Voornemens – door Dorothée Albers

Voornemens

Toen ik met het schrijven van fictie begon, nam ik me voor om ten minste één boek per week te lezen. Als iets me speet dan was het dat ik nooit het plan had opgevat om Nederlands te gaan studeren, maar dat hoefde me er niet van te weerhouden met enige systematiek de Nederlandse literatuur onder de loep te nemen. Die spijt is door verschillende neerlandici in mijn omgeving gerelativeerd; mogelijk was ik nooit aan schrijven begonnen met een bul Nederlandse Letteren op zak, omdat de kennis over de literatuur dat in de weg zou hebben gestaan.

Lezen biedt, behalve de gelegenheid om de wereld met andere ogen en andere hersens te bezien, een mooie manier om de kunst van het schrijven af te kijken. Ik beperk me overigens niet tot de Nederlandse schrijvers, ik kijk graag over de grenzen. Om en om lees ik een Nederlandse en een buitenlandse auteur, een nieuwkomer en een schrijver die zijn sporen heeft verdiend, afwisselend heren en dames en ik probeer enigszins tussen verschillende genres te bewegen: proza, non-fictie en poëzie. Toneel een enkele keer.

Onlangs las ik onder meer De heilige Rita van Tommy Wieringa.

Bouwstenen

Ik heb de (volgens sommige boekenliefhebbers onhebbelijke) gewoonte om te lezen met een potlood in de hand, om die zinnen en passages aan te strepen die blijven naklinken in mijn hoofd. In mijn exemplaar van De heilige Rita zijn de uitroeptekens in de kantlijn talrijk. Het bracht me terug bij Ga niet naar zee, een verhalenbundel van Wieringa waarin hij onder andere schrijft over de prijs die hij ontving voor de mooiste zin, ‘de Tzum prijs’. De bekroonde zin was afkomstig uit Joe Speedboot, een boek dat ik met nog groter plezier las dan De heilige Rita, aangezien daarin sprake is van een lichtvoetigheid die ik in die laatste roman miste. Die ene zin illustreert dat al:

De knalpijpen glansden als bazuinen, de wereld leek te verschroeien in allesverzengend lawaai wanneer de jongens het gaspedaal intrapten met de koppeling in, alleen om te laten weten dat ze bestonden, zodat níemand daaraan zou twijfelen, want wat niet weerkaatst, bestaat niet.

 Wat begon met grasduinen in een bundel op zoek naar een specifiek verhaal (De baksteen, niet de muur) eindigde met lezen, of herlezen beter gezegd, en dat had een bijzonder positieve uitwerking op mijn humeur. Wat geldt voor veel zinnen van Tommy Wieringa, geldt ook voor zijn korte verhalen: ze zijn van grote schoonheid. In nog geen driehonderd woorden kan hij een wereld schetsen, opgebouwd uit rake observaties, zintuiglijke waarnemingen en verrassend woordgebruik. Bovendien verwijst hij te hooi en te gras naar andere helden uit de literatuur. Naar Nescio en Hemmingway bijvoorbeeld, schrijvers voor wie mijn interesse werd gewekt toen ik als middelbare scholier de literatuur ontdekte in de bibliotheek aan de Amsterdamse Prinsengracht.

Van alle voornemens die ik elk jaar maak – 500 woorden per dag schrijven, elke ochtend vijf minuten planken, geen etenswaar in plastic meer kopen, mijn hoogbejaarde moeder wekelijks bezoeken en minder wijn drinken – is er maar één dat ik volhoud: lezen. Dat kost geen enkele moeite, wekt verwondering, bewondering, soms woede, biedt plezier, troost, ontsnapping uit het dagelijks bestaan, inspiratie voor mijn schrijven en mijn lessen, en kilometers gespreksstof.

Over Dorothée Albers

Dorothée is sinds 2018 docent bij de Schrijversacademie en schreef de roman Zeemansgraf voor een kort verhaal, die in september 2018 uitkwam bij uitgeverij Cossee.

Over het boek

Drie generaties, drie musici. Moeder, zoon en kleindochter ontmoeten elkaar nooit in deze geraffineerde roman, maar alle drie geven ze alles voor de muziek en stellen de hoogste eisen aan zichzelf. Oefenen, oefenen, oefenen, het kan altijd beter. Wat Jet, Jurre en Fine verbindt is hun talent.

Als Jet, beginnend concertpianiste, zwanger wordt van een begaafde cellist, verbieden haar ouders een huwelijk met hem. Een jood is in de jaren vlak na de oorlog in hun ogen geen goede partij voor een katholiek meisje. Zij wordt naar een klooster gestuurd en moet direct na de geboorte het nog naamloze jongetje afstaan.

Jurre komt terecht bij een Gronings boerengezin, ontdekt als puber de saxofoon, en wil tot verdriet van zijn ouders geen boer worden, maar beroepsmuzikant. Als hij er later achter komt, dat zij zijn pleegouders zijn, houdt hij dat welbewust voor zichzelf.

Zowel Jet als Jurre zwijgen over hun verleden. En net als Jet en Jurre probeert ook Jurres dochter Fine in de muziek datgene uit te drukken waar zij geen woorden voor heeft. Maar als ze haar podiumangst niet meer de baas kan, begint haar talent een last te worden. Hoe komt het dat talent behalve een gave ook een kwelling kan zijn? Vaak lijkt het erop dat zo’n bijzondere eigenschap de liefde en het gewone leven in de weg staat.

 De media over Zeemansgraf:

Het hele boek ádemt muziek. (Algemeen Dagblad)

In mooi verzorgd proza heeft Albers een ontroerend, klassiek drama geschreven, waarin de personages hun gevoelens uiten via de muziek, maar geen woorden vinden om deze met hun dierbaren te delen. (hebban.nl)