Harige man in een opgevoerde invalidekar – Jowi Schmitz

Of ik misschien tóch die bestseller moet schrijven, over zelfinzicht en strips…

Harige man in een opgevoerde invalidekar.’ Mijn zoon Aran kijkt me aan met die blik die hij speciaal voor mij heeft ontwikkeld. Opgetrokken wenkbrauw, ogen ietwat argwanend. ‘Dat wordt vast weer zo’n raar verhaal mam. Kun je niet iets schrijven dat iederéén leuk vindt.’ Hij heeft mijn telefoon in zijn hand, het appje waarop ik aantekeningen maak stond nog open.

Hij heeft er nu al last van en hij is pas negen, dus hij gaat zich kapót schamen voor me, later. Daar word ik vrolijk van, van die gedachte. Dat ik als gekkie met té rood haar en veelkleurige outfit voor de deur van ons woonschip naar de eendjes loop te zwaaien, en dat hij, puber, zwart gekleed, te lang voor zijn lijf, zich in zijn slaapkamer heeft verstopt. Schrijvermoeders, awkward. En dan al helemaal eentje die niks mákkelijks schrijft, niks…stripachtigs, die zo nodig haar éigen verhalen moet verzinnen, in plaats van verhalen die iedereen al kent en dus leuk vindt. Ik heb hem beloofd dat ik het ga proberen, iets speciaal voor hem, maar het lukt nog niet zo goed.

‘Hee,’ zeg ik, ‘jij mag niet in mijn telefoon kijken. Daar staan al mijn geheime berichten in.’ Zijn ogen schieten meteen weer naar het schermpje. ‘Losse handjes,’ leest hij voor.

‘Precies.’ Ik ga voor hem staan. ‘Dat ben ik. De kinderslaander.’

‘Dat is geen woord mam.’

Voordat hij weer in mijn telefoon kan duiken gris ik het apparaat uit zijn handen en schrijf: Iets met gezichtsbedrog en de moeder is vernoemd naar een ster. Want dat zat al steeds in mijn hoofd, alleen had Aran mijn telefoon vast. Ik voel opluchting. Het is opgeschreven, nu kan ik het niet meer vergeten. Aran leest mee, maar geeft geen commentaar.

‘Dat wordt misschien wel een heel goed verhaal, op een dag.’ Want ik heb toch de behoefte me te verklaren.

Hij pakt een Donald Duck.

‘Dat zijn ook verhalen die door iemand worden bedacht,’ wijs ik naar zijn strip. Aran zucht, geeft me nog één keer De Blik. ‘Klopt,’ zegt hij. ‘Maar niet door jou.’

Wil je de gloednieuwe workshop van Jowi volgen, klik dan hier

Over de Auteur

Jowi Schmitz schrijft voor volwassenen en kinderen. Ze debuteerde in 2005 met Leopold, een roman over een man die kip wordt. Daarna verschenen er non-fictie boeken, nog een roman, diverse kinderboeken en allerlei andersoortige teksten. Ze schreef ook voor de kinderpagina van NRC Handelsblad, en ze heeft al jaren een weblog jowischmitz.nl

Haar tweede roman Kus van je zus werd genomineerd voor de BNG Literatuurprijs, het (blog)boek over haar te vroeg geboren zoon won de Inktslaafliteratuurprijs 2014.

In 2012 werd haar jeugddebuut Ik heet Olivia en daar kan ik ook niks aan doen bekroond met de Vlag en Wimpel, de Duitse vertaling kreeg het jaar erop de Duitse Luchs-prijs. In november 2016 verscheen Weg bij uitgeverij Hoogland en Van Klaveren. Weg gaat over een meisje dat wegloopt naar Barcelona om de vrijheid te veroveren. Weg werd door de Volkskrant verkozen tot één van de beste YA romans van 2016.

Weg (Hoogland van Klaveren) is tevens  door de vak jury bekroond met de Dioraphte Literatour Prijs 2017 in de categorie Oorspronkelijk Nederlandstalig.

Het 100-woorden doorgeefverhaal van onze Eindhovenklas!

Dat het binnen de Schrijversacademie bruist van de creativiteit bewijzen de studenten van de Eindhovenklas! Met de hele groep schreven zij een doorgeefverhaal: één student begon met een tekst van honderd woorden en dit werd door iedere student met een nieuw stuk van honderd woorden aangevuld. Docente Tania Heimans heeft er vervolgens met de laatste honderd woorden een eind aan gebreid. Lees het hele verhaal hieronder!


Grote boodschap

Door: Cees van den Broek, Stan Morgenstern, Renée van de Kerkhof,
Ellen Kusters, Niek van Kriegenbergh, Pauline Luiten,
Harrie van der Schoot, Ankie Vrolings en Tania Heimans

Natuurlijk viel het met bakken uit de lucht toen hij de buitendeur opentrok en hij vervloekte zijn eigen lamlendigheid die hem de dagelijkse wandeling had doen uitstellen tot na het eten. Een weg terug was er niet meer; het hondje stond tot het uiterste gespannen klaar en keek hem verwachtingsvol aan.
‘Vooruit maar,’ zei hij.
De boerenfox leek dat als een vrijbrief te zien de deur uit te stormen. Hij voelde de riem tussen zijn vingers doorglippen.
‘Verdomme!’ Hij zette de kraag van zijn jas op en stapte de plensbui in, wetend dat het nutteloos was te roepen.
Hendrick zag hoe het hondje de straat op rende en zette de achtervolging in. Nog voordat hij zijn voortuin had verlaten was hij al nat tot op het bot. Waarom heb ik niet snel naar de paraplu gegrepen toen ik naar buiten liep? schoot het nog door zijn hoofd. Maar daar was het nu te laat voor.
Blijkbaar had hij de wandeling te lang uitgesteld want het diertje was al bezig zijn grote boodschap midden op het trottoir van de buurvrouw te dumpen.
Ook dat nog! dacht Hendrick en hij keek om zich heen of niemand meekreeg wat zich hier afspeelde. Schijtjoekel! Eerst weglopen, en nu en plein public, het mestoverschot in Zuidoost-Brabant opkrikken. Holy crap, er kwam geen eind aan deze recordpoging.
Net toen hij de riem wilde pakken draaide Hunter zich om en begon met zijn achterpoten door zijn mestproductie te moonwalken. In een boog vlogen de fledders tegen het raam van Mien, de buurvrouw.
Dat bleef niet onopgemerkt. De deur ging open en luid fulminerend beende de boze buurvrouw op hem af. Op het trottoir aangekomen werd Mien overvallen door de verrassend gladde emulsie van regen en poep waardoor 100 kilo molenwiekend onheil plotseling in Hendricks richting werd gekatapulteerd.
Toen gebeurde het, iets wat maar zelden gebeurde, bij geluk, wanneer Hendrick in een zeer benarde positie geraakte. Hij kon het niet opwekken, hij kon het niet sturen, hij kon het wel hopen maar het gebeurde nooit wanneer hij het wenste, het gebeurde soms wanneer het niet uitkwam en juist dan wanneer hij het niet verwachtte. Maar nu dus. Plotseling leek de tijd te stoppen, de regen viel trager en kwam tot stilstand, de honderd kilo aan buurvrouw bewoog trager en trager. De arme Mien hing in haar vlucht stil in de lucht richting Hendrick gaande als de volle maan aan de sterrenhemel.

Hij kon nu twee dingen doen: maken dat hij wegkwam zonder zich erom te bekommeren dat Mien in die vieze smurrie terechtkwam óf als de wiedeweerga een krant of ander vodje papier op de troep gooien, zodat ze niet compleet onder de derrie zat als ze uiteindelijk op haar derrière smakte. Persoonlijk neigde hij naar de eerste optie, maar ergens in zijn achterhoofd hoorde hij het stemmetje van zijn vrouw: ‘Hendrick, je kunt die arme Mien niet in de stront laten zakken!’ En zoals de meeste mannen gehoorzaamde hij, met frisse tegenzin, zijn vrouw.
In paniek doorzocht hij tevergeefs zijn broekzakken, maar vond alleen een krokant geworden zakdoek, die veel te klein was om Hunters’ hoop te bedekken.
Inmiddels was Mien onzacht geland. Gehuld in een roze duster lag ze krijsend en machteloos spartelend op het trottoir.

De twee ambulancebroeders hadden nog behoorlijk veel moeite om de getergde vrouw op een brancard te krijgen. Schuldbewust zag Hendrick hoe een van de broeders plots naar zijn blauwe, bruin bevlekte handschoenen en daarna weer naar Mien keek: ‘Geeft niets hoor mevrouwtje, dat kan de beste overkomen. In het ziekenhuis zullen ze u wel verschonen.’
Hendrick stond in dubio, moest hij als de wiedeweerga naar huis, zijn auto pakken, en naar het ziekenhuis racen, om zijn besmeurde buurvrouw psychisch bij te staan, wat waarschijnlijk gepaard zou gaan met een scheldkanonnade van haar kant, of kon hij beter de poetsspullen uit de schuur halen en de stoep en ramen van Mien een grondige beurt geven.
De ‘oorzaak’ van deze ellende stond ondertussen bij de voordeur te blaffen. Hij had het buiten wel gezien, en wist dat er binnen bij de verwarming een heerlijk kussen op hem lag te wachten waar hij de rest van de ochtend slapend door zou brengen. Hij wel.

Hij lag nog geen half uur op bed toen Jeannette hem wekte.
‘Hendrick! Er staat beneden een hysterische Mevrouw Kwetters. Ze raaskalt iets over hekserij.’
De laatste keer dat hij zijn vrouw zo in paniek had gezien was toen hun oudste zoon een vriendin kreeg. Een actrice, wiens naam op Google veel hits gaf. Hendrick had zijn vrouw uitdrukkelijk afgeraden om op Pornhub-linkjes te klikken. Tevergeefs.
In de hal trof Hendrick een uitzinnige overbuurvrouw aan.
‘JIJ…! Blijf bij mij vandaan!’ riep ze met veel kracht en consumptie. ‘Ik heb wel gezien wat jij allemaal met Mien Doosje hebt uitgespookt…’
‘Mien doosje? Mens waar heb je het over? Ik heb niets met jouw doosje uitgespookt.’
Mevrouw Kwetters, die haar naam echt eer aandeed, kwetterde maar door. ‘Ja jij, speel maar weer de onschuldige, jij en die stomme keuter van je.’
Haar gezicht liep paarsblauw aan, net als haar dubbele kin; een met wratten bezaaide rimpelige massa vel, die imponerend op en neer bewoog, als de lel van een kalkoen.
In gedachten zag Hendrick haar plots naakt voor zich – heur doosje – een vreselijk beeld.
Dreigend ging ze verder: ‘Je stond godverdomme gewoon met je handen in je zakken te graaien, terwijl die arme Mien onderuit ging.’
Ja, daar had ze een punt. Veel had hij niet ondernomen. Hendrick, wat ben je toch een luiwammes! het was zijn door Jeanette gezongen levenslied geworden. En toch. Toch school er in hem een onbedwingbare kracht. Een kracht die Mien Doosje even als een zeppelin boven het trottoir had laten zweven. Ook mevrouw Kwetters had het gezien. Voor het eerst in haar leven keek ze met ontzag en zelfs angst naar hem. En op dat moment wist Hendrick dat hem een grote toekomst wachtte.
Woordeloos knikte hij naar Hunter.
Zijn hond begreep hem meteen.
En samen renden, nee, stormden ze de regen in.

Verboden woorden – Door René Appel

Er zijn woorden die je volgens mij als schrijver in een boek voor volwassen lezers nooit moet gebruiken. Hieronder volgen enkele zinnen waarin de betreffende woorden voorkomen. Voor het gemak zijn ze gecursiveerd:

  • Met grote stappen beende hij de kamer uit. (Je gebruikt toch ook niet ‘handen’ voor het werkwoord ‘pakken’?)
  • Ze plofte neer op de bank. (Hoezo ploffen? Misschien mag het in een boek voor meisjes van 12-15 jaar, maar elders niet.)
  • Langer dan een uur zaten ze gezellig te kletsen. (Waarschijnlijk op die bank waarop ze eerst waren neergeploft; de combinatie ‘gezellig’ en ‘kletsen’ bezorgt mij überhaupt koude rillingen.)
  • Hij smeet zijn kleren op de grond. (Hoezo smijten als je ook kunt gooien?).

Waarom zijn deze woorden verboden, waarom mogen ze niet? Daar is uiteraard geen objectieve reden voor. Ik vind ze simpelweg lelijk, niet-passend in literatuur en daarom storen ze mij als lezer. Ik weet het, als je bijvoorbeeld al twee keer achter elkaar het woord ‘lopen’ hebt gebruikt, is het verleidelijk om als er weer een personage zich op zijn voeten in een bepaalde richting voortbeweegt, ‘lopen’ te vermijden en te kiezen voor ‘benen’. Maar lelijk blijft het.

Wat ik ook lelijk vind (minstens zo subjectief) is het gebruik van zeer versleten uitdrukkingen. Als taalpolitie-agent verbied ik dus zinnen als:

  • Hij probeerde zijn beste beentje voor te zetten.
  • Ze was echt een huisje-boompje-beestje-vrouw.
  • Gelukkig kende gezelligheid geen tijd en we bestelden nog zo’n goudgele jongen met een witte kraag.

Proost!

Over René Appel

foto: Merlijn Doomernik

René Appel (1945) is auteur van misdaadromans en geldt als de godfather van de Nederlandstalige psychologische thriller. Vorig najaar vierde hij zijn 25 jarig jubileum als auteur en in die tijd heeft hij even zoveel boeken geschreven.

Onlangs verscheen van zijn hand De advocaat. René Appel is lid van de Raad van Advies van de Schrijversacademie.

‘In mijn boeken moet het allemaal helemaal misgaan, het gaat van kwaad tot erger. Of zeg maar gerust: ergst, want er moet altijd minimaal één personage het loodje leggen.’