De zwaaier – verhaal door Alex Dol

Met dit verhaal heeft Alex Dol een plek in de top 3 behaald!

Uit de grote hoeveelheid inzendingen zijn 3 topverhalen geselecteerd die we graag met jullie delen. In willekeurige volgorde verschijnen de beste 3 verhalen gedurende deze week op onze blog. Maandag 11 mei maken we via Facebook bekend wie op welke plek is geëindigd en wie er dus met de hoofdprijs vandoor gaat.

Jurylid Manon Duintjer over De zwaaier:

De zwaaier bestaat grotendeels uit een uitstekend geschreven (want naturel) dialoog tussen een pizzakoerier en een oudere man. Knap hoe Alex in een beperkt aantal woorden de koerier als een mens van vlees en bloed weet neer te zetten met zijn sympathieke en onsympathieke kanten. Het eind is wrang en tegelijkertijd ontroerend.


De zwaaier

Het geknetter echoot in de lege straten van de bloemenbuurt. Kak, wat is die wind koud. Noordenwind in de lente. Had ik maar een helm opgedaan, dan had ik nu niet zo’n traanogen gehad. Ik parkeer mijn brommer bij een hoekhuis in de Begoniastraat en grijp de laatste pizza uit mijn kist. Tergend lang duurt het voordat de deur langzaam opendraait.

‘Uw pizza, meneer.’

Een hoogbejaarde man kijkt me onderzoekend aan. Veel langer dan nodig wacht hij voordat hij de doos aanpakt.

‘Nee maar! Jij bent het! De zwaaier! Heb je een baantje gevonden jongen?’

Pas nu realiseer ik me waar ik heb aangebeld. Dit is het huis van de man achter het raam. “De raambejaarde” noem ik hem wel eens gekscherend tegenover mijn vrienden. Hij zit er altijd, hij zwaait altijd en altijd zwaai ik terug. De lach op zijn gezicht groeit dan bijna zijn leunstoel uit.

‘Zoals u ziet meneer. Ik doe dit werk al een tijdje.’

De man staart me aan alsof ik zijn verloren zoon ben. Op zijn ingevallen mond verschijnt de brede glimlach die ik me zo goed herinner. Gaat hij me nu om de nek vliegen? Ik hoop het niet. Tussen hem en mij alleen de pizzadoos. De oudemannenlucht doet me terugdeinzen.

‘Ja, jongen, neem maar afstand dat is verstandiger. Ik ben ziek, jongen, zoals zovelen.’ Hij zal toch geen corona hebben, die man? Of bedoelt hij dat hij het niet wil krijgen?

‘Je bent één van de weinigen die trouw terugzwaait, jongen.’, vervolgt de man na een korte pauze. ‘Ik noem je altijd Bart de Zwaaier, weet je dat? Maar zo zal je vast niet heten. Iedereen jakkert hier maar voorbij, in vliegende vaart de hoek om. Zo’n klein gebaar is veel waard weet je dat? Zeker als je al jaren zo aan huis gekluisterd bent zoals ik.’

‘Dat spijt me voor u meneer. Maar de pizza is ook wat waard. Negen euro vijftig om precies te zijn.’

Waarom nu zo onaardig? Dat heeft die man toch niet verdiend? Waarschijnlijk ben ik zijn enige aanspraak deze week, op de kassajuffrouw na dan. Hoe kan ik dit repareren? Mee naar binnen? Bij een onbekende oude man? Ik ben zijn kleinzoon toch niet?

‘Ik haal wat voor je op.’ zegt de man zachter terwijl hij zich omdraait met de pizza. Als hij naar binnen verdwijnt heb ik de kans om het huis waar ik al zo vaak langsfietste voor het eerst van dichtbij te bekijken. De eikenhouten leunstoel, schuin naar het raam gedraaid. De salontafel ingelegd met plavuizen, daaronder een rijtje lege bierblikken. Op tafel nog de papieren zak van de snackbar verderop. Deze man neemt zijn quarantaine serieus. Of zou dit voor hem normaal zijn?

‘Neem dit maar mee,’ onderbreekt de man mijn gedachten. Geruisloos is hij in de deuropening aan staan. ‘Je zult het ongetwijfeld harder nodig hebben dan ik. En bovendien, ik heb toch niet lang meer.’ Hij overhandigt me een klein bruin envelopje. Het plakt een beetje.

‘Ik neem alleen cash geld aan meneer. Zit daar een tientje in?’

‘Dat zul je wel zien.’ antwoordt hij terwijl hij over mijn schouder naar een groepje passerende scholieren zwaait. ‘Ik ben koortsig de laatste dagen. Ik ben bang dat ik…’ een diepe hoestbui breekt zijn zin af, alsof hij het heeft ingestudeerd. Wil hij een punt maken? Deze kans op contact grijpen? Wat te doen? Ik kijk de man vragend aan. ‘Gaat het wel?’

‘Neem het mee. Maak het open als je thuis bent. Ga maar.’ zegt hij tussen het gerochel door.

‘Of nee, wacht, Bart!’ Uit zijn vestzak vist hij een verfrommeld tientje.

‘Voor de pizza. Alsjeblieft.’ Hoestend en rochelend verdwijnt hij naar binnen.

Terug op het werk besluit ik de envelop te bekijken. Zonder het open te maken zie ik een groot aantal bankbiljetten. Dit kan niet de bedoeling zijn. Zo snel als ik kan rijd ik terug naar de Begoniastraat. Mijn geknetter echoot door de straten, maar wordt langzaam overstemd door een sirene. De ambulance haalt mij in en stopt bij het hoekhuis. Pas op dat moment voel ik de snijdende noordenwind weer. Het doet mijn ogen tranen.