Harige man in een opgevoerde invalidekar – Jowi Schmitz

Of ik misschien tóch die bestseller moet schrijven, over zelfinzicht en strips…

Harige man in een opgevoerde invalidekar.’ Mijn zoon Aran kijkt me aan met die blik die hij speciaal voor mij heeft ontwikkeld. Opgetrokken wenkbrauw, ogen ietwat argwanend. ‘Dat wordt vast weer zo’n raar verhaal mam. Kun je niet iets schrijven dat iederéén leuk vindt.’ Hij heeft mijn telefoon in zijn hand, het appje waarop ik aantekeningen maak stond nog open.

Hij heeft er nu al last van en hij is pas negen, dus hij gaat zich kapót schamen voor me, later. Daar word ik vrolijk van, van die gedachte. Dat ik als gekkie met té rood haar en veelkleurige outfit voor de deur van ons woonschip naar de eendjes loop te zwaaien, en dat hij, puber, zwart gekleed, te lang voor zijn lijf, zich in zijn slaapkamer heeft verstopt. Schrijvermoeders, awkward. En dan al helemaal eentje die niks mákkelijks schrijft, niks…stripachtigs, die zo nodig haar éigen verhalen moet verzinnen, in plaats van verhalen die iedereen al kent en dus leuk vindt. Ik heb hem beloofd dat ik het ga proberen, iets speciaal voor hem, maar het lukt nog niet zo goed.

‘Hee,’ zeg ik, ‘jij mag niet in mijn telefoon kijken. Daar staan al mijn geheime berichten in.’ Zijn ogen schieten meteen weer naar het schermpje. ‘Losse handjes,’ leest hij voor.

‘Precies.’ Ik ga voor hem staan. ‘Dat ben ik. De kinderslaander.’

‘Dat is geen woord mam.’

Voordat hij weer in mijn telefoon kan duiken gris ik het apparaat uit zijn handen en schrijf: Iets met gezichtsbedrog en de moeder is vernoemd naar een ster. Want dat zat al steeds in mijn hoofd, alleen had Aran mijn telefoon vast. Ik voel opluchting. Het is opgeschreven, nu kan ik het niet meer vergeten. Aran leest mee, maar geeft geen commentaar.

‘Dat wordt misschien wel een heel goed verhaal, op een dag.’ Want ik heb toch de behoefte me te verklaren.

Hij pakt een Donald Duck.

‘Dat zijn ook verhalen die door iemand worden bedacht,’ wijs ik naar zijn strip. Aran zucht, geeft me nog één keer De Blik. ‘Klopt,’ zegt hij. ‘Maar niet door jou.’

Wil je de gloednieuwe workshop van Jowi volgen, klik dan hier

Over de Auteur

Jowi Schmitz schrijft voor volwassenen en kinderen. Ze debuteerde in 2005 met Leopold, een roman over een man die kip wordt. Daarna verschenen er non-fictie boeken, nog een roman, diverse kinderboeken en allerlei andersoortige teksten. Ze schreef ook voor de kinderpagina van NRC Handelsblad, en ze heeft al jaren een weblog jowischmitz.nl

Haar tweede roman Kus van je zus werd genomineerd voor de BNG Literatuurprijs, het (blog)boek over haar te vroeg geboren zoon won de Inktslaafliteratuurprijs 2014.

In 2012 werd haar jeugddebuut Ik heet Olivia en daar kan ik ook niks aan doen bekroond met de Vlag en Wimpel, de Duitse vertaling kreeg het jaar erop de Duitse Luchs-prijs. In november 2016 verscheen Weg bij uitgeverij Hoogland en Van Klaveren. Weg gaat over een meisje dat wegloopt naar Barcelona om de vrijheid te veroveren. Weg werd door de Volkskrant verkozen tot één van de beste YA romans van 2016.

Weg (Hoogland van Klaveren) is tevens  door de vak jury bekroond met de Dioraphte Literatour Prijs 2017 in de categorie Oorspronkelijk Nederlandstalig.

Loden soldaatjes – met dit verhaal won Eelco Leemans de 2e prijs!

De uitslag van de Moederdag schrijfwedstrijd is bekend. Afgelopen maandag publiceerden we het verhaal Worden van Connie Mitchel, dat je hier kan teruglezen. Ze won hiermee de 3e prijs.

Vandaag kunnen jullie het verhaal Loden Soldaatjes van Eelco Leemans lezen, waarmee hij 2e werd. Een nostalgisch verhaal over een bijzonder handige moeder.

We willen iedereen die een verhaal heeft ingestuurd hartelijk bedanken voor hun deelname.

Tot de volgende schrijfwedstrijd!


Loden soldaatjes

Eelco Leemans

‘Morgen ruimen we de achterkamer leeg, wie helpt er mee?’
‘Wat gaat er gebeuren dan?’
‘We leggen de Topsy Turvey in de kamer om op te knappen’
Voor het schuren en schilderen van het houten zeilbootje haalde mijn moeder met onze hulp alle meubels uit de achterkamer. De boot werd naar binnen gedragen door de tuindeuren en vervolgens kaal gekrabd, geschuurd en geschilderd om een paar weken later weer als nieuw naar buiten te gaan. In de tussentijd leefden we in de voorkamer. Schoolvriendjes kenden ons huis als ‘het huis met de boot in de kamer’.

Learning by doing, dat had haar motto kunnen zijn. Mijn moeder met haar Friese wortels leerde ons al doende schilderen, slootjespringen, schaatsen, bomenklimmen, timmeren en zeilen. Met alle soorten gereedschappen en materialen kon ze overweg. Van oude deuren bouwden we onder haar leiding een schuurtje in de tuin, compleet met een venster erin. We mochten dan de spijkers in de planken slaan. Soms sloeg je de spijker krom, maar met de klauwhamer kreeg je die er wel weer uit en dan probeerde je het opnieuw met een andere spijker. Op het dak plakte ze zwart teerpapier, wat in de zomer bloedheet kon worden. Vanaf het schuurtje had je een mooi uitzicht.

Het fornuis toverde ze om in een gasbrander door het deksel van een gaspit te halen.
‘Je moet het gas eerst helemaal zacht draaien en dan voorzichtig een lucifer erbij houden. Pas als hij brandt kun je het gas hoger draaien’.
In de blauwe, twintig centimeter hoge steekvlam konden we dan verschillende soorten metalen verhitten om te bewerken. Een gloeiend plaatje koper klopte je zo met een bolle hamer tot een koperen schaaltje. Voor elke klus had ze gereedschap en anders improviseerde ze wel.  Ze wist bijvoorbeeld precies met wat voor zaag je het beste een stuk Eternit kon afzagen. Zo’n plaatje kon uitstekend tegen warmte en kwam dus goed van pas als we iets aan het verhitten waren. Pas later begrepen we dat Eternit een merknaam van asbest was en dat je het stof daarvan niet moest inademen.

Op een dag haalde ze een paar antieke gietijzeren mallen tevoorschijn, bedoeld om tinnen soldaatjes te gieten. Ze kwamen uit het huis van een overleden oudtante en bestonden ieder uit twee helften die precies op elkaar pasten. Eén stel mallen vertoonde een soldaat, een ander een ruiter. Het waren figuren uit een negentiende-eeuws leger die mij sterk deden denken aan de soldaten en generaals van Stratego.

Tin was niet makkelijk te krijgen, maar lood des te meer. Altijd waren er wel verbouwingen in de buurt, dus stukken loden afvoerpijp lagen vaak op de stoep. Met een ijzerzaag was het zachte lood goed in stukken te zagen. Ook glas-in-lood ruiten kon je vaak vinden bij verbouwingen. Mijn moeder – voor haar familie en volwassen vrienden Wif en voor mijn vriendjes dus Tante Wif – aasde juist op glas in lood, want de gekleurde stukjes glas konden we weer gebruiken om glasmozaïeken te maken. Om de grootste stukken glas kleiner te maken deed ze die in een dichtgevouwen krant, waarna we daar met een hamer op mochten slaan. De stukjes gekleurd glas plakten we dan met Velpon op een stuk vensterglas.

Voor het maken van de soldaatjes liet Wif ons zien hoe je met een nijptank het glas uit de stroken lood kon halen. Het glas bewaarden we in een doos, waarna we het lood in stukjes van een paar centimeter knipten. De brokjes lood deden we vervolgens in een steelpan met een tuitje, die apart werd gehouden voor de loden soldaatjes. Op een hoog vuur wachtten we tot het lood ging smelten.
‘Jullie moeten veel melk drinken, want lood is een beetje giftig. Als je melk drinkt heb je er geen last van.’
Dus dronken we grote bekers volle melk terwijl het lood smolt in het pannetje. Het was heel mooi om te zien hoe de doffe brokjes een prachtige glans kregen terwijl het lood vloeibaar werd.

Het gieten zelf deden we op de tegelvloer in de keuken. Wanneer het lood helemaal gesmolten was, moest het in de mal worden gegoten. De twee gietijzeren delen hadden beiden een houten handvat. Terwijl de één de mallen met handschoenen aan tegen elkaar drukte, goot de andere voorzichtig het lood in de vorm. Vooraf kregen we duidelijke instructies:
‘Altijd zorgen dat degene die de mallen vasthoudt, klaar is voordat je gaat gieten. En het is heel belangrijk om de vormen eerst voor te verwarmen op het gasfornuis, anders kan het mis gaan’.
Na het gieten moest je de mal even laten afkoelen om het lood te laten stollen. Vervolgens hield je de mallen met de soldaatjes erin onder de kraan, waarbij een hoop gesis klonk en stoom opsteeg. Daarna haalde je de mallen los van elkaar en kwam de soldaat tevoorschijn.

Hoe het kwam weet ik niet, maar opeens werd het populair om bij ons thuis soldaatjes te gieten. Niet om er daarna mee te spelen, het maken zelf was spectaculair genoeg. Soms stopten we een soldaat die een klein beetje mislukt was gewoon weer terug in de pan, om hem te zien opgaan in de kokende plas lood. De soldaatjes die wel gelukt waren, beschilderden we met verschillende kleuren verf. Daarbij gebruikten we geen camouflagekleuren maar, net als op de voorkant van de Stratego doos, rood voor de broeken en zwart of wit voor de jassen.

De kinderen in mijn klas stonden nog net niet in de rij om bij ons thuis soldaatjes te mogen gieten. Eén van mijn klasgenoten had een oom die bij de stickerfabriek werkte en daardoor had hij elke maand wel nieuwe stickers die iedereen wilde hebben. Om een sticker van hem te krijgen had je een serieus ruilobject nodig, zoals een zeldzame sleutelhanger of een aansteker of rotjes in de zomer. Toen hij hoorde van de soldaatjes wilde hij graag een keer komen spelen. Blijkbaar had ik het ultieme ruilobject: het gieten van loden soldaatjes. Zo kon ik mijn schooltas al gauw volplakken met stickers.

Bij de eerste keren dat we de soldaatjes goten, was mijn moeder er altijd bij om aanwijzingen te geven of om zelf de steelpan van het vuur te halen en in de mallen te gieten. Na een tijd had ze voldoende vertrouwen om het proces aan mij over te laten. Op een mooie middag kwam één van mijn vriendjes mee vanuit school en besloten we soldaatjes te gieten. Er was nog wat lood over van een glas-in-lood raam dus we knipten de stroken in stukken, zetten de pan op het vuur en gooiden de stukken lood daarin. Wif kwam nog wel even kijken om te zorgen dat we melk dronken, maar daarna liet ze ons verder aan de slag gaan.

We goten een ruiter en een soldaat, waarna we de mallen onder de kraan hielden en soldaat en ruiter op het aanrecht legden. Ze waren goed gelukt en we wilden er nog twee maken, maar eerst dronken we allebei nog een groot glas melk terwijl het pannetje op het vuur stond. Toen het lood gesmolten was, pakte ik de steel van de pan met de ovenwanten en goot het lood in de mal, die mijn vriendje stevig vasthield op de keukenvloer. Op dat moment klonk er gespetter uit de mal en plotseling spatte het lood alle kanten op. Mijn vriendje liet de mal los en rende door de openstaande keukendeur naar buiten terwijl hij zijn bril afdeed en over zijn gezicht wreef. Ik zette het pannetje neer en liep achter hem aan. Op zijn bril waren duidelijk gestolde spatjes lood te zien. Mijn moeder kwam op het geluid af en begreep direct wat er was gebeurd.
‘Jullie zijn vergeten om de mal droog te maken en voor te verwarmen, daardoor is het lood alle kanten opgespat!’
Ze spoelde koud water over zijn gezicht en uiteindelijk viel het mee: op een paar kleine lichte brandwondjes na kwamen we er goed vanaf. Maar soldaatjes hebben we niet meer gegoten.

Twee jaar geleden is mijn moeder overleden. De dag na haar overlijden maakten we samen een kist voor haar. In de woonkamer hebben de kleinkinderen die vervolgens beschilderd, waarna we Wif met een boot naar haar laatste rustplaats brachten.


De schrijfwedstrijd

Hierboven lees je het verhaal van Connie Mitchell, waarmee ze de 3e plek behaalde. Volgende keer kunnen jullie het verhaal van Eelco Leemans verwachten. Voor de nummer 1 moeten we wat langer wachten, want Anna Paulz wint een publicatie in de nieuwe verhalenbundel van Ambo Anthos, tussen gevestigde auteurs als Roos Schlikker, Susan Smit, Murat Isik, Meester Bart,  Jowi Schmitz, Carla de Jong en Tania Heimans!

De bundel ligt binnenkort in de winkels.

Het meisje met de zwavelstokjes – met dit verhaal won Janine Geerling de 1e prijs!

Eindelijk kunnen we het verhaal laten lezen van Janine Geerling. Ze won voor de tweede keer onze jaarlijkse schrijfwedstrijd die we in samenwerking met Schrijven Online organiseren en bewijst daarmee nog eens hoe talentvol ze is!

De jury was het unaniem eens over haar inzending:

Een meisje staart naar de kaars die ze op tafel heeft gezet voor het kerstdiner en, terwijl iedereen erop los kakelt en de Kerstklassiekers deel I op repeat op hoog volume ook nog door alles heen schallen, verbeeldt zij zich hoe de vlam ervandoor gaat en alles om zich heen verbrandt. Maar uiteindelijk dooft de kaars in een keer uit en oma vraagt of ze nog erwtjes wil.
Een kort verhaal dat letterlijk als een nachtkaars uitgaat en toch een grote indruk maakt: met weinig woorden wordt de nachtmerrie van het familiekerstdiner beschreven, met de aanstellerige tante, de zorgzame oude oma, de obsceniteiten spuiende oom, de opgedirkte tante, de knorrige vader, de moeder die het kind nog even tafelmanieren wil bijbrengen…

Het is een bijzonder sfeervol en beeldend geschreven verhaal over een klein meisje dat zich vereenzelvigt met het reinigende vuur, maar geconfronteerd wordt met de machteloosheid van die ene kaars, die net als zijzelf niet tegen de banaliteit van dat hele gezelschap op kan.


Het meisje met de zwavelstokjes

Vuur liegt niet. Het reageert, het kan niet anders.
Ze staart naar de vlam voor haar. Een lichaampje van licht dat flakkert en kronkelt, ontsnappen wil.
Geen wonder.
Gespetter, gelach, gesmak, geslurp, lippen die zich om glazen en lepels vouwen, schalen die worden doorgegeven, woorden die gemorst, angsten die weggespoeld, verlangens die worden fijngesneden. Waarheden die kleven.
   ‘Deck the halls with boughs of holly, fa la la la la, la la la la’
   En dat. Kerstklassiekers Volume 1. Op repeat.
  ‘‘Tis the season to be jolly, fa la la la la, la –‘
   De ingedroogde, met levervlekken bedekte handen van oma Dorith zetten een schaal stomende stoofpeertjes op tafel. De doperwten in de schaal ernaast lijken  op ontplofte groene puistjes.
   ‘See the blazing yule before us -‘
   De vlam kromt ver naar achteren in een poging iets fataals te ontduiken.
Ze had de kaars een uur geleden zelf nog op tafel gezet. ‘Doe ook eens wat,’ had haar vader gezegd. Traag had ze de bordeauxrode dinerkaarsen uit de verpakking gehaald, een voor een met lucifers aangestoken, ondersteboven gehouden, enkele druppels laten bloeden, en in de zilveren kandelaars geplaatst.
Haar moeder schuift iets op haar bord.
Kalkoen.
‘FOUT! EEN NAVEL!’ De tafel schudt onder de dreunende vuistslag en  onmiskenbare (kapotgerookte, hijgende, in gepiep eindigende) lach van oom Gerard. Zijn moppen gaan negen van de tien keer over borsten. Tieten. Meloenen. Prammen. Memmen. Toeters. Harries. Joekels. Ze is blij dat hij niet naast haar zit, met zijn kraterhuid, uienoksels en naar ontbinding ruikende adem.
De vlam buigt zich iets naar haar toe, alsof hij luistert, haar gedachten horen kan. Ze blaast zijn kant op, net hard genoeg om hem knetterend ineen te doen krimpen. Als hij niet had vastgezeten aan de lont zou hij er vandoor gaan. Dan zou hij met twee hete beentjes over de eettafel sprinten – schroeiplekken achterlatend in het witte tafelkleed – en rakelings langs het getoupeerde haar van tante Belinda springen – nee, wacht, niet rakelings erlangs, erín, IN het haar van tante Belinda, de hele platinablonde mikmak in de fik stekend, en daarna, met een gillende tante Belinda op de achtergrond, zou hij zwarte sporen schaatsen over het laminaat om vervolgens de kerstboom, de gordijnen, de boekenkast in te duiken. Hij zou zichzelf klonen totdat er niks over was van de hele godvergeten deck the halls en falala. Alles roet. Alles smeulend. Alles niks.
‘Luus, lieverd,’ de vlindermouw van haar moeders jurk aait over haar kruin en wappert kippenvel over haar armen, ‘ellebogen van tafel.’ Haar moeder giet cranberrysaus over de kalkoen, en loopt naar het volgende bord. Saus op kalkoen, kalkoen, kalkoen.
Iemand zet de muziek harder. ‘HEEDLESS OF THE WIND AND WEATHER, FA LA LA LA LA, LA LA LA LAAAAAAH.’
   Ze laat haar armen van tafel zakken, en zucht.
De kaars dooft.
Volledig. In één keer. Zonder tegenspartelen. Zonder enig geluid. Over. Uit. Het lontje gloeit niet eens, er kringelt alleen wat rook omhoog.
Oma Dorith schuift een schaal haar kant op. ‘Erwtjes erbij?’

schrijven wordt Schrijven – Lily Rijpkema

zolang ik me kan heugen schrijf ik. Natuurlijk aanvankelijk het verplichte schrijven op school. Maar al snel ontdekte ik hoe leuk het was om kleine verhaaltjes voor mijn zusjes te schrijven, werd ik blij van de kettingbrievenrage uit mijn jeugd en was ik trots als mijn opstel als enige werd voorgelezen in de klas. Sinterklaasgedichten schudde ik moeiteloos uit mijn mouw en in steenkolenengels correspondeerde ik met een verre ‘penvriendin’.

‘mama schrijft een brief’ was de gevleugelde uitdrukking in mijn gezin als een afspraak niet volgens plan was verlopen en het leidde vaak tot een bevredigende oplossing. In mijn bedrijf ging alle correspondentie via mij, ik eiste grammaticaal correcte brieven naar mijn klanten, zonder taal- of stijlfouten. Ik keek de scripties van mijn dochter na en bleef met trucs en tips hardnekkig volhouden om haar wegwijs te maken in de, voor haar geheime, wereld van de d, t of dt.

Opeens bleek een gedicht van mij in een bundel opgenomen te gaan worden en kreeg ik bericht dat een column van mijn hand in een blad zou verschijnen. Hierdoor aangemoedigd heb ik geklikt op een banner van de Schrijversacademie die in mijn beeldscherm verscheen. Ja, ik wilde wel wat meer informatie ontvangen. En na een prettig telefoongesprek met Caroline besloot ik om in het diepe te springen!

Een doos met boeken werd thuisbezorgd, opdrachten volgden al snel. Bijeenkomsten werden gepland, studiedagen aangekondigd. Deadlines, huiswerk, lezen, schrijven en nog meer schrappen. Opbeurend commentaar van je docent, een welkom compliment. Kritische feedback van medecursisten. Kladblokken met aantekeningen liggen verspreid door mijn huis en ik heb in de kantoorvakhandel gezocht naar pennen die lekker schrijven. De stapel nog te lezen boeken groeit gestaag.

Wat latent aanwezig bleek is tot leven gekomen. Mijn worstelingen worden herkend door mede cursisten. Wat ik eerder al deed krijgt plotseling een naam. ‘Kill your darlings’, zó heet dat dus als je met pijn in je hart een geweldige passage uit je tekst moet schrappen.

Over de auteur

Als wijkverpleegkundige zit ik de hele dag op de fiets, op weg van patiënt naar patiënt. Achter elke voordeur een verhaal, voorlopig heb ik daardoor voor jaren voldoende input om verhalen te schrijven. En als ik oud en stram ben wordt het misschien wel een boek!

Studeren aan de Schrijversacademie is voor mij hard werken, uitdagend maar voorál een feest van herkenning!

 

Inspiratie overal – Nicolyn Dijkstra

“Wat vind je van mijn preiplanten? Die heb ik als kleine griffeltjes in de grond gezet en moet je nou eens kijken!” Ik kijk mijn vader enthousiast aan en vergeet helemaal om zijn zelfgekweekte groente te bewonderen. ‘Als kleine griffeltjes’, wat een prachtige beeldspraak! Houten schoolbanken, Ot en Sien, leren schrijven op een lei. Ik ben even in een andere eeuw.

Vlak na een vakantie sta ik altijd het best in contact met mijn gevoel. Als ik midden in mijn werk zit dan draai ik maar door, als een hamster in een tredmolen. Maar in de loop van een vakantie zie ik altijd heel helder wat ik belangrijk vind. Dat is het moment dat ik vooruitkijk, nadenk over waar ik sta en hoe ik verder wil.

Ik werk al bijna twintig jaar in het communicatievak, in allerlei disciplines. De laatste tijd bekroop me steeds vaker het gevoel dat ik veel van mijn tijd besteed aan de dingen die ik nou eenmaal door de jarenlange ervaring goed kan. Maar dat zijn niet per sé de dingen waar ik de meeste energie van krijg. Daarom ben ik twee maanden geleden begonnen aan de Schrijversacademie. Schrijven doe ik al langer en vind ik geweldig om te doen. Maar ik miste een lijn, kaders. Ik wil er meer mee, maar waar begin je dan? Min of meer toevallig kwam ik deze opleiding tegen en ik wist het meteen: heerlijk, ik ga nieuwe dingen leren!

De kip met kuikentjes die zich zo lekker veilig voelt in de stal van de lievelingspony van mijn dochter inspireert tot een column over mijn eigen kinderen. De vakantie van mijn vrienden naar Nevada resulteert in een blog over hun deelname aan het Burning Man Festival. Met stof op vreemde plaatsen, een beker aan hun riem en een open mind dansten ze een week lang door Black Rock City, de tijdelijke woongemeenschap die jaarlijks ontstaat in de woestijn. Een bezoek aan de schoenmaker die zijn winkel gaat sluiten, leidt tot een artikel over duurzaamheid. “Mensen laten hun schoenen niet meer maken”, verzuchtte hij, “voor een paar tientjes kopen ze liever nieuwe.” Onze wereld gaat zo ten onder aan overconsumptie, met uitputting van grondstoffen en luchtvervuiling aan de ene en een afvalprobleem aan de andere kant. Mijn paardrij-instructrice die vertelt dat ze vroeger rijles had van ene meneer Helden, die met een grote megafoon vanuit de kantine instructies naar zijn leerlingen brulde. Als je het niet goed deed, dan balkte hij: “Je hebt toch geen blubber in je laarzen?” Doodsbang was ze voor hem.

Al deze thema’s bieden haakjes voor een mooi verhaal en dagelijks raak ik meerdere keren geïnspireerd. De kaders die ik zoek, ga ik zeker vinden in deze opleiding. En voor een gebrek aan inspiratie hoef ik niet bang te zijn, die is duidelijk overal. Wat rest is een vraag aan mezelf: Over groente is natuurlijk veel te zeggen, maar wat wil ik nou eigenlijk het liefst vertellen?

Over de auteur

Nicolyn Dijkstra woont met man Robin, zoon Ruben (12) en dochter Jules (10) in Den Haag. Ze is eigenaar van HAAG communicatie & talen van waaruit ze communicatieopdrachten uitvoert voor diverse bedrijven. Ze spreekt vloeiend Spaans, Duits en Engels en brengt het liefst zo veel mogelijk tijd in Spanje door. Ze kookt graag voor vrienden en houdt van paardrijden, skiën, boeken lezen én schrijven. Ze begon in 2017 aan een opleiding aan de Schrijversacademie.

 

Schrijven voor de krant een vloek en een zegen

Het is iedere keer weer idioot om te constateren. Ik heb een interessant nieuwsfeit te pakken of een idee voor de krant. Ik leg dat idee vol elan voor aan de redactie. De redactie zegt ,,Oké, doe maar!”. Ik maak een afspraak voor een interview en dan gebeurt het. Zodra die afspraak concreet is. Zodra ik ergens heen moet om de informatie bijeen te krijgen die ik nodig heb voor mijn artikel, slaat de angst me om het hart. Een gevoel van paniek dat me bijna verlamd overvalt me. “Ik kan het niet! Ik wil het niet! Ik doe het niet!” schreeuwt elke cel in mijn lijf. Maar dat kan niet, want de afspraak staat genoteerd in mijn agenda. De krant rekent op mijn verhaal. Ik moet!

Vrijwel altijd is het zo dat ik eenmaal ter plaatse leuke gesprekken voer en prachtige anekdotes te horen krijg. Vol inspiratie en energie ga ik dan naar huis om enthousiast aan mijn artikel te gaan werken. Mijzelf afvragend waar ik me nou toch zo druk om heb gemaakt.

Een enkele keer loopt het echter anders.

Mijn opdracht deze keer is de nieuwe directrice van een biologische-dynamische zorgboerderij interviewen. Het lijkt mij leuk om af te spreken op het landgoed waar zij recentelijk directeur van is geworden. Dan voeren we het interview al wandelend over het prachtige perceel. Dat klinkt heel romantisch en dat is het natuurlijk ook. Alleen de romantiek was snel verdwenen toen de kakelverse directrice zich met een stevige handdruk aan mij voorstelde.

Ze stonk verschrikkelijk. Een grauwe walm van zure tabak en verschraalde nicotinedampen dartelden om haar heen. Het voorkomen van de vrouw stond in schril contrast met haar frisse, ecologische functie. Ik zette mij over mijn walging heen en stak van wal met mijn eerste vraag. Maar het gesprek ging niet van harte. De vrouw leek alleen te kunnen denken en praten in abstracte termen. En los van het feit dat ik geen flauw idee had wat ze allemaal bedoelde, groeide ook de paniek in mij. Hoe speel ik het klaar om van deze onbegrijpelijke woordenbrij een aantrekkelijk verhaal te maken? Een zenuwslopend uur later fietste ik naar huis met een hoofd vol faciliterende beleidsprocessen, ecologische voorwaarden en integrale benadering.

Thuis zette ik eerst een ferme pot thee. Met de hond aan mijn voeten en een zacht achtergrondmuziekje kwam ik langzaam bij. Ik pakte mijn aantekenboekje en kroop met kloeke tegenzin achter mijn laptop. Gelukkig had de natuur me niet in de steek gelaten. In mijn lead beschreef ik de eerste nachtvorst en de rijp die langzaam glinsterend wegsmolt in de vroege zonnestralen.

Daar was mijn begin.

Vervolgens verhaalde ik over samenwerking tussen alle verschillende  betrokken partijen en het evenwicht tussen mens en natuur. Uiteindelijk ben ik vijf keer opnieuw begonnen, heb ik heel veel onbegrijpelijke woorden moeten googelen voor hun betekenis en heb ik 657 kopjes rustgevende thee gedronken. Ruim vijf uur na mijn thuiskomst stond er eindelijk een tekst op mijn computerscherm waar ik enigszins tevreden over was.

Vrij worstelen met woorden om ze te verleiden tot het vormen van een aantrekkelijk verhaal is tot daaraan toe. Worstelen met een gesprekspartner is pas echt een nachtmerrie. ,,Ik doe het nooit meer!” riep ik tijdens het schrijven tegen de hond. Maar dat meen ik natuurlijk niet. Het volgende interview gaat over gebreide borsten. Kijk, dat kan gewoon niet misgaan!

Over de auteur:

Onze auteur is begonnen in september als student aan de schrijversacademie omdat ze wilt proberen, leren en ontwikkelen. Vooral dat proberen komt goed uit de verf. Ze werkt als freelance verslaggeefster, tekstschrijver  en professioneel woordenworstelaar.

Ik schrijf al heel erg lang, maar ben er niet voor opgeleid. Sinds een jaar of drie schrijf ik voor de krant. Vooral die opstartfase was af en toe tenenkrommend. Daarnaast schrijf ik voor een bureau dat trainingen mentale veerkracht verzorgd voor (in eerste instantie) geüniformeerde diensten (brandweer, ambulance, politie etc) dat vergt veel inlevingsvermogen. Ik wilde verdiepen in het schrijven. Technieken leren en uitgedaagd worden. Daarom heb ik eerst schrijfcoaching gevolgd. Dat beviel uitstekend. Daarna werd ik door een vriendin geattendeerd op het bestaan van de Schrijversacademie. Zij startte een half jaar voor mij haar opleiding bij jullie en was/is erg enthousiast. Door haar ervaringen ben ik me gaan verdiepen en heb daarna besloten de sprong te wagen (Eng. Nieuwe mensen leren kennen. Helemaal naar de grote stad…) Vooral de eerste lesdag heeft me heel wat slapeloze nachten en buikpijn van de zenuwen bezorgd. maar ik ben blij dat ik heb doorgezet. Ik vind het heel leuk om uitgedaagd te worden. Om van mijn gebaande paden af te wijken en op ontdekkingstocht te gaan met allerlei personages en schrijfstijlen en technieken.  Schrijven gaat in mijn beleving vooral over inspiratie die je soms bewust opzoekt en die je soms overvalt als een krijsend kind in de supermarkt. Het is daarom zaak om nooit zonder opschrijfboekje het huis te verlaten. Maar ook over jezelf over drempels heen durven duwen. Dat gaat nogal eens gepaard met de nodige slapstick. En daar kan je dan weer leuk over schrijven!