebreid. Lees het hele verhaal hieronder!


Grote boodschap

Door: Cees van den Broek, Stan Morgenstern, Renée van de Kerkhof,
Ellen Kusters, Niek van Kriegenbergh, Pauline Luiten,
Harrie van der Schoot, Ankie Vrolings en Tania Heimans

Natuurlijk viel het met bakken uit de lucht toen hij de buitendeur opentrok en hij vervloekte zijn eigen lamlendigheid die hem de dagelijkse wandeling had doen uitstellen tot na het eten. Een weg terug was er niet meer; het hondje stond tot het uiterste gespannen klaar en keek hem verwachtingsvol aan.
‘Vooruit maar,’ zei hij.
De boerenfox leek dat als een vrijbrief te zien de deur uit te stormen. Hij voelde de riem tussen zijn vingers doorglippen.
‘Verdomme!’ Hij zette de kraag van zijn jas op en stapte de plensbui in, wetend dat het nutteloos was te roepen.
Hendrick zag hoe het hondje de straat op rende en zette de achtervolging in. Nog voordat hij zijn voortuin had verlaten was hij al nat tot op het bot. Waarom heb ik niet snel naar de paraplu gegrepen toen ik naar buiten liep? schoot het nog door zijn hoofd. Maar daar was het nu te laat voor.
Blijkbaar had hij de wandeling te lang uitgesteld want het diertje was al bezig zijn grote boodschap midden op het trottoir van de buurvrouw te dumpen.
Ook dat nog! dacht Hendrick en hij keek om zich heen of niemand meekreeg wat zich hier afspeelde. Schijtjoekel! Eerst weglopen, en nu en plein public, het mestoverschot in Zuidoost-Brabant opkrikken. Holy crap, er kwam geen eind aan deze recordpoging.
Net toen hij de riem wilde pakken draaide Hunter zich om en begon met zijn achterpoten door zijn mestproductie te moonwalken. In een boog vlogen de fledders tegen het raam van Mien, de buurvrouw.
Dat bleef niet onopgemerkt. De deur ging open en luid fulminerend beende de boze buurvrouw op hem af. Op het trottoir aangekomen werd Mien overvallen door de verrassend gladde emulsie van regen en poep waardoor 100 kilo molenwiekend onheil plotseling in Hendricks richting werd gekatapulteerd.
Toen gebeurde het, iets wat maar zelden gebeurde, bij geluk, wanneer Hendrick in een zeer benarde positie geraakte. Hij kon het niet opwekken, hij kon het niet sturen, hij kon het wel hopen maar het gebeurde nooit wanneer hij het wenste, het gebeurde soms wanneer het niet uitkwam en juist dan wanneer hij het niet verwachtte. Maar nu dus. Plotseling leek de tijd te stoppen, de regen viel trager en kwam tot stilstand, de honderd kilo aan buurvrouw bewoog trager en trager. De arme Mien hing in haar vlucht stil in de lucht richting Hendrick gaande als de volle maan aan de sterrenhemel.

Hij kon nu twee dingen doen: maken dat hij wegkwam zonder zich erom te bekommeren dat Mien in die vieze smurrie terechtkwam óf als de wiedeweerga een krant of ander vodje papier op de troep gooien, zodat ze niet compleet onder de derrie zat als ze uiteindelijk op haar derrière smakte. Persoonlijk neigde hij naar de eerste optie, maar ergens in zijn achterhoofd hoorde hij het stemmetje van zijn vrouw: ‘Hendrick, je kunt die arme Mien niet in de stront laten zakken!’ En zoals de meeste mannen gehoorzaamde hij, met frisse tegenzin, zijn vrouw.
In paniek doorzocht hij tevergeefs zijn broekzakken, maar vond alleen een krokant geworden zakdoek, die veel te klein was om Hunters’ hoop te bedekken.
Inmiddels was Mien onzacht geland. Gehuld in een roze duster lag ze krijsend en machteloos spartelend op het trottoir.

De twee ambulancebroeders hadden nog behoorlijk veel moeite om de getergde vrouw op een brancard te krijgen. Schuldbewust zag Hendrick hoe een van de broeders plots naar zijn blauwe, bruin bevlekte handschoenen en daarna weer naar Mien keek: ‘Geeft niets hoor mevrouwtje, dat kan de beste overkomen. In het ziekenhuis zullen ze u wel verschonen.’
Hendrick stond in dubio, moest hij als de wiedeweerga naar huis, zijn auto pakken, en naar het ziekenhuis racen, om zijn besmeurde buurvrouw psychisch bij te staan, wat waarschijnlijk gepaard zou gaan met een scheldkanonnade van haar kant, of kon hij beter de poetsspullen uit de schuur halen en de stoep en ramen van Mien een grondige beurt geven.
De ‘oorzaak’ van deze ellende stond ondertussen bij de voordeur te blaffen. Hij had het buiten wel gezien, en wist dat er binnen bij de verwarming een heerlijk kussen op hem lag te wachten waar hij de rest van de ochtend slapend door zou brengen. Hij wel.

Hij lag nog geen half uur op bed toen Jeannette hem wekte.
‘Hendrick! Er staat beneden een hysterische Mevrouw Kwetters. Ze raaskalt iets over hekserij.’
De laatste keer dat hij zijn vrouw zo in paniek had gezien was toen hun oudste zoon een vriendin kreeg. Een actrice, wiens naam op Google veel hits gaf. Hendrick had zijn vrouw uitdrukkelijk afgeraden om op Pornhub-linkjes te klikken. Tevergeefs.
In de hal trof Hendrick een uitzinnige overbuurvrouw aan.
‘JIJ…! Blijf bij mij vandaan!’ riep ze met veel kracht en consumptie. ‘Ik heb wel gezien wat jij allemaal met Mien Doosje hebt uitgespookt…’
‘Mien doosje? Mens waar heb je het over? Ik heb niets met jouw doosje uitgespookt.’
Mevrouw Kwetters, die haar naam echt eer aandeed, kwetterde maar door. ‘Ja jij, speel maar weer de onschuldige, jij en die stomme keuter van je.’
Haar gezicht liep paarsblauw aan, net als haar dubbele kin; een met wratten bezaaide rimpelige massa vel, die imponerend op en neer bewoog, als de lel van een kalkoen.
In gedachten zag Hendrick haar plots naakt voor zich – heur doosje – een vreselijk beeld.
Dreigend ging ze verder: ‘Je stond godverdomme gewoon met je handen in je zakken te graaien, terwijl die arme Mien onderuit ging.’
Ja, daar had ze een punt. Veel had hij niet ondernomen. Hendrick, wat ben je toch een luiwammes! het was zijn door Jeanette gezongen levenslied geworden. En toch. Toch school er in hem een onbedwingbare kracht. Een kracht die Mien Doosje even als een zeppelin boven het trottoir had laten zweven. Ook mevrouw Kwetters had het gezien. Voor het eerst in haar leven keek ze met ontzag en zelfs angst naar hem. En op dat moment wist Hendrick dat hem een grote toekomst wachtte.
Woordeloos knikte hij naar Hunter.
Zijn hond begreep hem meteen.
En samen renden, nee, stormden ze de regen in.

Gezien worden – Ginny Krijgsman

Mijn eerste skype gesprek ooit. Ik houd niet van skypen, ik houd ook niet van mobiele gesprekken met beeld. Lange tijd naar een klein schermpje kijken, maakt me onrustig. Liever spreek ik iemand face to face, samen persoonlijk in dezelfde ruimte; zodat ik de nuance kan zien, de kleine bewegingen in houding, opslag van de ogen, de beweging van de handen of de mond kan registreren en interpreteren.

Maar skypen met Tania is anders. Niet alleen heb ik alle vertrouwen in haar expertise, belangrijk misschien nog is dat ik mij op mijn gemak voel bij haar. Zij begeleidt mij de komende tijd bij mijn project: de geschiedenis van mijn vader op schrift stellen. Dit is iets wat ik niet meer kan laten liggen. Doordat ik mij niet bewust ben van mijn eigen geschiedenis, heb ik mijn hele leven bij wijze van spreken de ene na de andere ‘film gemaakt’, Hierin bedeelde ik mij een bescheiden rol. Een bijrol of zelfs een figurantenrol was al goed. Ik was zelfs blij wanneer ik achter de coulissen een plaats had.

Bijna waar ik zijn moet

Mijn dromen bleven dromen. Af en toe ondernam ik een gewaagde poging, die al gauw door mijn innerlijke saboteur werd afgesneden. Zo ging ik ooit Nederlands studeren. Ik wilde namelijk schrijver worden. Op de opleiding kreeg ik last van paniekaanvallen. Misschien niet de meest logische keuze, maar na twee jaar watertrappelen daar, gaf ik me op voor de selectie bij de Maastrichtse Toneelacademie. Iets nieuws ondernemen, geeft nieuwe kansen en energie. Ik werd tot mijn grote verbazing, gezien de moeilijkheidsgraad, aangenomen. In plaats van blij verrast te zijn, schoot ik in de stress. Nu moest ik van Nijmegen naar Maastricht verhuizen.

Het lot speelde in die tijd een grote rol in mijn leven. Mijn leven was magisch, dus lette ik goed op tekens. Door de selectie heenkomen was een teken zo bedacht ik mij. Ik probeerde steeds iets nieuws in de hoop daar te komen waar ik zijn wilde. Geen duidelijk plan. Waarschijnlijk uit zelfbescherming om een hernieuwde teleurstelling te vermijden. Maar ach ik had het wel geprobeerd, ik was er bijna. Jaren later fietste ik door de straten van Den Haag met ‘ik ben bijna waar ik zijn moet, en mocht ik het niet halen, dan was ik toch dichtbij’, dat door de oortjes galmde.

Gezien of niet gezien

Nu zie ik Tania op mijn scherm verschijnen. Dat van mij rechtsonder blijft zwart. ‘je kunt je camera aanzetten door op het icoontje linksonder te klikken’, zegt ze. Het icoontje zie ik niet. ‘Is de camera misschien afgeplakt’, oppert Tania. Haar stem klinkt vriendelijk. Ik verwijder de vele post-its rondom mijn scherm, maar helaas nog steeds geen beeld. Dan blijkt dat ik helemaal geen camera heb. Ik heb een oud geval. Jammer, juist nu ik mijn angst voor het praten via een beeldscherm wilde doorbreken blijk ik geen camera te hebben. Poeh, ook wel fijn eigenlijk. Ik vind het ook erg spannend. Mijn wangen voelen warm aan. Gezien worden of niet gezien worden daar gaat het om. ‘zet jij jouw camera dan ook maar uit’, zeg ik. Maar Tania heeft er geen probleem mee om gezien te worden door mij en laat de camera aan.

Ik wil gezien worden en tegelijkertijd als ik gezien word of kan worden bevries ik. Als een haas die gespot wordt tijdens zijn tocht over het veld. Hij staat bewegingsloos als een tableau vivant, zijn oren plat langs zijn rug, zijn poten bevroren. Wordt het niet eens de hoogste tijd om te zijn waar ik wil zijn? Ik heb het gehad met dat ‘ik ben bijna waar ik zijn wil’. Om ergens te komen moet ik net als haas, die naar de andere kant wil met het gevaar gezien te worden, besluiten om over het open veld te lopen. Is het zo erg om gezien te worden?. Ik geniet van het kijken naar haas en vind het jammer dat hij zo bang voor me is. Zou hij blijer door het veld huppelen als hij zou weten dat ik hem te goeder trouw bekijk. Blij dat hij is waar hij is en niet in zijn bevroren moment denkt ‘ik ben bijna waar ik zijn moet’.

Ik ben bijna waar ik zijn moet, en met schrijf coaching van Tania Heimans ga ik er ook komen ook denk ik nu vastberaden. Bij het volgende skypegesprek ben ik in bezit van een webcam.

Over de auteur

Oud student Ginny Krijgsman (coach, trainer & pedagoog) besluit na het afronden van haar opleiding ‘Familieverhalen en biografieën schrijvenbij de schrijversacademie, op zoek te gaan naar haar wortels en schrijft zich in voor individuele schrijfbegeleiding. Tania Heimans begeleidt Ginny bij het onderzoek naar haar vaders KNIL geschiedenis. “Iedereen heeft een verhaal wat eruit moet en dit is de mijne”.

Ze schrijft onder andere columns over wat ze tegenkomt op haar zoektocht in haar onderzoeksproces, of over pedagogische zaken, zoals de interactie docent-leerling, een waarde(n)volle communicatie met leerlingen, hun ouders en docenten. Belangrijk voor haar in het onderwijs is de aandacht voor jongeren vanuit de verbinding van het hart.